Numeri 31:48-54
Wij hebben hier een groot voorbeeld van Godsvrucht en toewijding van de bevelhebbers van het leger, de kolonels, die oversten of hoofdlieden van de duizend, en de mindere officieren die hoofdlieden van de honderd genoemd worden. Zij kwamen tot Mozes als hun generaal en opperbevelhebber, en, hoewel hij nu weldra het toneel van deze wereld zal verlaten, hebben zij zich toch met grote eerbied en nederigheid tot hem gericht, zich zijn knechten noemende. De eer, die zij behaald hebben, maakte hen niet opgeblazen, zodat zij niet vergaten wat hun plicht en houding tegenover Mozes moest zijn. In hun toespraak tot hem hebben wij er op te letten:
1. Hoe zij Gods wonderbare goedheid jegens hen hebben gezien in hun veldtocht daar Hij niet alleen hun leven, maar ook het leven van al de krijgslieden onder hun bevel had bewaard zodat, toen zij de som van de krijgslieden hebben opgenomen, het bleek dat niet één man ontbrak, vers 49. Dit was zeer buitengewoon waarvan misschien de weerga in de geschiedenis van geen enkel land gevonden kan worden. Zoveel duizenden levens op het oorlogsveld in gevaar geweest, en geen enkel er van verloren, noch door het zwaard van de vijand, noch door ziekte of ongeval! Dit was van de Heere geschied, en kan niet anders dan wonderlijk zijn in de ogen van hen, die bedenken hoe het leven van alle mensen, en inzonderheid het leven van krijgslieden, voortdurend in gevaar is. Het is een bewijs hoe aan deze bevelhebbers het leven van hun manschappen dierbaar en kostelijk was, dat zij het als een zegen en weldaad voor zichzelf beschouwden, dat aan niemand van hen, die onder hun bevel waren, leed overkomen is. Van allen, die hun gegeven waren hadden zij niemand verloren, zó dierbaar is aan Christus het bloed van zijn onderdanen en krijgsknechten, Psalm 72:14.
2. Hun Godvruchtige erkentenis wegens deze gunst, vers 50. Daarom hebben wij een offerande aan de Heere gebracht. De offerande, die zij brachten, was afkomstig van hetgeen een ieder gekregen heeft, en zij hadden het eerlijk verkregen en onder de volmacht Gods. Zo behoort een ieder iets bij zichzelf weg teleggen naar dat hij welvaren verkregen heeft, 1 Corinthiërs 16:2. Want waar God overvloedig zaait in de gaven van Zijn milddadigheid, verwacht Hij dienovereenkomstig te oogsten in de vruchten van onze Godsvrucht en liefdadigheid. Eerst de tabernakel, en daarna de tempel, werden versierd en verrijkt met de buit, die van de vijanden van Israël genomen werd, zoals door David, 2 Samuël 8:11, 12, en zijn krijgsoversten, 1 Kronieken 26:26, 27. Nooit moeten wij in de krijg, of in de handel, iets voor onszelf nemen, waarvan wij niet in het geloof een deel aan God kunnen toewijden, die de roof haat in het brandoffer, maar als God ons opmerkelijk heeft bewaard en voorspoedig gemaakt, dan verwacht Hij dat wij op bijzondere wijze Hem onze erkentelijkheid zullen betonen.
Wat nu deze offerande betreft:
a. De bevelhebbers offerden haar, om voor hun zielen verzoening te doen, vers 50. Inplaats van tot Mozes te komen om een beloning van hem te vragen voor de goede diensten, die zij gedaan hadden in de wraak des Heeren te doen aan de Midianieten, of om trofeeën op te richten van hun zegepraal ten einde hun eigen namen onsterflijk te maken, brengen zij een offerande om verzoening te doen voor hun zielen, zich bewust zijnde, zoals de mensen zich bewust moeten zijn, van tekortkoming ook zelfs in hun beste diensten, niet alleen in de zaak waarvoor zij bestraft waren geworden, vers 14, maar in nog vele andere opzichten, want daar is geen mens rechtvaardig op aarde, die goed doet en niet zondigt. b. Mozes nam de offerande aan, en bracht het in de tabernakel, ter gedachtenis voor de kinderen Israëls, vers 54, dat is: een gedenkteken van Gods goedheid jegens hen, opdat zij aangemoedigd zouden wezen om op Hem te vertrouwen voor hun verdere oorlogen, en een gedenkteken van hun dankbaarheid aan God, opdat Hij, een welgevallen hebbende in deze dankbare erkentenis van verleende gunsten, die gunsten en zegeningen voor hen bestendig zou maken.