21. En evenmin als van hun afgoderij, hebben zij zich ook niet bekeerd van hun doodslagen, noch van hun venijngevingen, noch van hun hoererij, noch van hun dieverijen. Alles wat de godsdienst en de levenswandel aangaat lieten zij bij het oude, al hadden ook hun vaderen zich daardoor vreselijke oordelen van God op de hals gehaald.
Aan de Eufraat was het Mohammedanisme in zijn eerste periode ten tijde van de vijfde bazuin aangekomen. Bagdad, de pas gebouwde hoofdstad, was onder de Abassieden voor lange tijd zetel van het Kalifaat geworden. Hier werd de Islam voor de eerste maal in zijn zegetocht gestuit en was schier als gebonden, ja reeds op het punt te vallen, zodat zelfs het zwakke keizerrijk te Byzantium weer veroverd de Mohammedaanse landen binnendrong. Maar zijn werk ter bestraffing van de mensen was nog niet, teneinde: van het gouden reukaltaar, waarvan de gebeden van de heiligen opstijgen, in wel van de vier hoeken, waardoor het algemene, de naar alle hemelstreken zich uitstrekkende uitbreiding van het gericht, dat nu komt, wordt aangeduid, komt tot de engel van de zesde bazuin een stem, de, stem van Hem, die onder de gebeden van Zijn volk Zijn troon heeft: "Ontbind de vier engelen, die gebonden zijn bij de grote rivier, de Eufraat". In vier engelen van het oordeel treedt nu het pas ontbonden Mohammedanisme weer op het toneel, niet zij alle met elkaar, maar na elkaar, in afgemeten perioden; want zij waren gereed tegen het uure en de dag en de maand en het jaar, (Vers 13-15). Vier perioden van Mohammedaans woelen, die door middel van de eenvoudigste, van de naaste tot de meest verwijderde delen van de tijd zijn aangewezen als nauwkeurig elkaar volgende op een vooraf bepaalde tijd. Deze vier engelen (hetzij zij de engelen zijn van vier verschillende, zoals ook in Daniël 10:13 zulke engelen voorkomen, in de plaats van hele volken gesteld, die hun nationale geest uitdrukken en hun lotgevallen leiden, of dat u deze volken zelf te kennen geven, die zeer goed engelen, d. i. in dit geval boden van de oordelen van God kunnen worden genoemd. Voor de verklaring is dit niet hetzelfde, omdat zij, ook als persoonlijke engelen van de volken genomen, maar met de volken zelf samen moeten worden genomen. zijn de volgende: 1) de Arabieren zelf, die bij al de zwakheid van hun Kalifaat te Bagdad ook in deze periode nog op vele punten bijvoorbeeld in Noord Afrika, in Spanje enz. een grote rol spelen en in onderscheiding van de Arabieren van de eerste periode meer de naam van Saracenen voeren; 2) de Turken, die snel na de dood (813 na Christus) van de beroemde Kalif Harun al Rachid de eigenlijke gebiedvoerders te Bagdad waren, vooral nadat het opkomen van de Turksen stam van de Seldstukken de groene vanen van Mohammed zegerijk in het Oosten tot aan de grenzen van China, in het Westen tot aan de Hellespont voortdroegen; 3) de volksmassa's van de Mongolen en zelfs tot Noordoostelijk Europa overstroomden en die bij hun ontmoeten van het Kalifaat aan de Eufraat, daaraan wel een ontzettend einde bereidden, (1258) maar omstreeks dezelfde tijd de Islam begonnen aan te nemen, welks overwinning onder hen in het begin van de 14e eeuw beslist was en hen tot bloedige vervolgers van de Christenen maakte; 4) de Osmanen, eveneens van Turkse afkomst, die, sinds het midden van de 14de eeuw uit Klein-Azië ook in Europa drongen, reeds in 1565 Adrianopel onder zijn sultan Murad tot hun residentie maakten en van een kleine kastijding door de vreselijke Tartaar Timur zich weer snel herstelden door de verovering van Constantinopel