2 Petrus 2:10-22
Daar het de bedoeling des apostels is om te waarschuwen en te wapenen tegen verleiders, gaat hij er nu toe over om meer uitvoerig over hen te spreken en ons een schets van hun karakter en gedrag te geven, waardoor overvloedig aangetoond wordt hoe rechtvaardig het in den Rechter der ganse wereld is, hen op bijzondere wijze voor het zwaarste en strengste oordeel te bewaren, zoals Kaïn onder bijzondere bescherming is genomen opdat hij bewaard zou worden voor ongemene wraak. Maar waarom zal God alzo handelen met de valse leraren? Dat toont Hij aan in hetgeen volgt.
I. Dezen wandelen naar het vlees, zij volgen de ondeugden en begeerten van hun eigen harten, zij geven zich over aan de leiding van hun vleselijke gezindheid, verhinderen hun reden kennis te nemen van de goddelijke openbaring en de gedachten te brengen tot de gehoorzaamheid aan Christus, en in hun levenswandel gaan zij rechtstreeks tegen Gods rechtvaardige voorschriften in door te voldoen aan de begeerten van hun verdorven natuur. Slechte meningen gaan gewoonlijk vergezeld van slechte handelingen en zij, die er hun werk van maken dwalingen te verbreiden, zijn ook de verspreiders van ondeugden. Zij zijn nooit tevreden met de mate van onreinheid, die zij bereikt hebben, ook is het hun niet genoeg de boosheid, die zij reeds bedreven hebben, te handhaven, te verdedigen en er zich op te beroemen, maar zij wandelen naar het vlees, zij gaan voort op hun zondigen weg en nemen toe in goddeloosheid, bereiken hoger trap van onreinheid en onzedelijkheid. Ook verachten zij degenen, wie God macht over hen gegeven heeft en voor wie Hij van hen eerbied vereist. Zij verachten op die wijze de instellingen Gods, en wij moeten er ons dus niet over verwonderen, dat zij stout en roekeloos, opstandig en tegenstrevend zijn, en niet alleen twistziek van harte, maar ook lasterlijk en smadend in de wijze, waarop zij spreken over degenen, die boven hen gesteld zijn.
II. Hij verscherpt dit door hier tegenover te plaatsen het gedrag van de uitnemendste schepselen, de engelen, dat zozeer van het hun verschilt. Merk op:
1. Zij zijn in sterkte en kracht meerder, zelfs meerder dan zij, die onder de mensen met gezag en kracht bekleed zijn, en veel meerder dan deze valse leraars, die lasterende verachters van overheden en regeringen zijn. De goede engelen overtreffen ons allen in natuurlijke en zedelijke uitnemendheid, en evenzo in kracht, verstand en heiligheid.
2. De goede engelen zijn de beschuldigers van zondige schepselen, zowel van hun soort als van de onze. Zij, wie het vergund wordt Gods aangezicht te zien en voor Zijn troon te staan, kunnen niet anders dan ijveren voor Zijn eer, en beschuldigen degenen, die Hem onteren.
3. De engelen brengen hun beschuldiging van zondige schepselen voor den Heere. Zij maken hun fouten niet openbaar, zij verhalen de misdaden niet aan hun medeschepselen, om te lasteren, maar zij doen het aan den Heere, die de rechter is, en de wreker zal zijn van alle goddeloosheid en onoprechtheid.
4. De goede engelen mengen geen bittere beoordeling of lage smaadredenen in de beschuldigingen, die zij tegen de goddelooste en slechtste zondaren inbrengen. Laat ons, die bidden dat Gods wil geschiede op aarde gelijk als in den hemel, hierin de engelen navolgen. Indien wij ons beklagen over boze mensen, dan moet het aan God zijn, en dan zonder woede en schelden, maar met medelijden en ingetogenheid van geest, opdat blijke dat wij kinderen zijn van Hem, die barmhartig en lankmoedig is.
