Numeri 23:1-12
Hier zijn:
I. Grote toebereidselen gemaakt, om Israël te vervloeken. Er werd bedoeld de God van Israël er toe te brengen hen te verlaten, en òf aan Moabs zijde te staan, òf zich onzijdig te houden. O hoe groot is de zotheid van het bijgeloof, om zich in te beelden dat God klaar staat om van de mensen bevelen op te volgen! Bileam en Balak denken Hem om te kopen met altaren en offeranden, geofferd zonder Zijn volmacht of instelling, alsof Hij stierenvlees zou eten of bokkenbloed zou drinken. Bespottelijke onzin, te denken dat deze Gode zouden behagen en Zijn gunst zouden verkrijgen, als er noch geloof in beoefend, noch gehoorzaamheid in bewezen werd! Toch schijnt het, dat zij deze offeranden hebben geofferd aan de God des hemels, de opperste Numen of Godheid, en niet tot een hunner lokale godheden. Maar het vermenigvuldigen van de altaren was een voorbeeld van hun ontaarding van de Godsdienst van hun voorvaderen, en hun afval tot afgoderij, want zij, die de altaren vermenigvuldigden, vermenigvuldigden de goden: Efraïm heeft de altaren vermenigvuldigd tot zondigen, Hosea 8:11. Het heeft hun niet goed gedacht God in erkentenis te houden, maar zij zijn verijdeld geworden in hun overleggingen, en toch hebben zij in hun verwaandheid gedacht er God mee te winnen voor hen tegen Israël, onder wie zich Zijn heiligdom en Zijn gezalfd altaar bevond.
Merk hier op:
1. Hoe gebiedend Bileam was, trots om over een koning te gebieden en aan vorsten de wet te stellen. Zodanig is de geest van de boze, die zich verheft boven al wat God genaamd, of als God geëerd wordt. Met welk een gezag geeft Bileam zijn orders: Bouw mij hier (in de plaats die ik uitgekozen heb) zeven altaren van steen of graszoden. Aldus bedekt hij zijn boosaardigheid tegen Israël met een vertoon van vroomheid, maar zijn offer was een gruwel, daar hij het met zo'n schandelijk voornemen brengt, Spreuken 21:27. Wat hij bedoelde was, niet God te eren met de offeranden van de gerechtigheid, maar zichzelf te verrijken met het loon van de ongerechtigheid.
2. Hoe kruipend onderdanig Balak was. De altaren werden terstond gebouwd, en de offeranden bereid, de beste van iedere soort, zeven varren en zeven rammen. Balak heeft geen bezwaar tegen de onkosten, en hij acht het ook geen vermoeidheid noch een verkleining om bij zijn brandoffer te staan, zoals Bileam hem had bevolen.
II. Het verkeren van een vloek in een zegen door de macht van God, in liefde tot Israël dat het bericht is, dat Mozes er van geeft, Deuteronomium 23:5.
1. God legt de zegen in Bileams mond. Terwijl de offers brandden, trok Bileam zich terug, hij ging alleen, door niemand vergezeld, in het een of ander beschaduwd bosje op de hoogte, vers 2 in de Kanttekening. Zoveel wist hij, dat eenzaamheid een goede gelegenheid biedt voor gemeenschapsoefening met God, zij, die Hem willen ontmoeten, moeten zich terugtrekken van de wereld en de zaken en gesprekken er van, en verlangen in het verborgene te zijn, zich nooit minder alleen achtende, dan wanneer zij alleen zijn, omdat de Vader met hen is. Ga dus in uw binnenkamer, en sluit de deur, en houd u er van verzekerd, dat God u zal ontmoeten indien gij Hem zoekt naar het recht. Maar Bileam trok zich slechts met een misschien terug, wel enig idee hebbende dat God hem kon ontmoeten, maar zich bewust van schuld, en wetende dat God hem kort tevoren had ontmoet in toorn, had hij reden om twijfelend te spreken, vers 3. Misschien zal de Heere mij tegemoet komen. Maar laat zo'n man niet denken dat hij gunst van God zal ontvangen. Ja meer, het schijnt dat hij wel voorwendde uit te gaan om God te ontmoeten, maar in werkelijkheid voornemens was zich tot toverijen te begeven, zie Hoofdstuk 24:1. Maar wat hij nu ook voor gehad moge hebben, God bedoelde hem dienstbaar te maken aan Zijn eigen eer en heerlijkheid, en daarom ontmoette Hij Bileam, vers 4. Wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis? Geen vriendelijke gemeenschap, daarvan zijn wij zeker, Bileams weg week nog af, was nog verkeerd, en God was nog zijn tegenstander, maar terwijl Balak hem tot zijn orakel had gekozen, wilde God hem dwingen om zo'n belijdenis uit te spreken tot eer van God en Israël, dat hierdoor allen zonder verontschuldiging zullen gelaten worden, die de wapenen tegen hen opvatten. Toen Bileam bemerkte dat God hem ontmoette, roemde hij op hetgeen hij gedaan had: Zeven altaren heb ik toegericht, en heb een var en een ram op elk altaar geofferd. Hoe had hij het gedaan? Het kostte hem niets, het was op Balaks kosten gedaan, en toch:
a. Roemt hij er op, alsof hij een grote daad had verricht. De daden van vroomheid, die in geveinsdheid gedaan worden, worden met trots en eigenwaan beschouwd en vermeld. Zo ging de Farizeër op naar de tempel om op zijn godsdienstigheid te roemen, Lukas 18:12.