in het jaar 1453 ook de laatste sporen van het Oosters-Romeinse rijk verdelgden en van die tijd af eeuwen lang de schrik waren van het Christelijk Westen. Deze waren de vier engelen van de volken, onder wier zwaard, als wij al hun krijgstochten tot in de nieuwere tijd bijeen vatten, ruim het derde deel van de mensen is gevallen. En wie de grote uitbreiding van het Mohammedanisme, dat zich beroemt drie hoeken te bezitten van de wereld welke het zich vierhoekig voorsteld en de meeste uit ruiterij bestaande legermassa's zich voorstelt, die het in de loop van de eeuwen in beweging heeft gebracht, die zal het zeer begrijpelijk vinden, als verder (Vers 16) gezegd wordt: "het getal van de heirlegers van de ruiterij was tweemaal tienduizenden van de "tienduizenden". Ook de beelden, die tot karakterisering van deze massa's gebruikt zijn (Vers 17) zijn opmerkelijk, "Ik zag", zegt Johannes: "de paarden in dit gezicht en die daarop zaten, hebbende vurige en hemelsblauwe en sulververvige borstwapens; en de hoofden van de paarden waren als hoofden van leeuwen, en uit hun monden ging vuur en rook en sulver. " De hoofdgedaante van deze menigte is dus het paard, terwijl de schaar van de vijfde bazuin meer zijn voorgesteld als sprinkhanen, hoewel ook reeds met gelijkvormigheid aan paarden. Waren reeds de Arabieren van de vorige paarden vreselijk door hun Escadrons, nog veel meer de Mohammedanen van de zesde bazuin. Vooral de Mongolen, maar ook de Turken, die, uit het binnenste van Azië komend, bijna gezamenlijk uitsluitend ruiters waren, dat de man eigenlijk slechts bijzaak en het paard hoofdzaak scheen te zijn. Overigens komen op dit gezicht ruiters en paarden nauwkeurig overeen, de vurig gekleurde, hyacint, of staal-blauwe en zwavel gele pantsers van de ruiters komen overeen met het vuur, de rook en de zwavel, die uit de mond van de paarden ging. Hoe opmerkelijk symboliseren hier de paarden tevens de geest, of als wij willen de geesten van het latere Mohammedanisme! De geest van het Mohammedanisme, die deze ruiter-armee draagt en door de landen jaagt, zoals die zich in deze miljoenen van paarden als het ware belichaamd heeft, heeft rijkelijk vuur, rook en zwavel gespuwd. Overal, waar die invloed kreeg, heeft die het woeste vuur van het fanatisme, de verduisterende rook van valse leer, de geest verstikkende zwaveldamp van het zinnelijke verbreid, en aan ontelbaren lichamelijke en geestelijke dood aangebracht, dat door deze drie gedood werd het derde deel van de mensen (Vers 18). En deze werkingen van de Islam hebben zich vooral in de tijden van zesde bazuin doen gelden, terwijl de Arabieren van de eerste periode nog niet die woeste, fanatieke bekeringsijver toonden en vooral ook het zedelijk vergiftigend karakter van het Mohammedanisme zich toen nog niet op de wijze van later had geopenbaard. Maar dat vuur, die rook en zwavel, die de geest van de Islam uitademde, werd ook voor hen, die door deze macht werden gedragen, tot bescherming, tot een pantser, dat hem gedurende lange tijd onverwinnelijk en tot een schrik van de wereld maakte; vandaar de verschillende kleuren van de pantsers van de ruiters. Zo bruisen dan deze legers daarheen, paard en ruiters gelijk aan de vuurgloed van de woestijn, in vuur, rook en zwaveldamp gehuld, het zichtbare beeld van de schaar van de demonen, die over hen gebied voeren een vreselijke, onweerstaanbare macht! De wijze, waarop zij verder hun macht hebben uitgeoefend (Vers 19) heeft weer veel overeenkomst met hetgeen van de sprinkhanen van de vijfde bazuin wordt