Numeri 5:1-10
I. Hier is een bevel voor de zuivering van het leger door allen uit zijn linies te verwijderen, die ceremoniëel onrein waren, door een vloed, door melaatsheid, of door het aanraken van een dood lichaam, totdat zij overeenkomstig de wet gereinigd waren, vers 2,3. Deze orders worden terstond ten uitvoer gebracht, vers 4.
1. Het leger was nu naar een nieuw model ingericht, en teneinde nu de verbetering ervan volkomen te maken, moet het gereinigd worden. De zuiverheid van de kerk moet evenzeer behartigd en bewaard worden, als de vrede en orde er van. Het is nodig, niet alleen dat iedere Israëliet bij zijn eigen banier blijve, maar ook dat iedere verontreinigde Israëliet er van worde afgescheiden. De wijsheid, die vanboven is, die is ten eerste zuiver, daarna vreedzaam.
2. De tabernakel Gods was nu in het midden des legers gevestigd, en daarom moeten zij er voor zorgen het rein te houden. Hoe krachtiger de belijdenis van Godsdienst van een huis, of een gezin, hoe meer zij verplicht zijn, om "het onrecht van hun tenten weg te nemen," Job 22:23. De persoon bij wien, de plaats "in welker midden" "God woont," moet niet verontreinigd worden want zo zij het wèl is, dan is Hij beledigd, en dan zal Hij er zich van onttrekken, I Corinthiërs 3:16, 17.
Deze uitdrijving van de onreinen uit het leger moest te kennen geven:
a. Wat de regeerders van de kerk behoren te doen: zij moeten het kostbare van het snode uittrekken, en personen van een ergerlijk gedrag als oude zuurdesem uit hun midden wegdoen, 1 Corinthiërs 5:8, 13,. opdat de anderen niet aangestoken en verontreinigd worden, Hebreeën 12:15. Het is voor de eer van Christus en de stichting van Zijn kerk nodig dat zij, die openlijk onheilig en van een slecht levensgedrag zijn, uit de Christelijke gemeenschap weggedaan worden, totdat zij zich bekeren.
b. Wat God zelf doen zal in de grote dag: Hij zal "Zijn dorsvloer" "doorzuiveren, en uit Zijn koninkrijk vergaderen al de ergernissen." Gelijk hier de onreinen buiten het leger gesloten werden, zo zal in het nieuwe Jeruzalem "niets inkomen, dat ontreinigt," Openbaring 21:27.
II. Een wet betreffende vergoeding vooraan de naaste gedaan onrecht. Het wordt genoemd menselijke zonden, vers 6, omdat zij gemeen is onder de mensen, een zonde van de mens dat is: een zonde tegen de mens, zo denkt men dat het vertaald en verstaan moet worden. Als iemand zijn broeder ten opzichte van enige zaak misleidt of bedriegt, dan moet dit beschouwd worden als een zonde tegen de Heere, Die de beschermer is van het recht, de straffer van onrecht, en die ons streng gebiedt rechtvaardiglijk te handelen. Wat moet er nu geschieden, als iemands ontwaakt geweten hem beschuldigt van zo'n zonde, haar in zijn herinnering terugvoert, al is het ook lang geleden, dat hij haar gepleegd heeft?
1. Hij moet zijn zonde belijden, haar belijden aan God, haar belijden aan zijn naaste en zich aldus schande aandoen. Als hij het tevoren ontkend heeft, dan moet hij de leugen bekennen, al valt hem dit nog zo zwaar, omdat zijn hart verhard was, heeft hij het ontkend, daarom is er voor hem geen ander middel om te doen blijken, dat zijn hart vertederd is, dan door het te belijden. 2. Hij moet een offer brengen, een ram van de verzoening, vers 8. Er moet voldoening gegeven worden voor de overtreding, gepleegd tegen God, wiens wet verbroken werd, zowel als voor het verlies, dat onze naaste geleden heeft, vergoeding in zo'n geval volstaat niet zonder geloof en bekering.
3. Maar de offerande zou niet welbehaaglijk zijn, indien er aan hem, aan wie het onrecht is aangedaan, geen volledige vergoeding gedaan wordt, de hoofdsom moet hem niet slechts teruggegeven worden maar nog een vijfde deel bovendien, vers 7. het is zeker dat zolang hetgeen onrechtmatig verkregen werd, willens en wetens wordt behouden, de schuld van de onrechtvaardigheid op het geweten blijft en door geen offerande, door geen gebeden of tranen wordt weggenomen, want het is één en dezelfde zonde, waarin volhard wordt. Deze wet hebben wij tevoren gehad, Leviticus 6:4, en hier wordt er bijgevoegd dat, zo de verongelijkte gestorven is, en geen bloedverwant heeft nagelaten, die recht zou hebben op het ontvangen van deze schuld, of indien het onzeker is aan wie de vergoeding gegeven moet worden, dit toch geen verontschuldiging of reden zou wezen om het onrechtmatig verkregene te behouden, wie het ook behoord moge hebben, zeker was het het zijne niet, die het door een zonde verkregen heeft, en daarom moet het de priester gegeven worden, vers 8. Als er iemand was, die er zijn recht op kon bewijzen, dan moet het niet aan de priester gegeven worden, God haat de roof in het brandoffer. Maar indien er zo iemand niet was, dan verviel het aan de Heere, (ob defectum sanguinis-bij gebrek aan een nakomeling) en de priesters waren Zijn ontvangers. Het één of andere werk van de barmhartigheid is een daad van noodzakelijke gerechtigheid, die gedaan moet worden door hen, die zich bewust zijn onrecht te hebben gepleegd maar niet weten hoe andere vergoeding te doen. Wat het onze niet is, zal ons nooit wezenlijk voordeel opleveren.
III. Een algemene regel betreffende geheiligde dingen. die bij deze gelegenheid gegeven is, dat namelijk al wat de priester gegeven wordt van hem zal wezen, vers 9, 10.
1. hij, die het gaf, zal het niet terug ontvangen, onder welk voorwendsel het zij. Deze wet bevestigt en bekrachtigt alle schenkingen voor Godvruchtige doeleinden opdat de mensen niet iets aan de priester geven in een opwelling van ijver, om het daarna, in een opwelling van spijt, weer terug te nemen.
2. De andere priesters zullen niet delen met de priester, die toen dienst deed, en aan wie het geheiligde-waarin dat ook bestond-gegeven was. Laat hem, die het ijverigst en het meest bereid was om dienst te doen, er te beter om varen, zo hij het werk doet, dan hebbe hij het loon er voor, en moge God er Zijn zegen aan toedoen.