Richteren 11:12-28
Wij hebben hier de onderhandeling tussen Jeftha, die nu richter van Israël is, en de koning van de Ammonieten, die niet genoemd wordt, opdat de twist tussen de twee volken, zo mogelijk zonder bloedvergieten beslecht worde.
I. Jeftha, als hoofd van het volk, zendt boden tot de koning van Ammon, die in deze krijg de aanvaller was, om opheldering te vragen van zijn inval in het land van Israël, vers 12. Waarom zijt gij tot mij gekomen om tegen mijn land te krijgen? Ware ik het eerst in uw land gekomen, om u te verontrusten in het bezit er van, dan zou dit een voldoende reden zijn, om tegen mij te strijden, want hoe zal geweld anders dan door geweld gekeerd worden? Maar wat hebt gij te doen om aldus op vijandige wijze in mijn land te komen?" Zo noemt hij het land beide in de naam van God en van Israël. Uit deze redelijke vraag blijkt:
1. Dat Jeftha geen behagen schiep in de strijd, ofschoon hij een strijdbaar held was, maar hem gaarne door een minnelijke schikking zou voorkomen hebben. Als hij de aanvallers door verstandige redenering er toe bewegen kan om zich terug te trekken, de zal hij er hen niet toe noodzaken door het zwaard. Oorlog moet het laatste middel zijn om geschillen te vereffenen, als alle andere middelen tevergeefs beproefd zijn. Ratio ultima regum-Het laatste redmiddel van koningen. Deze regel moet ook opgevolgd worden voor het voeren van een rechtsgeding. Er moet noch op het zwaard van de gerechtigheid, noch op het oorlogszwaard een beroep gedaan worden, voor en aleer de partijen, die in geschil met elkaar zijn, beproefd hebben om zich door zachtere middelen met elkaar te verstaan, en de geschillen op die wijze te beslechten. 1 Corinthiers 6:1.
2. Dat Jeftha behagen schiep in billijkheid, en niets anders op het oog had dan recht te doen. Indien de kinderen Ammons hem konden overtuigen, dat Israël hun onrecht had gedaan, dan was hij bereid het recht van de Ammonieten te herstellen. Maar zo niet, dan was het duidelijk, dat zij met hun inval Israël onrecht deden, en dan was hij bereid voor de rechten van de Israëlieten op te komen. In al onze ondernemingen moeten wij ons door het besef van recht en billijkheid laten leiden en regeren.
II. De koning van de Ammonieten doet nu zijn eis, waarmee hij voor de dag had moeten komen eer hij zijn inval deed in het land van Israël vers 13. Zijn voorwendsel is: "Israël heeft lang geleden mijn land weggenomen, geef mij dus mijn land terug." Wij hebben reden te denken, dat toen de Ammonieten Israël hebben aangevallen, zij niets anders op het oog hadden dan het land te plunderen, en zich met de buit te verrijken zoals zij tevoren onder Eglon gedaan hebben, Hoofdstuk 3:13, toen geen zodanige eis was gesteld, hoewel de zaak toen nog recent was, maar toen Jeftha hun naar de oorzaak van hun twist vroeg, en zij zich schaamden om voor hun ware bedoeling uit te komen, werden enige oude, vergeten geschriften nagesnuffeld, of oude overleveringen opgerakeld, en daaraan ontleenden zij een reden die hun nu dienst moest doen om aan hun inval een schijn van recht te geven. Zelfs zij, die het grootste onrecht doen, hebben zo'n overtuiging van recht in hun geweten, dat zij de schijn willen hebben van recht te doen. Geef mij dat land nu weer met vrede. Zie op wat onzekere voorwaarden wij onze wereldlijke bezittingen hebben, hetgeen wij het zekerst in ons bezit wanen, kan van ons opgeëist en aan onze handen worden ontwrongen. Zij, die in het hemelse Kanaän zijn gekomen, behoeven niet te vrezen, dat hun recht er op betwist zal worden. III. Jeftha geeft een omstandig en bevredigend antwoord op die eis, waarin hij aantoont hoe volstrekt onrechtvaardig en onredelijk hij is, dat de Ammonieten niet het minste recht hebben op het land, dat tussen de rivieren Arnon en Jabbok is gelegen, en thans in het bezit is van de stammen Ruben en Gad. Als een man, die zeer vertrouwd is met de geschiedenis van zijn land, toont hij aan:
1. Dat Israël nooit land heeft weggenomen van de Moabieten, noch van de Ammonieten. Hij voegt hen tezamen omdat zij broeders waren, de kinderen van Lot, dicht bij elkaar woonden en gemeenschappelijke belangen hadden, zij hadden dezelfde god, Kamos, en misschien soms dezelfde koning. De landen, waarover het geschil liep, heeft Israël weggenomen, niet van Moabieten, noch van de Ammonieten, zij hadden bijzondere orders van God om hen ongemoeid te laten, hen noch hun bezittingen aan te tasten, Deuteronomium 2:9,19 en zij hebben die orders stipt en nauwkeurig opgevolgd. Maar zij vonden ze in het bezit van Sihon, koning van de Amorieten, en uit zijn hand hebben zij ze rechtvaardig en op eervolle wijze weggenomen, zoals hij later aantonen zal. Indien de Amorieten voor de komst van de Israëlieten in die streken, deze landen van de Moabieten of Ammonieten hadden weggenomen, gelijk het geval geweest schijnt te zijn, Numeri 21:26, Jozua 13:25, dan ging dat Israël niet aan Israël had zich daarvoor niet te verantwoorden. Indien de Ammonieten deze landen en hun recht er op hadden verloren, dan waren de kinderen van Israël niet verplicht ze voor hen te heroveren en hen in het bezit er van te herstellen. Wat zij te doen hadden was, landen te veroveren voor zichzelf, niet voor anderen. Dit is zijn eerste verwering: Israël heeft de Ammonieten geen onrecht gedaan.
2. Dat het zó ver van hen was om zich meester te maken van de bezittingen van andere volken dan die van de nakomelingen van de gevloekten Kanaän (tot welke ook de Amorieten behoorden, Genesis 10:16,) dat zij zich niet eens met geweld een weg wilden banen, hetzij door het land van de Edomieten, de nakomelingen van Ezau, of van de Moabieten, de nakomelingen van Lot, maar, zelfs na een vervelende mars door de woestijn, die hen ten zeerste had afgemat, vers 16, toen eerst de koning van Edom en daarna de koning van Moab, hun de doortocht door hun land geweigerd hadden, vers 17, hebben zij, moe en afgemat als zij waren, zich liever de nog meerdere vermoeienis getroost van beide het land van Edom en dat van Moab, om te trekken, dan hun aanstoot te geven of overlast aan te doen, en zo zijn zij binnen de grenzen van geen van beide landen gekomen, vers 18. Zij, wier gedrag en handelingen noch aanstotelijk, noch schadelijk zijn voor anderen, kunnen dit als verwering aanvoeren tegen hen, die hun onrechtvaardigheid of kwaaddoen ten laste leggen. "Onze gerechtigheid zal voor ons betuigen", Genesis 30:33, "en de mond stoppen aan de onwetendheid van de dwaze mensen," 1 Petrus 2:15.
3. Dat in de strijd, waarin zij dit land op Sihon, koning van de Amorieten, veroverd hebben, hij de aanvaller was en niet Israël, vers 19, 20. Zij zonden hem een nederig verzoek om door zijn land te mogen trekken, bereid zijnde om hem alle waarborgen te geven voor hun goed gedrag op deze mars. Laat ons toch doortrekken door uw land, zeggen zij, tot aan mijn plaats, dat is: tot aan het land Kanaän, dat is de enige plaats, die wij de onze noemen, en waarnaar wij heentrekken, niet voornemens zijnde ons hier te vestigen." Maar Sihon heeft hun niet alleen deze vriendelijkheid geweigerd zoals Edom en Moab haar geweigerd hadden (had hij het alleen bij die weigering laten blijven, wie weet of Israël dan niet langs een andere weg zou zijn voortgetrokken) maar hij monsterde al zijn krijgsvolk, en streed tegen Israël, vers 20, weerde hen niet slechts uit zijn land, maar wilde hen van de aarde wegvagen, Numeri 21:23, 24, had niets minder dan hun algeheel verderf op het oog, vers 20. In hun oorlog met hem stonden de Israëlieten op hun rechtmatige en noodzakelijke verdediging, en zijn leger verslagen hebbend, mochten zij in wraak over het hun aangedane onrecht zijn land nemen, als zijnde door hem verbeurd. Aldus is Israël in het bezit gekomen van dit land en twijfelde niet aan zijn recht er op, en het is zeer onredelijk van de Ammonieten om hun recht er op te betwisten, want de Amorieten waren de inwoners van dit land geweest, en het was dus hun land, waarvan de Israëlieten zich hadden meester gemaakt, vers 21.