gezegd: want hun macht is in hun mond in hun staarten: want hun staarten zijn aan slangen gelijk en hebben hoofden en zij beschadigen daarmee. " Even als deze paarden hoofden hebben als leeuwenhoofden (Vers 17), uit wier mond vuur, rook en zwavel gaat ("die hun vuur treft, die verbrandt, die de rook omgeeft, die verstikt, over die hun brandende zwavel komt, die verbrandt en steekt ook anderen aan en evenals die sprinkhanen staarten hebben de schorpioen gelijk, waarmee zij de mensen kwellen, zo hebben ook deze paarden staarten de slangen gelijk, die hoofden slangenhoofden met vergiftige tanden hebben en met deze beschadigen. Van voren verwoestende en dodende leeuwen, van achteren boze, vergiftige slangen dit heeft ook hier dezelfde bedoeling als bij de sprinkhanen: van voren naar de vijand gekeerd, verspreiden zij, aanvallend als leeuwen, dood en verderf om zich heen. Hebben zij echter de vijand overwonnen, hem als achter zich en onder zich, dan doen zij hem met boosaardige slangenlist, zoals de aan slangen gelijkende en in een slangenkop uitlopende staart betekent, schade aan, of zoals er eigenlijk staat "onrecht". Hiermee is de onrechtmatige, de onwaardige toestand, waartoe de Mohammedaanse politiek de niet-Mohammedaanse onderdanen veroordeelt en waaruit al zijnde overige ellende voortvloeit, op treffende wijze kort voorgesteld. Men zie op de vroeger zo heerlijk bloeiende landen van de Christenen in Klein-Azië, Noord-Afrika enz., wat van die onder het met berekende slangenkist uitgeoefende en voortgezette onrecht is geworden, dat zij van hun Mohammedaanse onderdrukkers sinds eeuwen hebben moeten lijden! Maar wat was het gevolg van dit zware oordeel? "En de overige mensen, die niet gedood zijn door deze plagen, hebben zich niet bekeerd van de werken van hun handen, dat zij niet zouden aanbidden de duivels, en de gouden en zilveren en koperen en stenen en houten afgoden, die noch zien kunnen noch horen noch wandelen; en hebben zich ook niet bekeerd van hun doodslagen) noch van hun venijngevingen, noch van hun hoererij noch van hun dieverijen". (Vers 20 v.). Dat de mensheid daarvoor boete zou doen, was het negatieve recht en de roeping van het Mohammedanisme. Het was een vreselijke gesel niet slechts voor de heidense volken van Azië en Afrika, die voor onzichtbare demonen en zichtbare afgodsbeelden knielden, waartegen de Islam met vuur en zwaard te velde trok, maar ook in het bijzonder voor de Christenen, die van de aanbidding van God in geest en in waarheid zozeer vervreemd waren. Want niet alleen was langzamerhand de verering van Christus- en heiligen-beelden als volksgewoonte in de Kerk ingedrongen, maar juist in de 8e en 9e eeuw, toen reeds het richtend zwaard van het Mohammedanisme over de Christenen gezwaaid was, werd ondanks het tegenstreven van betere keizers in plechtige kerkvergaderingen (te Nicea en Constantinopel 787, 842 na Christus) de verering van de beelden tot geloofsstuk verheven; ja zelfs stelde de Oosters-Griekse kerk in deze verering van beelden de roem van haar orthodoxie. Daarmee namen de zedelijke verdorvenheid, de moordende geest van haat, de toverij, de dienst van het vlees, de diefachtige, bedrieglijke hebzucht hand over hand toe en daagde met steeds toenemende drang het oordeel van God tegen zich uit, dat de Kerk van het Oosten voor altijd tot puin sloeg. Toch volhardt zij, zelfs in haar treurige overblijfselen) nog tot op deze dag in haar onboetvaardigheid, in haar beelden- en werelddienst, tot een getuigenis, dat haar rol is uitgespeeld, dat zij geoordeeld is.
