Numeri 22:36-41
Wij hebben hier de ontmoeting tussen Balak en Bileam, saamverbonden vijanden van Gods Israël, maar zij schijnen het niet eens te zijn in hun verwachtingen van een goede uitslag.
1. Balak spreekt er van met vertrouwen, niet twijfelend of hij zal, nu Bileam gekomen is zijn doel bereiken. In deze verwachting gaat hij hem tot aan de uiterste grens van zijn land tegemoet, vers 36, deels om aan zijn eigen ongeduldig verlangen te voldoen om de man te zien, van wie hij zulke grote verwachtingen koesterde, en deels om aan Bileam eer te bewijzen en alles aan te wenden om hem aan zijn dienst te verbinden. Zie hoeveel eerbied heidense vorsten bewezen aan hen, die slechts de naam hadden van profeten te zijn en voorgaven invloed te hebben in de hemel, en hoe welkom een was, wiens mond vol was van vervloekingen. Hoe schandelijk is het dan niet, dat de gezanten van Christus zo weinig geëerd worden door de meesten en zo veracht worden door sommigen, en dat diegenen een zo koud onthaal vinden, die een boodschap brengen van vrede en van zegen! Balak heeft nu over niets anders te klagen dan dat Bileam niet eerder gekomen is, vers 37. En hij vindt dat Bileam meer acht had moeten slaan op zijn aandrang: "heb ik niet dringend tot u gezonden?" (en de aandrang van personen van mindere rang dan die van de koningen heeft bij velen overmocht om hen tegen hun zin en neiging te laten handelen) alsmede op Balaks voornemens en bedoelingen jegens hem: "kan ik u niet naar recht vereren?" Als koning was Balak in zijn eigen land de fontein van de eer, en Bileam had slechts te kiezen tot welk hoog eerambt hij bevorderd wilde zijn, daarom acht hij zich beledigd door Bileams dralen, dat de schijn had alsof hij de eer, die voor hem bestemd was, niet de moeite waard achtte om haar aan te nemen. Bevordering tot eer en aanzien is voor velen een zeer groot lokaas, en het zou goed zijn, indien wij ons tot de dienst van God voelden aangetrokken door de eer die Hij ons voorhoudt. Waarom vertoeven wij tot Hem te komen? Kan Hij ons niet naar recht vereren?
2. Bileam spreekt alsof hij aan de goede uitslag twijfelde, en zegt aan Balak dat hij niet al te veel op hem moet rekenen, vers 38. " Zal ik nu wel iets kunnen spreken? Ik ben gekomen, maar zijt gij hiermede nu nader aan uw doel? Ik zou zeer gaarne Israël willen vervloeken, maar ik moet het niet doen, ik kan het niet doen, God laat het mij niet toe." Hij schijnt met ergernis te spreken over de haak in zijn neus, en het gebit in zijn lippen, waarmee Sanherib gebonden was, Jesaja 37:29.
3. Zij begeven zich nu met alle mogelijke spoed tot de zaak. Bileam wordt `s avonds koninklijk onthaald, aan de goden van Moab wordt een dankoffer geofferd wegens de veilige aankomst van de welkome gast, en hij wordt op het offermaal onthaald, vers 40. En om geen tijd verloren te laten gaan, voert Balak de volgende morgen Bileam in zijn wagen naar de hoogten van zijn koninkrijk, niet slechts omdat hij dacht, dat zij vanwege hun heiligheid, (zoals die dan was) gunstig zouden zijn voor zijn bezweringen, maar omdat hij van die hoogten een goed uitzicht had op het leger van Israël, dat het doelwit was, waarop hij zijn giftige pijlen moest afschieten. En nu is Bileam in waarheid even begerig om Balak te behagen, zoals hij ooit voorgewend heeft begerig te zijn om Gode te behagen. Zie hoe nodig het ons is om iedere dag te bidden: Onze Vader in de hemel, leid ons niet in verzoeking