2 Timotheus 1:1-5
Hier vinden wij:
I. Het opschrift van den brief. Paulus noemt zich een apostel van Jezus Christus door den wil van God, geheel door het welbehagen Gods en Zijne genade, welke hij zich zelven onwaardig belijdt te zijn. Naar de belofte des levens, dat in Christus Jezus is, of naar het Evangelie. Het Evangelie is de belofte des levens in Christus Jezus, het leven is het doel en Christus is de weg, Johannes 14:6. Het leven is in de belofte gelegd, en beide zijn verzekerd in Christus Jezus, de getrouwe getuige, want al de beloften Gods in Christus Jezus zijn ja en amen, 2 Corinthiërs 1:20. Hij noemt Timotheus zijn geliefden zoon. Paulus gevoelde de tederste liefde voor hem, zowel omdat hij het middel voor zijne bekering geweest was, als omdat hij gelijk een zoon zijn vader met hem gediend had in het Evangelie.
1. Paulus was een apostel van Jezus Christus, door den wil van God, want hij had het Evangelie niet ontvangen van een mens, en was er niet in onderwezen, maar hij had het door openbaring van Jezus Christus, Galaten 1:12, zodat zijn zending als apostel niet was door den wil van een mens, maar van God. In den vorigen brief had hij gezegd: naar het bevel van God, onzen Zaligmaker, en hier zegt hij: door den wil van God. God riep hem om apostel te zijn.
2. Wij hebben de belofte des levens, God zij er voor gezegend: In de hoop des eeuwigen levens, welke God, die niet liegen kan, beloofd heeft voor de tijden der wereld, Titus 1:2. Het is de belofte om er de vrijheid en de zekerheid van te ontdekken.
3. Deze, zowel als alle andere beloften, zijn in en door Jezus Christus, zij ontspringen alle uit de barmhartigheid Gods in Christus, en zij zijn zeker, zodat wij er veilig op kunnen vertrouwen.
4. De genade, barmhartigheid en vrede, welke zelfs Paulus' geliefde zoon Timotheus nodig had, komen van God den Vader en onzen Heere Jezus Christus, en daarom is de een zowel als de ander de gever van deze zegeningen en behoren beiden er om aangeroepen te worden.
5. De besten behoeven deze zegeningen, en zij zijn de beste, die wij voor onze teergeliefde vrienden vragen kunnen, dat zij genade mogen ontvangen om hen te helpen in tijd van nood, en barmhartigheid om hun gebreken te vergeven, en zo vrede mogen hebben met God den Vader en met onzen Heere Jezus Christus.
II. Paulus' dankzegging aan God voor Timotheus' geloof en heiligheid, hij dankt God wanneer hij Timotheus gedenkt in zijne gebeden. Wat wij ook goeds doen en welken goeden dienst wij onzen vrienden ook mogen bewijzen, God moet er de heerlijkheid van hebben en wij moeten er Hem voor danken. Hij is het, die het ons in het hart geeft om onzen vrienden in onze gebeden te gedenken. Paulus was veel in het gebed, hij bad dag en nacht, in al zijn gebeden gedacht hij zijn vrienden, voornamelijk bad hij voor goede dienaren, hij bad voor Timotheus, en was zijner gedachtig in zijne gebeden nacht en dag, hij deed dat zonder ophouden, bidden was zijn voortdurende bezigheid, en nooit vergat hij zijn vrienden in zijne gebeden, gelijk wij dikwijls doen. Paulus diende God van zijne voorvaderen af in een rein geweten. Het was een troost voor hem, dat hij geboren was in Gods huis, en het zaad was van mensen, die God dienden, evenals dat hij Hem gediend had met een rein geweten, overeenkomstig het licht dat hij had, hij had zijn geweten onergerlijk bewaard en maakte het tot zijn dagelijkse oefening om dat te doen, Handelingen 24:16. Hij was zeer begerig om Timotheus te zien, uit liefde voor hem, opdat hij met hem mocht omgaan, hij gedacht aan zijne tranen bij hun laatste afscheid. Timotheus was bedroefd toen hij Paulus moest verlaten, hij weende bij het afscheid, en daarom begeerde Paulus hem weer te zien, aangezien hij had bemerkt hoeveel liefde hij voor hem had. Hij dankte er God voor dat Timotheus de godsvrucht zijner voorouderen behield, vers 5. De godsdienst werd Timotheus overgebracht van moeders zijde, hij had een goede moeder en een goede grootmoeder, zij geloofden, maar zijn vader geloofde niet, Handelingen 26:1. Het is heerlijk wanneer kinderen het geloof en de heiligheid van hun godvrezende ouders navolgen en in hun voetstappen wandelen, 3 Johannes 4.
Hetwelk eerst gewoond heeft in uwe grootmoeder Loïs en in uwe moeder Eunice, en ik ben verzekerd dat het ook in u woont. Paulus had zeer liefderijke gedachten over zijne vrienden, en was altijd geneigd het beste omtrent hen te hopen, en inderdaad had hij veel reden om van Timotheus alles goeds te denken, want hij had niemand, die alzo gezind was, Filippenzen 2:20. Merk hier op:
1. Wij moeten, als Paulus, God dienen met een rein geweten, dat deed hij en dat deden zijn vrome voorvaderen, dat is toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, de harten gereinigd zijnde van het kwaad geweten, Hebreeën 10:22.
2. In onze gebeden moeten wij zonder ophouden onze vrienden gedenken, voornamelijk de getrouwe dienaren van Christus. Paulus herdacht zijn geliefden zoon Timotheus in zijne gebeden nacht en dag.
3. Het geloof, dat in ware gelovigen woont, is ongeveinsd, het is zonder huichelarij, het is een geloof, dat de proef doorstaan kan en dat in hen woont als een levend beginsel. Dat was de oorzaak van Paulus' dankzegging, dat Timotheus het geloof gezien had in zijne moeder Eunice en zijne grootmoeder Loïs, en het moet ons een reden van dank zijn wanneer wij iets dergelijks zien, wij moeten ons verheugen altijd als wij de genade Gods zien. Dat deed Barnabas, Handelingen 11:23, 24. Ik ben grotelijks verblijd wanneer ik zie, dat uwe kinderen in de waarheid wandelen, 2 Johannes 4.