Hiermee hebben wij het eerste deel van de gezichten van de Openbaring chter ons, de geschiedenis van het rijk van God in de Kerk heeft ons vaste en zekere punten gegeven, om dit gedeelte te beschouwen als reeds volkomen vervuld en wij kunnen het volstrekt niet goedkeuren, dat steeds weer een nieuwe wijze van uitlegging zich ingang probeert te verschaffen, die alles naar de tijd van het einde verplaatst. Daardoor wordt alleen voor het geslacht van die tijd het oog verduisterd, zodat dit de plaats, die het in ons boek inneemt, niet opmerkt, evenals vroeger de Kerk van het Oosten ook de tijd niet heeft willen erkennen, waarin het werd bezocht en daarom met schande teniet is gegaan.
De duivel zag er reeds lang naar uit, om het Christendom uit het Morgenland te weren; maar hij moest wachten totdat Christus de kandelaar wegnam (2:5), of het zwaard van Zijn mond uitzond (2:16), dat niets anders is dan zijn bevelwoord aan Zijn engelen, om nu de Kerk van het Oosten aan de boze over te laten. Dit bevel werd gegeven met het bazuingeschal van de zesde engel, dus plotseling, zoals de aanval van een leger op het bevel van de aanvoerders plaats heeft; van daar zegt de Ziener: de boze engelen, sinds lang bereidvaardig en slechts wachtend op hoger toelating, werden ontbonden tegen het uur en dag en maand en jaar. Met deze viervoudige tijdsopgave is het plotseling ontstaan van de Islam in het rijk van de duisternis geschilderd, die daar sinds lang was voorbereid; in deze logge wereld van de zichtbare dingen kon het Mohammedanisme zich wel niet plotseling vertonen, maar toch ook hier kreeg dat ontstaan zo snel zijn beslag, dat de wereldgeschiedenis geen godsdienst of wereld macht kent, zo gezwind ontstaan en uitgebreid als die van de Islam. Deze viervoudige tijdsopgave (die als een begrip, door één enkel lidwoord voorafgegaan voorkomt) is voor de profetische tijdsopgave van ongemeen groot gewicht; want zij biedt ons alleen een zeker aanknopingspunt voor de aanvang van de 1260 jaren. De Ziener gebruikt niet zonder reden vier woorden, om dat tijdpunt aan te duiden. Vier woorden, op zo'n wijze aan elkaar verbonden, zeggen in het Openbaringsboek, waar majestueuze beknoptheid de boventoon voert, bijzonder veel. In welk jaar van de Heere het bevel uitging om het Morgenland, in het bijzonder ook Kanaän, de wieg van het Christendom, aan de Islam over te laten, kunnen wij wel niet nauwkeurig, maar toch, op een tiental jaren na, met zekerheid bepalen. Van het jaar, waarin de engelen losgelaten worden, moeten de 1260 jaren geteld worden, gedurende welke de heilige stad door de Islam vertreden wordt. (Openbaring 1:2). Deze aanvang heeft in allen gevalle plaats gehad tussen 630, 640; het einde daarvan valt tussen 1890, 1900. Met een ruiterleger, 200 miljoen sterk, vangt de uitbreiding van de Islam aan. Zo'n beeld, het moge dan beduiden wat het wil, is verschrikkelijk, net zoals de 1600 stadiën lange bloedbeek, die tot aan de toornen van de paarden zwelt (Openbaring 4). De ruiters en de paarden worden in de volgende beschrijving zó geschilderd, dat de paarden niet als werkelijke paarden beschouwd kunnen worden. De paarden vallen het eerst in het oog, daarna de ruiters. Deze rossen hebben vuurrode, donkerblauwe en zwavelgele pantsieren, evenzo ook de ruiters; de paarden hebben leeuwenkoppen en uit hun muilen even zoals uit de monden van de ruiters, gaan rook, vuur en zwavel. De macht van de paarden is in hun monden en ook de macht van de ruiters; de paarden hebben ook nog staarten de slangen gelijk, die insgelijks koppen en monden hebben, waarmee zij beschadigen. Dat de ruiters vuurrode, donkerblauwe en zwavelgele pantsers hebben, evenals de paarden, is uit de voorspelling duidelijk te bemerken. Dat de