b. Hij voert het aan als een reden, waarom God zijn begeerte moet inwilligen om Israël te vervloeken, alsof hij God nu tot zijn schuldenaar had gemaakt, en nu alles van Hem kon eisen wat hij wilde. Hij denkt dat God hem zo verplicht is voor deze offers, dat het minste wat Hij kon doen ter vergelding er van was Israël op te offeren aan de boosaardigheid van de koning van Moab. Gewoonlijk denken slechte mensen dat zij door een vertoon van vroomheid God er toe zullen brengen, om hen te steunen, hun grofste onzedelijkheid en ongerechtigheid door de vingers te zien, vooral in vervolging, Jesaja 66:5. Maar hoewel het offer een gruwel was, gebruikte God de gelegenheid van Bileams verwachting, om het woord in Bileams mond te leggen, vers 5, want het antwoord van de tong is van de Heere, en aldus wilde Hij tonen hoe zeer diegenen zich vergissen, die zeggen: Wij zullen de overhand hebben met onze tong, onze lippen zijn onze, Psalm 12:5. Hij, die de mens de mond gemaakt heeft, weet hem te besturen en hem tot Zijn eigen doeleinden te doen dienen. Dit is genoeg om de stoutmoedige zondaren te verschrikken, die hun mond opzetten tegen de hemel. God kan hun tong doen aanstoten tegen zichzelf. En het spreekt van vertroosting tot Gods getuigen, die Hij te eniger tijd roept om voor Hem te spreken, want indien God een woord legde in de mond van Bileam, die God en Israël had willen schelden, dan zal Hij gewis hun niet ontbreken, die begeren God te verheerlijken en Zijn volk door hun getuigenis te stichten, maar in die ure zal hun gegeven worden, wat zij zullen spreken.
2. Bileam sprak in het gehoor van Balak de zegen uit. Hij vond hem staande bij zijn brandoffer, vers 6, er nauwkeurig acht op gevende en in de volle verwachting van succes. Zij, die een antwoord van vrede van God wensen moeten bij het offer blijven, en de Heere wel aanhangen zonder herwaarts en derwaarts getrokken te worden, niet vertragende in goed doen. Bileam stelt zich op de plaats, waar hij zijn vervloekingen van Israël, die hij misschien reeds in de vereiste vorm had opgesteld, zou gaan uitspreken, heft zijn spreuk op, en het blijkt een zegen te zijn, vers 7. Hij verklaart Israël veilig en gelukkig, en aldus zegent hij hen.
A. Hij verklaart hen veilig, buiten het bereik van zijn giftige pijlen.
a. Hij erkent dat de bedoeling was hen te vervloeken, dat Balak naar zijn land om hem gezonden heeft, en dat hij met die bedoeling gekomen is, vers 7. De boodschap, hem gezonden, was: Kom, vervloek mij Jakob, en, kom, scheld Israël. Balak was voornemens krijg tegen hen te voeren, en hij wilde dat Bileam zijn wapenen zou zegenen, en om het verderf van Israël zou bidden, en het zou profeteren.
b. Hij erkent dat dit plan verijdeld is, en erkent ook zijn eigen onmacht om het uit te voeren. Hij kon hun niet eens een kwaad woord geven, geen boze wens voor hen koesteren. Wat zal ik vloeken die God niet vloekt? vers 8, niet dat hij het daarom niet wilde doen, maar dat hij het daarom niet kon doen. Dit is een oprechte bekentenis:
Ten eerste, van de zwakheid en onmacht van zijn eigen toverkunst, die door anderen zo hoog geroemd werd, en die hij zelf ongetwijfeld niet minder hoog geroemd heeft. Hij was onder allen, die deze kunst beoefenden, de vermaardste, en toch erkent hij dat zijn kunst tekort schiet. God had de Israëlieten gewaarschuwd zich niet te keren tot de waarzeggers Leviticus 19:31, en in hetgeen nu gebeurde gaf Hij hun een reden voor deze wet, door hun de zwakheid en dwaasheid er van te tonen. Gelijk zij de tovenaars van Egypte verdwaasd hadden gezien, zo zagen zij hier de grote waarzegger van het oosten verdwaasd. Zie Jesaja 47:12-14.
