Leviticus 6:1-7
Dit is het laatste gedeelte van de wet op het schuldoffer, het eerste gedeelte, dat de schuld betrof omtrent heilige dingen, hadden wij aan het einde van het vorige hoofdstuk, maar dit betreft schuld voor gewone dingen.
Merk hier op:
1. De veronderstelde overtreding, vers 2, 3. Hoewel al die gevallen de naaste betreffen, werden zij toch een overtreding tegen de Heere genoemd, omdat, hoewel het kwaad onze naaste werd berokkend, hiermede toch een belediging wordt aangedaan aan zijn Maker en onze Meester. Hij, die "kwalijk spreekt van zijn broeder, wordt gezegd kwalijk te spreken van de wet," en bijgevolg van de wetgever Jakobus 4:11. Al is de benadeelde persoon ook nog zo onbeduidend of gering, en op alle wijzen onze mindere, is het hem toegebrachte onrecht toch een beledigen van God, die het gebod gegeven heeft om na Hem onze naaste lief te hebben. De overtredingen, die als voorbeelden genoemd worden, zijn:
a. Trouweloosheid: Als iemand zijn naaste zal gelogen hebben van hetgeen hem in bewaring gegeven was, of, wat nog erger was, van hetgeen hem geleend was om te gebruiken. Als wij voorgeven datgene ons eigendom te zijn, dat slechts geleend was, of ons in bewaring was gegeven, of aan onze zorg was toevertrouwd, dan is dit een overtreding tegen de Heere, die, tot welzijn van de menselijke maatschappij, de eigendom geëerbiedigd en goede trouw gehandhaafd wil zien.
b. Een deelgenoot tekort te doen. Indien iemand liegt in gemeenschap de gehele winst voor zich eisende, waarvan hem slechts een deel toekomt.
c. Het ontkennen van een blijkbaar onrecht, als men de onbeschaamdheid heeft om te liegen van hetgeen hij met geweld zijn naaste onthoudt, hetgeen gewoonlijk niet verborgen kan blijven.
d. Bedrog in de handel, of, naar sommigen denken, door valse beschuldiging, als iemand zijn naaste bedrieglijk verdekt heeft, zoals sommigen de tekst lezen hetzij door hem te onthouden wat hem toekomt, of hem het zijne te ontroven of af te persen.
e. Houden wat gevonden is, en dit te ontkennen, vers 3. Als iemand het verlorene gevonden heeft, dan moet hij dit niet terstond het zijne noemen, maar trachten de eigenaar te ontdekken, aan wie het teruggegeven moet worden. Dit is doen zoals wij wensen dat ons gedaan zal worden, maar hij, die daarover gelogen zal hebben, die zegt, dat hij er niets van weet terwijl hij er wèl van weet, inzonderheid als hij zijn leugen ondersteunt door een valse eed, dan overtreedt hij tegen de Heere, die getuige is van alles wat gezegd wordt, maar op wie men zich door een eed beroept, en Hem dus zeer beledigt door Hem op te roepen als getuige voor een leugen.
2. De bepaling omtrent het schuldoffer.
a. Op Vers 2 naar de Engelse overzetting. de dag van zijn schuld moet hij zijn broeder voldoening geven. Dit moet hij eerst doen-"als uw broeder iets tegen u heeft," zie Mattheus 5:23- dewijl hij gezondigd heeft en schuldig geworden is, vers 4, 5, dat is: door zijn eigen consciëntie overtuigd is geworden van schuld en er berouw van heeft, zich schuldig ziende voor God, zo laat hem alles wat hij door bedrog of geweld verkregen heeft, getrouw weergeven met een vijfde deel er bij, om de eigenaar het verlies en de moeite te vergoeden, die hij gehad heeft, zich aansprakelijk houdende voor schade en onkosten. Waar onrecht geschied is, moet vergoeding gedaan worden, en voordat die vergoeding zoveel als in vermogen is gedaan wordt, of een evenredige vergoeding door de verongelijkte is aangenomen, kunnen wij de troost niet hebben van de vergeving van onze zonde, want onder zich te houden wat onrechtvaardig verkregen werd, is een voortzetten van de ongerechtigheid. Berouw te hebben is ongedaan te willen maken wat verkeerd gedaan is, hetgeen, (wat wij ook mogen zeggen of voorgeven) niet gezegd kan worden, gedaan te zijn vóór teruggegeven is wat er door verkregen werd, zoals Zacheus gedaan heeft, Lukas 19:8, en er voor het gepleegde onrecht voldoening gegeven zij.
b. Daarna moet hij komen en zijn gave offeren, moet hij de Heere zijn schuldoffer brengen, die hij had beledigd, en de priester moet verzoening voor hem doen, vers 6, 7. Dit schuldoffer kon op zichzelf de zonde niet verzoenen of een verzoening teweegbrengen tussen God en de zondaar, maar het wees op de verzoening, aangebracht door onze Heere Jezus, als Hij Zijn ziel "tot een schuldoffer gesteld zal hebben," Jesaja 53:10, het is daar hetzelfde woord, dat hier gebruikt wordt. De overtredingen, die hier genoemd worden, zijn nu nog overtredingen tegen de wet van Christus, die even sterk aandringt op gerechtigheid en waarheid, als ooit de wet van de natuur of de wet van Mozes er op aangedrongen hebben, en ofschoon wij nu vergeving kunnen verkrijgen zonder schuldoffer, is het toch niet zonder een oprecht berouw, zonder vergoeding en verbetering en een ootmoedig geloof in de gerechtigheid van Christus. En zo thans iemand zich eerder de vrijheid zou nemen om te zondigen, omdat hij de onkosten niet behoeft te doen om een schuldoffer te brengen, die verandert de genade Gods in ontuchtigheid en zal alzo een haastig verderf over zich brengen. "De Heere is een wreker over dit alles," 1 Thessalonicenzen 4:6.