ruiters ook vuur, rook en zwavel uitademen, dat hoofdzakelijk door de rossen geschiedt, kunnen wij uit de borstwapenen of pantsieren opmaken. De vuurrode kleur komt overeen met de rode massa van de bij het branden ook versmeltende zwavel; de donkerblauwe of blauwachtige kleur komt overeen met de blauwe zwavelvlam, waaruit zich het giftige gas ontwikkelt, hier in de eerste plaats door de rook voorgesteld en de zwavelgele kleur komt met de zwavel zelf overeen. De paarden komen hier het meest uit, evenals bij de Volksverhuizing de sprinkhaan- paarden het meest op de voorgrond treden (9:7). Van waar dat de paarden aldus de voorrang hebben en de ruiters nauwelijks genoemd worden? De sprinkhaan-paarden met hun staarten als van schorpioenen (7 -10) en deze rossen met vuurrode, donkerblauwe en zwavelgele borstwapenen, die leeuwenkoppen hebben en slangen aan hun staarten, zijn zinnebeelden van de duivels en de ruiters zijn zinnebeelden van de door hen met wilde onstuimigheid in de wereld rondgevoerde mensen, ginds de Hunnen, hier de Muzelmannen. De voorstelling is wonderbaar diepzinnig. Gewoonlijk moet het paard derwaarts heen, waar de wil van de ruiter gebiedt; hadden de mensen over deze rossen, die hen met zich wilden meeslepen, macht uitgeoefend en hun tegenstand geboden, zo hadden zij de duivels niet tot speelbal verstrekt; maar ros en ruiter waren het, te samen eens. De Muzelmannen waren met het duivelenheir, dat hen opstookte, geheel een van zin ros en ruiter waren volkomen eenstemmig, daarom werd de rid met zo'n stormwind-snelheid volvoerd. Ik versta dus door de ruiter-armee van de 200 miljoenen, die Johannes eerst zonder ruiters noemt, omdat hem de rossen met hun ruiters pas later in het oog vallen en welker getal hij uitdrukkelijk hoort, 200 miljoen duivels. Dat, zijn de satansheiren, door de vier aan de Eufraat gebonden engelen afgebeeld. Daaruit verklaart zich de heldenmoed, de van woede snuivende dweepzucht, de macht en de alle landen op zo vreselijke wijze doorflikkerende oorlogsfakkel van de Islam en zijn belijders. In het onzichtbare is daar tussen goede en kwade engelen, midden in de mensheid en midden onder de mensen, een ongehoorde strijd. Wij ontvangen hier nu, opdat wij er enig denkbeeld mochten bekomen, zoals ook Daniël eens verlangde door Gabriëls tussenkomende opmerkingen (Daniël 10:13, 21), voor een enkele maal een opgave van het aantal van de strijdenden. Welke krijgsheiren, 200 miljoen! Iedereen weet, dat er op aarde onder de mensen dergelijke legers nooit hebben bestaan. De talrijkste armeeën waren tot dusverre geen twee, laat staan 200 miljoen sterk. MICHAËL en Gabriël beschikken insgelijks over talrijke engelen legioenen, ten einde de draak en de zijnen te kunnen tegenstaan; en deze miljoenen maken nog niet eens de hele legermacht van de boze uit, anders was het hem niet mogelijk geweest op dezelfde tijd de andere volken op aarde te verzoeken. De Griekse woorden: Miryades myriadon en chiliades chiliadon (5:14) of tienduizendmaal tienduizenden en duizendmaal duizenden, zijn slechts in twee woorden een greep in de ontelbare menigte van de engelen van God en wijzen op een niet te berekenen schare. Gods engelen-werelden zijn rijk aan geschapen geesten en worden door satans afval en die van de zijnen niet verarmd, ook wanneer een hele wereld van zondaren de zijde van hun vijanden koos. Onstuimig en met leeuwengebrul stormden de Muzelmannen op hun vijanden los en deden het geschreeuw voor zich uitgaan: Dood of slavernij aan allen, die de Islam verwerpen! Van achter hadden de rossen aan de staarten van hun paarden koppen van verleidende slangen. Namen de volken de Islam aan, dan verleidde de duivel hen door gladde woorden: "Leef slechts naar de voorschriften van