III. De apostel, na te hebben aangetoond, vers 11, hoe ongelijk de valse leraren zijn aan de uitnemendste schepselen, gaat in vers 12 er toe over hoeveel lager zij staan dan de minste schepselen. Zij zijn gelijk aan de paarden en muilezels, die geen verstand hebben, zij zijn als de onredelijke dieren, die voortgebracht zijn om gevangen en gedood te worden. Mensen, die onder de macht der zonde staan, zijn er zover van af dat zij de goddelijke openbaring bemerken, dat zij hun rede niet gebruiken of naar haar aanwijzing handelen. Zij wandelen door aanschouwen en niet door geloof, en oordelen over de dingen naar hun zintuigen, indien die de dingen aannemelijk en aangenaam vinden, dan achten en beminnen zij ze. De redeloze dieren volgen hun instinct en den lust hunner zinnen, en de goddelozen volgen de begeerten van hun vlees, zij weigeren het verstand en de rede, die God hun gegeven heeft, te gebruiken, en zijn daardoor onwetend aangaande hetgeen zij behoorden en moesten weten. Merk derhalve op:
1. Onwetendheid is de oorzaak van kwaadspreken.
2. Daarvan zal verwoesting het einde zijn. Deze mensen zullen in hun verdorvenheid verdorven worden. Hun ondeugden stellen hen niet alleen bloot aan den toorn Gods in de toekomende wereld, maar brengen ook in vele gevallen verderf en ellende over hen in dit leven. En voorzeker, zulke onbekeerlijke zondaren, wier heerlijkheid is in hun schande, en voor wie de openlijkheid der zonde het genot van te zondigen verhoogt, verdienen zeer rechtvaardig al de plagen van dit leven en al de straffen van het volgende, in de hoogste mate. Daarom is hetgeen over hen komt de loon hunner ongerechtigheid. Zulke zondaren, die met elkaar wedijveren in misdaad, bedriegen zich zelven en onteren allen, die met hen in verbinding staan, want door de ene soort van zonden bereiden zij zich voor de volgende, hun buitensporige feestvieringen, hun onmatig eten en drinken, brengt hen tot het bedrijven van allerlei wellust, zodat hun ogen vol zijn van overspel. Hun ontuchtige blikken tonen hun onheilige begeerten en zijn er op aangelegd om die van anderen te prikkelen, en dat is het waarvan zij niet kunnen ophouden. Het hart is onverzadelijk van begeren en de ogen houden niet op te staren naar hetgeen hun onreine lusten kan bevredigen. Zij, die zo onvermoeid en onbeschaamd in het zondigen zijn, betonen zich gewoonlijk zeer ijverig en slagen er zeer goed in om anderen te bedriegen en mede te trekken in dezelfde uitgieting van ongerechtigheid. Maar ziet hier wie het grootste gevaar lopen van door hen in dwaling en goddeloosheid medegesleept te worden, dat zijn de onvaste zielen. Zij, wier harten niet bevestigd zijn in de genade, worden gemakkelijk afgeleid in den weg der zonde, anders zouden zulke zinnelijke ellendelingen niet bij machte zijn overwegenden invloed op hen uit te oefenen, want zij zijn niet alleen weelderig en wellustig, maar ook gierig en daarin hebben zij hun hart geoefend. Zij jagen naar rijkdom, en al de begeerte hunner zielen is de overvloed dezer wereld. Het is een groot deel van al hun bemoeienissen om weelde te verkrijgen, hun harten zijn daarop afgericht en dan voeren zij hun ontwerpen uit. Het kan ons niet verwonderen dat de apostel zulke mensen, die zich overgeven aan alle soorten van wellusten, kinderen der vervloeking noemt, want zij zijn onderworpen aan de vloek, dien God uitgesproken heeft over de goddelozen en onrechtvaardigen, en zij brengen vervloeking over allen, die naar hen luisteren en met hen instemmen.
IV. De apostel bewijst in vers 15 en 16, dat zij kinderen der vervloeking zijn, zulke gierige mensen, die de Heere verafschuwt. Hij toont aan: 1. Zij hebben den rechten weg verlaten, en zulke zoekers van zich zelven kunnen onmogelijk in den rechten weg zijn, want dat is een weg van zelfverloochening.
2. Zij volgen den verkeerden weg, zij hebben gedwaald en zich afgewend van den weg des levens en zijn overgegaan op de paden des doods, die afdalen naar de hel, en dat toont hij door te laten zien dat zij den weg van Balaam, den zoon van Bosor, volgen.
A. Dat is een weg van ongerechtigheid, waarin de mensen gelokt worden door den loon der ongerechtigheid.
B. Uitwendige, tijdelijke goederen zijn het loon, dat de zondaren verwachten en zich zelven beloven, ofschoon zij dikwijls teleurgesteld worden.