4. Hij pleit op een schenking van de kroon, en grondt er zijn recht op, vers 23, 24. Het waren niet de Israëlieten, -zij waren vermoeid van hun lange tocht, en ongeschikt om zo spoedig reeds strijd te voeren-maar het was de Heere, de God van Israël, die de Koning is van de volken, van wien de aarde is en haar volheid, die de Amorieten uit de bezitting verdreef en Israël in hun plaats heeft geplant. God heeft het hun door een bijzondere overdracht gegeven, die overdracht geeft er hun recht op, dat zij tegenover geheel de wereld zullen handhaven. `Ik heb Sihon en zijn land in uw hand gegeven," Deuteronomium 2:24. Hij gaf het hun door een volkomen overwinning over de tegenwoordige bezitters te geven, in weerwil van de ongunstige omstandigheden, waarin zij verkeerden. "Kunt gij denken dat God het ons gaf op zo buitengewone wijze, met de bedoeling, dat wij het aan de Moabieten of Ammonieten terug zouden geven? Neen, wij hechten een hogere waarde aan Gods gunsten, dan om er zo gemakkelijk afstand van te doen." Ter versterking van hetgeen hij zegt, voert hij een argument "ad hominem-op de man af," tegen hem aan. Zoudt gij niet degene erven, die uw god Kamos voor u uit de bezitting verdreef? Hij beroept zich niet slechts op het gewone besluit van de mensen, om zich tegenover de gehele wereld staande te houden, maar op de algemene godsdienst van de volken, die, naar zij dachten, hen verplichtte om veel waarde te hechten aan hetgeen hun goden hun gaven. Niet dat Jeftha Kamos voor een god hield, alleen maar: hij is uw god, en de aanbidders zelfs van deze drekgoden, die goed noch kwaad konden doen, dachten toch dat zij hun verplicht waren voor hetgeen zij hadden, Hosea 2:11, o deze zijn mij een hoerenloon, dat mij mijn boeleerders gegeven hebben, zie ook Richteren 16:24, en maken het tot een reden, waarom zij het houden dat hun goden het hun gegeven hebben. "Dit houdt gij voor een gegrond recht op uw bezitting, en zullen wij dit dan ook niet voor ons recht houden?" De Ammonieten hadden hen, die vóór hen het land in bezit hadden, verdreven, zij dachten dat zij het door de hulp van Kamos, hun god, hadden gedaan, maar in werkelijkheid was het JAHWEH, de God van Israël die het voor hen gedaan had, zoals uitdrukkelijk gezegd is in Deuter. 2:19, 21. "Nu hebben wij," zegt Jeftha, geen even goed recht op ons land, als gij op het uwe". Een blijk van de eer en de eerbied, die wij verschuldigd zijn aan God, als onze God, is: datgene recht te bezitten, wat Hij ons geeft te bezitten het van Hem te ontvangen, en voor Hem te gebruiken, het om Zijnentwil te behouden, en het over te geven als Hij het opeist. Hij geeft het ons om het te bezitten, niet om er ons in te verlustigen, want alleen in Hem moeten wij verlustiging vinden.
5. Hij pleit op verjaring.
a. Hun recht er op werd niet betwist, toen zij voor het eerst in bezit er van kwamen, vers 25. "Balak, die toen koning was van Moab, wie het grootste deel van deze landen door de Amorieten ontnomen was en die er het meeste belang bij had ons tegen te staan, en daartoe ook het best instaat was indien hij gegronde bezwaren had tegen onze vestiging aldaar, heeft zich toch stil gehouden, en het nooit beproefd tegen Israël te strijden." Hij wist dat hij het land aan de Amorieten heeft moeten overlaten, dat hij niet in staat was het op hen te heroveren, en hij moest wel erkennen, dat Israël het in de strijd eerlijk op de Amorieten had veroverd, en daarom heeft hij al zijn zorg aangewend om te behouden wat hem nog gelaten was. Hij heeft nooit aanspraak gemaakt op hetgeen hij had verloren. Zie Numeri 22:2, 3. "Hij heeft toen berust in Gods wijze van over koninkrijken te beschikken, zult gij er dan ook niet in berusten?"