Ten tweede. Het is een belijdenis van de souvereine heerschappij van de Goddelijke macht. Hij erkent niet meer te kunnen doen dan God hem toelaat, want God kan al zijn raadslagen vernietigen.
Ten derde. Het is een belijdenis van de onaantastbare veiligheid van Gods volk. Gods Israël wordt door Hem erkend en gezegend. Hij heeft hen niet gevloekt, want zij zijn verlost van de vloek van de wet, Hij heeft hen niet gescholden noch hen verworpen of verlaten, al zijn zij ook laag en gering. Zij, die de liefde hebben des hemels, worden door de hel gehaat, de slang en zijn zaad koesteren vijandschap tegen hen. Hoewel de vijanden van Gods volk in menig opzicht over hen kunnen zegevieren, kunnen zij hen toch niet vervloeken, dat is: zij kunnen hun geen wezenlijk kwaad doen, en nog veel minder een kwaad, dat hen in het verderf stort want zij kunnen hen niet scheiden van de liefde Gods, Romeinen 8:39.
B. Hij verklaart hen gelukkig in drieerlei opzicht.
a. Gelukkig in het bijzondere van hen, in hun onderscheiden zijn van de andere volken vers 9. Van de hoogte van de steenrotsen zie ik hem. En waarschijnlijk was het een grote verrassing voor hem, dat hij hen, die hem waarschijnlijk afgeschilderd waren als een woeste onordelijke troep, die als roofbende de omliggende landen onveilig maakte, in een regelmatig ingericht kamp zag, met alle tekenen van orde en tucht, dat hij hen zag als een volk dat alleen woonde, en voorzag dat zij alleen zullen blijven wonen, en dat dit bijzondere hun tot onuitsprekelijke eer zal wezen. Personen van rang en aanzien noemen wij gedistingeerde personen, dat is personen, die van anderen onderscheiden zijn, dit was Israëls lof, hoewel hun vijanden het hun tot een smaad aanrekenden, dat zij van alle naburige volken verschilden, niet slechts in hun Godsdienst en in hun heilige plechtigheden, in hun gewaad en hun gewone gebruiken, als een volk, geroepen uit de wereld, en dat er niet gelijkvormig aan moest wezen. Nooit hebben zij hun eer en goede naam verloren, voordat zij zich vermengden met de heidenen, Psalm 106:35. Het is de plicht en de eer van hen, die Gode gewijd zijn, om afgescheiden te wezen van de wereld, en niet te wandelen naar haar zeden en gewoonten. Zij, die zich nauwgezet toeleggen op bijzondere plichten kunnen zich de vertroosting toeëigenen van bijzondere voorrechten, waar Bileam hier waarschijnlijk het oog op heeft. Gods Israël zal met andere volken niet op gelijke bodem staan, maar boven allen geëerd worden, als het volk, dat Gode nabij en Hem afgezonderd is.
b. Gelukkig in hun aantal, niet zo weinig en zo verachtelijk als zij hem voorgesteld waren, maar een talloze menigte, waardoor zij tegelijk eerbaar en geducht waren, vers 10. Wie zal het stof Jakob's tellen? Het grote aantal van het volk was de zaak, die Balak ergerde en vertoornde, Hoofdstuk 22:3. Moab vreesde zeer voor het aangezicht van dit volk, want het was veel, en God doet door Bileam die vrees en ergernis nog toenemen, door zijn voorzegging van hun nog verdere vermeerdering. Balak wilde dat hij het uiterste van het volk zou zien, Hoofdstuk 22:41, hopende dat hij, hoe meer hij van hen zag, hoe meer verbitterd op hen zou worden, en zijn vervloekingen met des te meer scherpheid en woede over hen zou uitstorten, maar het tegendeel had plaats, inplaats van om hun groot aantal vertoornd te zijn, bewonderde hij het. Hoe beter wij met Gods volk bekend worden hoe betere mening wij van hen zullen koesteren. Hij neemt nota van hun aantal.
Ten eerste. Van het stof Jakob's, dat is: het volk Jakob's, waarvan voorzegd was dat het zal wezen als het stof van de aarde in menigte Genesis 28:14. Aldus erkent hij de vervulling van de belofte, gedaan aan hun vaderen, en verwacht hij dat zij ook nog verder vervuld zal worden. Het was misschien een deel van de zonde van David om het volk te tellen, dat hij beproefde het stof Jakob's te tellen, terwijl God gezegd had dat het ontelbaar zou wezen.