de profeten en u beërft het paradijs van zinnelijke lust. " De slang betovert niet alleen, maar zij wondt ook na de betovering en op haar beet volgt de dood; de dood lichamelijk en geestelijk, die niet alleen in zo vele landen, na hun bekering tot de Islam onmiddellijk is begonnen, maar ook op grote schaal de in de nieuwere tijd altijd nog jammerlijker wegkwijnende Moslim-wereld, met zijn zicht, ter neerdaling in de onderwereld, afmaait. Leeuwenmoed en slangenkist, geweld in verleiding, beurtelings aangewend, ziedaar de middelen, waarmee het Mohammedanisme de zielen en lichamen voor de tijd en de eeuwigheid verderft. Hoeveel eeuwen had God reeds in het Oude Verbond de natiën van het Oosten, door het volk Israël, Zijn heil aangeboden en ze 600 jaren lang met het Evangelielicht bestraald, hetwelk zij ten slotte tot een smakeloos zout hebben vervalst! Eindelijk liet Hij hun een godsdienst, die het vlees behaagde, toebereiden en deze bracht hen de dood aan. Pas wanneer de grote zielenmoordenaar uit het midden van de mensheid verwijderd zal zijn, kan een deel van de volken en van de heidenen in het Oosten, waarbij het Evangelie ten tijde van het Nieuwe Verbond geen ingang vinden kon, door het levendmakende Evangelie vernieuwd worden.
Deze "stem" doelt op de gebeden van de heiligen in de strijdende Kerk, die blijkens het volgende vers het ontbinden begeert van de vier engelen aan de Eufraat. Het is de stem van de gemeente van de Heere, die haar vrijmoedigheid kent, om van de Voleinder, die haar kocht, te vragen wat zij nodig heeft, wetend dat Hij, in wiens handen de Vader alle dingen gesteld heeft, op Zijn tijd haar verzuchtingen hoort en op Zijn wijze haar wensen vervult. De engelen, die volgens 7:1 de vier winden van de aarde hielden, waren goede; zij, die hier voorkomen, zijn het ook. Zij waren tot dusver aan de Eufraat gebonden, omdat Gods oneindige lankmoedigheid nog altijd de straf uitstellen en aan de zondige wereld de gelegenheid tot bekering geven wilde. Maar gereed is het oordeel sinds lange tijd geweest, bepaald voor al de vier hoeken van de wereld, voor de hele aarde. Dit toch wordt te kennen gegeven door het viertal van de engelen, het voltooide, geëindigde aanduidend. Zij zullen komen "van de Eufraat. " De Heere had van oudsher de zetel van Zijn oordelen over het land, ten westen van de Eufraat, aan de overzijde van die rivier. Van de hier wonende volken bediende God zich reeds ten tijde van Abraham, als gesels voor Kanaän en andere landen voor westelijk Azië. En ten allen tijde, zowel onder het Nieuwe als onder het Oude Verbond, waren zij als "scherpe scheermessen" in de hand van de Heere. Eerst de ASSYRIËRS, later de Babyloniërs, eindelijk de Perzen onder het Oude Verbond, later gedurende de achttien eeuwen van de Christelijke kerk de Volksverhuizers, toen de Mongolen en het laatst de Turken. Van tijd tot tijd ontbond de Heere deze gesels in het Oosten, van de andere zijde van de Eufraat, en liet hen tot straffe de natiën van het Westen vaker kwellen en dreigen. In deze zin duidt Jesaja de koning van Assyrië aan als een "scheermes" dat de Heere aan de andere zijde van de rivier gehuurd heeft. De Eufraat is overigens in de voorstelling bij Johannes slechts het beeld van de verschijning van de geduchte ruiterbenden, waarvan de zesde bazuin melding maakt en die plaats wordt genoemd als berucht wegens de bezoekingen, die menigmalen vandaar waren verschenen. O Heere! wanneer ik het indenk, hoe U uw gerichten heeft uitgezonden de wereld van morgenstond af, dan wordt mijn hart onderwezen om U de eer te geven door ootmoedige vrees van Uw heilige naam! Ja, grootmachtig Opperheer! wij buigen ons voor U neer in het stof en wij aanbidden U, die leeft en regeert in eeuwigheid!