C. De onbehoorlijke liefde voor de goederen dezer wereld brengt de mensen van den weg, die naar de onuitsprekelijk veel betere dingen van het volgende leven leidt, de liefde voor rijkdom en eer voerde Bileam af van den weg van zijn plicht, ofschoon hij wist dat de weg, die door hem bewandeld werd. den Heere mishaagde.
D. Zij, die uit dezelfde beginselen aan dezelfde zonden zich, gelijk deze snode overtreders, schuldig maken, zijn in het oordeel Gods, de volgers van die onbekeerlijken, en moeten er op rekenen dat zij op gelijke wijze behandeld zullen worden. Zij zullen met die zondaren hun deel hebben in de andere wereld, want zij hebben hen gevolgd in deze wereld.
E. Verharde en boosaardige zondaren worden soms over hun ongerechtigheden bestraft. God houdt hen op hun weg staande en opent den mond van hun geweten, of verwart en verschrikt hen door een of andere treffende onvoorziene gebeurtenis.
F. Ofschoon de een of andere onverwachte en buitengewone bestraffing voor een poos den euvelmoed van de mensen moge neerslaan, en hun geweldig voortdrijven op den weg der zonden tegengaan, maakt deze toch niet dat zij den weg der ongerechtigheid verlaten en overgaan op den weg der heiligheid. Indien bestraffing om zijn overtredingen iemand terug kon brengen tot zijn plicht, dan zou zij bij Bileam zeker wel die uitwerking gehad hebben. Want in zijn geval werd een verrassend wonder gewrocht, het jukdragende stomme dier, uit welks mond wel niemand een bestraffing zou verwachten, werd instaat gesteld om te spreken, en wel met mensenstem. Het dier sprak tot zijn eigenaar en meester (die hier een profeet genoemd wordt, omdat de Heere somstijds aan hem verscheen en tot hem sprak, Numeri 22:23, 24, maar inderdaad was hij onder de profeten des Heeren gelijk Judas onder de apostelen van Jezus Christus) en het stelde de dwaasheid van zijn gedrag tentoon en verzette er zich tegen dat hij op dien weg zou voortgaan. Maar het was alles vergeefs. Zij, die niet luisteren willen naar vermaningen, die in den gewonen weg tot hen komen, zullen slechts weinig beïnvloed worden door wondertekenen, om hen van hun verkeerde wegen terug te houden. Bileam werd wel is waar teruggehouden van het volk te vervloeken, maar hij was zo begerig naar de beloofde eer en rijkdom, dat hij zo ver mogelijk ging en zijn uiterste best deed om aan Gods bedwang te ontkomen.
V. De apostel gaat voort, vers 17, met de verleidende leraars te beschrijven. Hij tekent hen als: 1. Fonteinen, of wellen, zonder water. Merk op:
A. Dienaren moeten gelijk wellen of fonteinen zijn, waar de gemeente onderricht, leiding en vertroosting kan vinden.
B. Valse leraren hebben niets van dien aard te geven aan degenen, die hen komen raadplegen. Het woord der waarheid is het water des levens, dat de zielen verfrist die het ontvangen. Maar deze verleiders verbreiden en bevorderen alleen dwaling en worden derhalve als ledig getekend, want er is geen waarheid in hen. Tevergeefs zijn al onze verwachtingen, dat we hen gevoed en gevuld met kennis en verstand zullen vinden, ook zullen zij ons geen nut aanbrengen, want zij zijn onwetend en ledig.
2. Wolken van een draaiwind gedreven. Wanneer wij een wolk zien, verwachten wij van haar verkoelende schaduw, maar deze zijn wolken, die geen regen houden, want zij worden gedreven door wind, maar niet door den Geest, den stormwind van hun eigen begeerlijkheden en gierigheid. Zij omhelzen en verspreiden de leerstellingen, die hun de meeste toejuiching en het grootste voordeel bezorgen, als wolken onderscheppen zij het licht van de zon en verduisteren de lucht, zo verduisteren zij den raad door woorden zonder wetenschap en daar geen waarheid in is. En aangezien deze mensen alles doen wat in hun vermogen is om de duisternis in de wereld te bevorderen, is het een zeer rechtvaardig oordeel, dat de donkerheid der duisternis hun deel zal zijn in de toekomende. De buitenste duisternis werd bereid voor den duivel, den groten bedrieger en zijne engelen, de werktuigen die hij gebruikt om de mensen van de waarheid af te leiden, en daarom is die tot in eeuwigheid voor hem bereid, het vuur der hel kan niet uitgeblust worden en de rook van den bodemlozen afgrond stijgt op tot in alle eeuwigheid. En het is rechtvaardig, dat God zo met hen handelen zal, want:
A. Zij verlokken hen, met welken zij in aanraking komen, en trekken hen in een net, vangen hen zoals de vissen gevangen worden.
