Numeri 3:14-39
De Levieten aan Aäron geschonken zijnde om hem te dienen, worden zij hem hier geteld overgegeven, opdat hij zou weten wat hij had, en hen diensvolgens zou gebruiken.
Merk op:
I. Naar welke regel zij geteld werden: Al wat mannelijk is, van een maand oud en daarboven, vers 15. Van de andere stammen werden alleen geteld al wat mannelijk is van twintig jaren en daarboven, en van deze alleen degenen, die instaat waren uit te gaan ten strijde, maar in het getal van de Levieten moeten ook de kinderen en de zwakken meegerekend worden. Daar zij van krijgsdienst waren vrijgesteld, werd er niet op aangedrongen dat zij meerderjarig zouden zijn, of kracht zouden hebben ten strijde. Hoewel het later bleek dat weinig meer dan een derde van het getal van de Levieten geschikt waren om in de dienst des tabernakels gebruikt te worden, (ongeveer 8000 van de 22000, Hoofdstuk 4:47, 48), wilde God hen toch allen geteld hebben, als aanhorigen van Zijn gezin, opdat niemand zich verstoten zou achten van God, omdat hij het vermogen niet had om Hem, zoals de anderen, dienst te bewijzen. De Levieten van een maand oud konden God niet eren en Hem dienen in de tabernakel zoals de volwassenen, maar uit de mond van de jonge kinderen en van de zuigelingen werd van de Levieten lof toebereid voor God. Laat het niet verhinderd worden, dat kinderkens ingeschreven worden als behorende tot de discipelen van Christus, want derzulken is het koninkrijk van de hemelen. De lossing van de eerstgeborenen werd gerekend van een maand oud, Hoofdstuk 18:15-16, daarom werden de Levieten reeds van die leeftijd af geteld. Zij werden geteld naar het huis van hun vaderen, niet van hun moeders, want als de dochter van een Leviet iemand uit een anderen stam trouwde, dan was haar zoon geen Leviet, maar wij lezen van een geestelijken priester onzes Gods, die het ongeveinsde geloof beërfde, dat gewoond heeft in zijn moeder en zijn grootmoeder, 2 Timotheus 1:5 T.
II. Hoe zij verdeeld werden in drie klassen, naar het getal van de zonen van Levi, Gerson, Kohat en Merari, en van deze weer een onderverdeling werd gemaakt in verscheidene geslachten, vers 17-20. Omtrent ieder van deze drie klassen hebben wij een bericht:
1. Van hun getal. De Gersonieten waren 7500. De Kohathieten waren 8600. De Merarieten waren 6200. Van de overige stammen zijn de afzonderlijke geslachten niet afzonderlijk geteld, zoals die van Levi, aan deze stam slechts heeft God die eer aangedaan.
2. Van hun post aan de tabernakel, waar zij dienst moesten doen. De Gersonieten legerden zich achter de tabernakel westwaarts, vers 23. De Kohathieten rechts van de tabernakel naar het zuiden, vers 29. De Merarieten aan de linkerzijde noordwaarts. En om het vierkant te voltooien legerden Mozes en Aäron met de priesters zich aan de voorzijde naar het oosten, vers 36. Aldus was de tabernakel omgeven van zijn wachters, en aldus legert zich "de engel des Heeren rondom degenen, die Hem" "vrezen," die levende tempelen zijn, Psalm 34:8. Ieder kende zijn plaats en moest er in blijven met God.
3. Van hun overste of hoofd. Gelijk iedere klasse haar eigen plaats had, zo had ook ieder overste zijn plaats. De bevelhebber van de Gersonieten was Eljasaf, vers 24. Van de Kahathieten was het Elizafan, vers 30, van wie wij lezen in Leviticus 10:4, dat hij een van de dragers was bij de begrafenis van Nadab en Abihu. Van de Merarieten was het Zuriël, vers 35. 4. Van hun last als het leger optrok. Iedere klasse kende haar eigen werk, hetgeen nodig was, want hetgeen ieders werk is, blijkt dikwijls niemands werk te zijn. De Gersonieten waren belast met de bewaring en het dragen van al de gordijnen en behangselen en bedekkingen van de tabernakel en de voorhof, vers 25, 26, de Kohathieten met al de meubelen en gereedschappen van de tabernakel, de ark, het altaar, de tafel, enz, vers 31, 32. De Merarieten met de zware dingen, de stijlen, richelen, pilaren, enz, vers 36, 37.
Hier kunnen wij opmerken:
a. Dat de Kohathieten, hoewel zij het tweede huis waren, bevorderd waren boven het oudere geslacht van de Gersonieten. Behalve dat Aäron en de priesters tot dit geslacht behoorden, waren zij ook talrijker, en hun post en last meer eervol, hetgeen waarschijnlijk aldus bevolen was om Mozes eer te bewijzen, die van dat geslacht was. Maar,
b. toch waren de nakomelingen van Mozes noch bijzonder geëerd noch bevoorrecht, zij waren op gelijken voet met de andere Levieten, opdat het zou blijken dat hij de bevordering van zijn eigen familie niet zocht of op het oog had, generlei eer als bij erfrecht op hen wilde doen overgaan in kerk of staat, hij die zelf eer genoeg had, begeerde niet dat aan Zijn naam luister zou worden bijgezet door de glans van dat licht, liever wilde hij, dat de Levieten eer zouden ontlenen aan zijn naam. Laat niemand met geringachting denken aan de Levieten, hoewel zij de minderen waren van de priesters, want Mozes zelf achtte het voor zijn zonen hoge bevordering genoeg om Levieten te zijn. Waarschijnlijk was het, omdat het geslacht van Mozes slechts Levieten waren, dat in het opschrift van dit hoofdstuk, hetwelk over die stam handelt, vers I, Aäron vóór Mozes gesteld is.
III. De som totaal van het getal van deze stam, zij worden met hun allen op 22000 berekend, vers 39. De som van de afzonderlijke geslachten tezamen bedraagt 300 meer. Indien deze bij de som totaal gevoegd waren, dan zouden de Levieten, inplaats van 273 minder te zijn dan de eerstgeborenen, vers 43, 27 meer geweest zijn, en dan zou de schaal naar de andere zijde zijn overgeheld, maar men onderstelt dat de 300, die afgetrokken werden van het getal, toen de ruil zou plaatshebben, eerstgeborenen waren van de Levieten zelf, geboren na hun uittocht uit Egypte, en die niet in de ruil begrepen konden worden, omdat zij reeds Gode geheiligd waren. Maar wat hier bijzonder opmerkelijk is, is dat de stam van Levi bij verre de mindere was in getal dan de anderen. Gods deel in de wereld is dikwijls het kleinste. Zijn uitverkorenen zijn, vergelijkenderwijs gesproken, slechts een klein kuddeke.