Door deze vier engelen wordt meest van alle uitleggers verstaan de sekte van de Mohammedanen, die voornamelijk in vier volken bestaat, die alle de andere onder zich hebben gebracht, namelijk de Arabiërs, Saracenen, Tartaren en Turken, waarvan de Arabiërs en Saracenen van het jaar zeshonderd twintig af veel geweld tegen de Christenen en inzonderheid tegen het Roomse rijk in het Oosten en Westen hebben gebruikt, maar zijn daarna weer door de Christenen tot over de Eufraat gedreven, totdat over het jaar 1300, als het anti-christendom op het hoogste was en de rechtzinnige Christenen allermeest werden verdrukt de Tartaren en Turken uit beide de Armeniën, die tegen de Eufraat liggen, zijn doorgebroken en geheel Azië en Afrika hebben overlopen en ten onder gebracht en het Griekse of Oosterse rijk, waarvan Constantinopel de hoofdstad was, teniet gedaan. In deze krijgen is veel bloed vergoten en het schijnt, dat door deze krijgen de koningen, die hun macht aan het beest hadden gegeven, zoveel werk hadden gekregen, dat de rechtzinnige leraars in verscheidene landen daar intussen nieuwe kerken hebben opgericht, zonder dat zij door de vervolgingen van de anti-christ uitgeroeid konden worden, zoals in Frankrijk Engeland, Bohemen, Zwitserland en andere gewesten door Waldus, Wiklef, Johannes Hus, Hieronimus van Praag en meer anderen, is geschied, waarvan in de volgende Hoofdstukken meer geprofeteerd zal worden.
De Heere Jezus, de Hogepriester in de hemel, zittende ter rechterhand van de troon van de Majesteit, ten goede van Zijn uitverkorenen en alle macht over hemel en aarde als Koning ontvangen hebbende, ziet uit de hemel op Zijn Kerk, die zo bedorven was en neem de wan in Zijn hand, om Zijn dorsvloer te zuiveren en het kaf te verbranden en geeft daartoe bevel door een gezag en machthebbende stem, voortkomende uit de vier hoornen van het altaar, waardoor macht en sterkte te kennen gegeven wordt, die Hij op Zijn lijden en sterven ontvangen heeft. De vier engelen zijn in het algemeen de uitbreking van de oordelen aan alle kanten in de vier gewesten van de wereld, zoals Hoofdstuk 7:1 ; of men kan daardoor verstaan de vierderlei volken, die onder het Turkse gebied ineengesmolten zijn, als Arabieren, Saracenen, Perzen en Tartaren, of de vier hoofdkoninkrijken, waarin het Turkse gebied onderscheiden is; als Azië, Aleppo, Damascus en Antiochië. Immers de uitkomst leidt ons als met de hand tot de Turk, wiens begin is Mohammed in wiens einde zal zijn onder de zesde schaal. Door hun leer de doodden zij de zielen en door hun vervolgingen van de ware gelovigen hebben zij miljoenen heiligen gedood. Hun leer is vergiftigend en betoverend door de uitwendigheden en door haar leugenachtige wonderen.