B. Ze doen dat door opgeblazen ijdelheid te spreken, fraaie uitdrukkingen te gebruiken, die een schonen klank, maar weinig of geen zin hebben.
C. Zij werken op de begeerlijkheid des vlezes en de ontuchtigheden der mensen, hun voorstellende hetgeen hun aangenaam is.
D. Zij verlokken degenen, die waarlijk ontvloden en op een afstand gebracht waren van hen, die zulke schadelijke en schandelijke dwalingen verspreiden, en van hen die er in wandelen. Merk op:
a. Door gedurige beoefening van de noodlottige kunst verkrijgen de mensen grote vaardigheid en onbeschaamdheid in het bevorderen van de dwaling. Zij worden er zo bekwaam in als een visser, die dagelijks zich oefent in het hengelen. Het werk van deze mensen is leerlingen achter zich af te trekken, en in hun wijze van doen zijn sommige dingen opmerkenswaard, vooral hoe zij het lokaas voorhouden aan degenen, die zij wensen te vangen.
b. Dwaalleraren hebben een bijzonder middel om de mensen voor zich te winnen, want het is hun een zinnelijk genoegen, dat zij aanbieden kunnen. Daarentegen vermanen de dienaren van Christus de mensen tot zelfverloochening en tot doding van dezelfde begeerlijkheden, welke door de dwaalleraren gevoed en gestreeld worden. Geen wonder dus dat de waarheid niet zoveel voortgang maakt, maar de dwaling zich snel verspreidt!
c. Mensen, die voor een tijd de waarheid toegestemd hebben en zich van dwalingen vrijhielden, kunnen door de listen en kunstgrepen van verleiders zo bedrogen worden, dat zij in de dwalingen gaan wandelen, die zij voor een tijd waarlijk ontvloden waren. Weest daarom altijd op uw hoede, weest goddelijk naijverig over uzelven, zoekt in de Schriften, bidt dat de Geest u in de waarheid leide en bevestige, wandelt nederig voor Gods aangezicht, en waakt tegen alles dat Hem zou kunnen vertoornen zodat Hij u aan een verkeerden geest zou overgeven. Waakt dat gij niet weggevoerd wordt door de schoonschijnende voorwendsels van deze valse leraars, die wel aan allen, die hun gehoor geven, vrijheid beloven, maar niet de Christelijke vrijheid voor den dienst van God, doch een losbandigheid in de zonde, om de ingevingen en begeerten van hun eigen hart te volgen. Ten einde te voorkomen, dat deze mensen aanhangers zullen maken, zegt hij ons, dat zij zelven ondanks al hun praten over vrijheid, de laagste slaven zijn, want zij zijn dienstknechten der verdorvenheid, hun eigen lusten hebben zo volkomen de overwinning over hen behaald, dat zij in werkelijkheid geheel gebonden zijn door de begeerlijkheden des vlezes, om hun wellusten te voldoen door aan haar bevelen te gehoorzamen. Hun hart en verstand zijn zo bedorven en ontaard, dat zij zomin de kracht als den wil hebben om de taak, die hun opgelegd wordt, te weigeren. Zij werden overwonnen en gevankelijk weggevoerd door hun geestelijke vijanden, en stelden hun leden tot werktuigen van de ongerechtigheid. En hoe grote schande is het om ten ondergebracht en bevolen te worden door hen, die zelf dienstknechten der verdorvenheid en slaven van hun eigen wellusten zijn! Deze overweging moet ons verre doen blijven van die verleiders. Daarom voegt hij er in vers 20 bij: Het is niet alleen schandelijk en onterend om verlokt te worden door hen, die zelven slaven van de zonde zijn en door den duivel gevangen geleid worden naar zijn wil, maar het is een werkelijke achteruitgang voor hen, die waarlijk ontvloden waren van degenen, die in de dwaling leven, want daardoor wordt hun laatste erger dan hun eerste. Hier zien wij: Ten eerste. Het is een voorrecht te ontkomen aan de besmettingen der wereld en bewaard te blijven voor grove en schandelijke zonden, al is men niet waarlijk bekeerd en ter zaligheid veranderd. Want daardoor worden wij er voor bewaard om de waarlijk-ernstigen te grieven en de openlijk-goddelozen aan te moedigen, terwijl wij, indien wij met anderen medelopen tot dezelfde uitgieting der ongerechtigheid en ons overgeven aan de heersende zonden van onzen tijd, hen bedroeven en ontzenuwen, die trachten te wandelen waardiglijk het Evangelie, en de handen sterken van hen, die reeds in openlijken opstand tegen den Allerhoogste zijn, ons zelven meer en meer van God verwijderen en onze harten tegen Hem verharden.