b. Zij zijn nooit gestoord in hun bezit, vers 26. Hij wijst er op dat zij dit land als het hunne nu al ongeveer drie honderd jaren in bezit hebben gehad, en gedurende al die tijd hebben de Ammonieten nooit beproefd het hun te ontnemen, zelfs niet, toen zij het in hun macht hadden hen te verdrukken, Hoofdstuk 3:12, 13. Zodat, gesteld eens dat hun recht er op in de beginne niet klaar was (maar hij had reeds bewezen, dat hun recht er op wèl duidelijk en onbetwistbaar was) dan zou toch, nadat door zoveel afstammelingen nooit aanspraak er op gemaakt was, het bezit er van voor de kinderen Ammons voor altijd buitengesloten zijn. Een recht, dat zó lang onbetwist bleef, zal voor onbetwistbaar gehouden worden.
6. Door deze argumenten rechtvaardigt Jeftha zich en zijn zaak, vers 27 ("Ik heb tegen u niet gezondigd door te nemen of te houden hetgeen waarop ik geen recht heb. Indien dit wèl zo ware, ik zou terstond tot teruggave of vergoeding bereid zijn") en veroordeelt hij de Ammonieten: "maar gij doet kwalijk met mij dat gij tegen mij krijgt, en moet de gevolgen daarvan afwachten." Het komt mij voor, dat dit een bewijs is, dat de kinderen van Israël in de dagen van hun voorspoed en macht- en zulke dagen hebben zij in de tijd van de richters gehad -zich zeer betamelijk tegenover hun naburen hadden gedragen, hen niet gekweld of verdrukt hadden, (hetzij bij wijze van weerwraak of onder schijn en voorwendsel van hun Godsdienst te verbreiden) -dat de koning van de Ammonieten, toen hij een aanleiding wenste te hebben om met hen te twisten, genoodzaakt was om drie honderd jaren terug te gaan teneinde een voorwendsel te zoeken. Het betaamt Gods volk om aldus onberispelijk en oprecht te zijn, en onstraffelijk in het midden van een krom en verdraaid geslacht.
Ter beslechting van de twist verlaat hij zich op God en zijn zwaard, vers 27, 28. De Heere, die Rechter is, richte heden tussen de kinderen van Israël en tussen de kinderen Ammons. Met dit plechtig beroep op de Rechter van hemel en aarde bedoelt hij, of de Ammonieten ervan terug te houden om met de strijd voort te gaan, en hen te verplichten zich terug te trekken, als zij zouden inzien dat het recht van de zaak tegen hen was, of zich te rechtvaardigen in zijn onderwerping van hen, indien zij met de strijd voortgingen. De oorlog is een beroep op de hemel, op God, de Rechter van allen, wiens de uitkomsten zijn. Indien een twijfelachtig recht betwist wordt, dan wordt Hem hiermede gebeden om het te beslissen, indien blijkbaar recht geschonden of geweigerd wordt, dan wendt men zich hierdoor tot Hem om het recht te handhaven, en het onrecht te straffen. Gelijk het zwaard van de gerechtigheid gemaakt is voor onrechtvaardige en halsstarrige personen, 1 Timotheus 1:9, zo is het zwaard van de oorlog gemaakt voor onrechtvaardige en halsstarrige vorsten en volken. In de strijd moet daarom altijd het oog op God zijn gericht, en het moet altijd gevaarlijk geacht worden, om te begeren of te verwachten dat God het onrecht zal beschermen.
Noch Jeftha's verdediging, noch zijn beroep, heeft invloed op de kinderen Ammons geoefend. Zij hadden in de achttien jaren, dat zij Israël verdrukt hebben, Hoofdstuk 10:8, het zoet gesmaakt van Israëls roof, en hoopten nu zich meester te maken van de boom, met welks vruchten zij zich zo dikwijls verrijkt hadden. Hij hoorde niet naar de woorden van Jeftha, want zijn hart was verhard tot zijn verderf.