Er wordt hier gesproken van één stem (Vers 13) om de éénheid van het bevel, hoewel uit verschillende oorden gehoord. Het viertal wijst op de vier werelddelen; de stem is de stem van God, die gezegd wordt uit het altaar voort te komen, omdat wat geschiedt, plaats heeft om Christus (het gouden altaar) en op het geroep van de gelovigen, omdat er geen verandering in te wachten is door enige andere gebeden en omdat de boosheid van de mensen ook vooral bestaan zou in het verwerpen van dit altaar door mensenverdiensten en voorbidding (Jeremia 17:1). De vier engelen in Vers 15 zijn onderscheiden van die in Hoofdstuk 7:1 Want die stonden vrij en deze zijn gebonden. Deze zijn kwade engelen en het "bij de grote rivier Eufraat" moet niet zinnebeeldig maar letterlijk worden opgevat. Het bevel zegt dan vrijlating tot uitvoering van hun boze voornemens zelfs buiten de nabuurschap van de Eufraat. De goede engel ontbindt nu de 4 boze op de tijd door God bestemd en waarnaar zij verlangd hadden en waartoe zij bereid waren. Meteen verschijnt een machtig leger, grote verwoestingen aanrichtend, maar de mensen niet verbeterend. Van deze wordt beschreven 1) de veelheid, wel overeenkomend met het Mohammedanisme, naardien de Saracenen was bevolen te oorlogen, door schrik en geweld de ongehoorzamen te dwingen, waarop zij het paradijs mochten verwachten; 2) de verschrikkelijkheid van gedaante, getal en toerusting. Ontzettende schade wordt aangericht doordat zij aan alle zijden beschadigen (Vers 19), zoals gezien kan worden in de verwoestingen van de Mohammedanen overal en aan alle zijden met verdubbelde kracht. Nochtans is dit vruchteloos ter betering (Vers 20, 21). Zij bleven geestelijk dood. De Roomse kerk heeft niet afgelaten van de aanroeping van de engelen en van de heiligen, noch van beeldendienst, noch van doodslagen, venijngeving, dieverijen, maar is voortgegaan in onreinheden en schelmstukken, met uitroeiing van Gods knechten, van Maria en andere heiligen en van beelden hulp verwachtend en zich zo tegen Gods oordelen verhardend.
Het is duidelijk, dat door de Turkse heerschappij een groot gedeelte van het Roomse rijk verdonkerd is en dat er velen van allerlei rang, die van de paus alleen afhingen, verwoest zijn geworden, waarvan de oorlog, die de heilige oorlog wordt genoemd, een bewijs is.
Men heeft niet te twijfelen, of deze engelen waren Turken en met dit voelen stemmen meest alle uitleggers overeen. Er wordt gezegd dat zij vier zijn, omdat er vier principale huisgezinnen van de Turken waren. Want nadat zij een nederlaag hadden ontvangen van de Scythen en het paleis van Iconium hadden verloren en enige jaren hadden doorgebracht in roverijen, richtten zij zich weer op en deelden dat deel van Azië; onder hun voornaamste heren, dat zij in een korte tijd kregen van de Romeinen. De eerste was Carmanus Atisarius, de tweede Sarchanes, de derde Calames en Cerasius zijn zoon, de vierde Atman, zoals Gregoras zijn naam schrijft of Ottoma.
De spreekwijze in Vers 15, waar de orde omgekeerd voorkomt, is ontleend aan degenen, die door blakende en aanhoudende begeerte gedreven worden tot enige hun voorgestelde zaak, zodat het uur, waarop zij het wensten, niet aan hun verwachting voldoet, zij het uitstellen tot de naaste dag en bijaldien die dag hun verwachting teleurstelt, zij het verschuiven tot de naaste maand en straks tot het volgende jaar, zijn ongeduldig over het uitstel.
Duivels in Vers 20 zijn allerlei verdichte afgoden. Zo stelt Paulus (1 Corinthiërs 10:20) de ware God tegenover de "daimonia" zoals duivels, d. i. verdichte godheden. Psalm 96:5 "alle goden van de Heidenen zijn "elilim. d. i. "valse goden" is door de LXX vertaald "daemonia".
Wij kunnen (uit Vers 20, 21) gemakkelijk opmerken, dat het tot een goddelijk en zalig leven niet genoeg is, dat men geen papist of Turk is, maar dat van een ieder van ons een oprecht geloof geëist wordt, dat ons in Gods geboden leert wandelen. Laat ons ook hier leren, hoe krachtig de boetvaardigheid is. Als u een afgodendienaar bent of geweest bent, wanhoop niet, keer u tot de Heere en beter u, als u weer in zonden valt, blijf er niet in liggen. Maar als u zich tot God niet wilt bekeren en de boze handel van de zonden niet wilt laten, denk niet, dat u van God enige genade zult verwerven; u zult in Uw zonden verloren gaan.