Ten tweede. Sommige mensen ontvlieden voor een tijd, door de kennis van den Heere en Zaligmaker Jezus Christus, de besmettingen der wereld, die toch niet in den geest huns gemoeds zaligmakend veranderd werden. Een godsdienstige opvoeding heeft velen teruggehouden, die de genade Gods niet vernieuwd had. Indien wij het licht der waarheid ontvangen en een verstandelijke kennis van Christus in het hoofd hebben, kan dat ons voor het tegenwoordige van groot nut zijn, maar wij moeten de liefde tot de waarheid ontvangen en Gods Woord in ons hart bewaren, of het kan ons niet redden en zalig maken.
Ten derde. Zij, die voor een tijd de besmettingen der wereld ontvloden zijn, worden het eerst verlokt en verstrikt door valse leraren. Dezen maken de mensen eerst in de war met enige goed klinkende en bepaalde bezwaren tegen de waarheden des Evangelies, en de onwetenden en onvasten beginnen daardoor te wankelen en de waarheden, welke zij ontvangen hebben, te betwijfelen, omdat zij niet al de moeilijkheden oplossen en al de vragen beantwoorden kunnen, die deze verleiders hun voorleggen.
Ten vierde. Wanneer de mensen eerst verstrikt zijn, worden zij gemakkelijk bemachtigd, en daarom moeten Christenen zich dicht bij het Woord Gods houden en op hun hoede zijn tegen degenen, die trachten hen te verwarren en te benauwen, en dat wel omdat, indien zij die eerst ontkomen waren, wederom ingewikkeld worden, zo is hun het laatste erger geworden dan het eerste.
VI. In de laatste twee verzen van dit hoofdstuk zet de apostel uiteen, dat een toestand van afval erger is dan een toestand van onwetendheid, want die is een afkeren van den weg der gerechtigheid, nadat zij er enige kennis van verkregen hadden en getoond hadden dat zij er enigen lust voor gevoelden. Het staat gelijk met een verklaring, dat zij enige ongerechtigheid in den weg der gerechtigheid en enige leugen in de waarheid gevonden hebben. En het uitspreken van zulk een vals bericht over den goeden weg Gods, het afleggen van een slecht getuigenis aangaande den weg der waarheid, moet noodzakelijk blootstellen aan de zwaarste veroordeling. De ellende van zulke verlaters van Christus en Zijn Evangelie is minder vermijdelijk en minder verdraaglijk dan die van andere overtreders, want:
1. God wordt zwaarder beledigd door hen, die door hun gedrag het Evangelie verachten en Zijn wet ongehoorzaam zijn, omdat zij smaadheid en verachting uitgieten over God en Zijne genade.
2. De duivel bewaakt angstvalliger en ketent gestrenger degenen, die hij herwint, nadat zij hem eerst ontkomen zijn en beleden hebben volgelingen te zijn van den Heere Jezus Christus. Mattheus 12:45. Zij worden onder scherper toezicht gehouden. En dat kan ons niet verwonderen, want zij zijn wedergekeerd tot hun eigen uitbraaksel, tot dezelfde dwalingen en onreinheden, die zij naar `t scheen eerst verworpen hadden en waarvan zij walging en afschuw toonden. Zij gingen zich opnieuw wentelen in het slijk, waarvan zij bleken gewassen te zijn. Wanneer nu de Schrift zulk een voorstelling geeft van het Christendom enerzijds en van de zonde aan den anderen kant, als wij vinden in deze beide verzen, dan behoren wij zeker het eerste ten hoogste te waarderen en de laatste zo diep mogelijk te verafschuwen. Want het is de weg der gerechtigheid en een heilig gebod om de laatste te haten en er ons zo ver mogelijk van verwijderd te houden, omdat ze het beledigendste en afschuwelijkste is, dat zich denken laat.