Ten tweede. Van het vierde deel van Israël zinspelende op de vorm van hun kamp, dat in vier eskadrons verdeeld was onder vier banieren. Gods Israël vormt een zeer groot heir. Zijn geestelijk Israël is dit, en dit zal blijken als zij in de grote dag allen tot Hem bijeenvergaderd zullen zijn, Openbaring 7:9.
c. Gelukkig in hun einde. Mijn ziel sterve de dood van de oprechten, van de oprechte Israëlieten, die in verbond staan met God, en mijn uiterste, of mijn toekomstige staat, zij gelijk het hun, of wel mijn beloning, namelijk in de andere wereld.
Hier wordt:
Ten eerste, voor vaststaand aangenomen, dat de dood het einde is van alle mensen, ook de oprechten, de rechtvaardigen, moeten sterven, en het is goed hieraan te denken met toepassing op onszelf, zoals Bileam dit hier doet, sprekende van zijn eigen dood.
Ten tweede. Hij spreekt in de veronderstelling van de onsterflijkheid van de ziel, en een andere staat of toestand na de dood, waarvan dit een groot en heerlijk getuigenis is, en een bewijs dat het vanouds bekend was en geloofd werd. Want waarom zou de dood van de oprechten begeerlijker zijn dan de dood van de goddelozen, als het niet was omdat op die dood gelukzaligheid volgt in een andere wereld, daar wij toch zien, dat in de omstandigheid en wijze van sterven alle ding hun wedervaart gelijk alle anderen?
Ten derde. Hij verklaart de oprechten waarlijk gezegend, niet slechts terwijl zij leven, maar ook als zij sterven, waardoor hun dood niet slechts begeerlijker wordt dan de dood van anderen, maar zelfs begeerlijker dan het leven zelf, want in die zin kan zijn wens worden opgevat: "als ik sterf, sterve mijn ziel de dood des oprechten, maar dat niet alleen, ik zou wel gaarne nu sterven, mits dat ik de dood des oprechten sterf, thans reeds aan mijn einde gekomen zou, mits het gelijk zij aan het zijne." Zeer dicht bij de plaats, waar Bileam nu was, op een van de bergen Moabs, is niet lang daarna Mozes gestorven, en misschien heeft God, die dat woord in zijn mond gelegd heeft, bedoeld dat het daarop betrekking zou hebben, opdat Mozes er door aangemoedigd zou zijn om op te gaan en zo'n dood te sterven, als Bileam begeerde te sterven.
Ten vierde. Hij toont dat zijn denkbeeld van de Godsdienst beter is dan zijn beoefening er van, er zijn velen, die de dood van de oprechten begeren te sterven, maar er niet naar streven om het leven van de oprechten te leven, zeer gaarne zouden zij hun uiterste willen hebben als het hunne, hun einde, maar niet hun weg. Zij zouden heiligen willen zijn in de hemel, maar geen heiligen op aarde. Dat is de begeerte van de luiaard, die hem zal doden, want zijn handen weigeren te werken. Van Bileam is dit slechts een wens, geen gebed, en het is een ijdele wens, daar het slechts een wens is voor het einde, het doel zonder enigerlei begeerte om gebruik te maken van het middel er toe. Zover nu gaat deze zegen, namelijk tot aan de dood, en tot na de dood, tot aan het uiterste, het einde.
Nu wordt ons hier gezegd in vers 11 en 12:
1. Hoe dit Balak heeft verbitterd, vers 11. Hij gaf voor de Heere te eren met zijn offers, en te wachten op het antwoord, dat God hem zou zenden, en toch, toen het bleek dat dit antwoord hem niet naar de zin was vergat hij God en ontstak in woede tegen Bileam alsof dit zuiver en alleen zijn doen was. "Wat hebt gij mij gedaan? Hoe hebt gij mij teleurgesteld!" Soms maakt God de vijanden van Zijn kerk tot een kwelling voor elkaar, terwijl Hij, die in de hemel zit, hen en de machteloze pogingen van hun boosaardigheid bespot.
2. Hoe Bileam genoodzaakt was er in te berusten. Hij onderwerpt zich, omdat hij niet anders kan, maar hij toont niet weinig handigheid in het behandelen van de zaak, alsof hij er zeer oprecht en nauwgezet in gehandeld had, en antwoordt Balak met de statige ernst van een profeet: "Zal ik dat niet waarnemen te spreken, dat de Heere in mijn mond gelegd heeft?" vers 12. Aldus wordt aan een goddeloze profeet een belijdenis van Gods alles beheersende macht ontwrongen, tot verdere beschaming van een goddeloze koning.