Numeri 20:14-21
Wij hebben hier het verzoek van Israël aan de Edomieten. De naaste weg naar Kanaän van de plaats waar Israël nu gelegerd was, lag door het land van Edom.
1. Mozes zond gezanten tot de koning van Edom om met hem te onderhandelen over verlof om door zijn land te trekken, en hij geeft hun instructies voor hetgeen zij moesten zeggen, vers 14-17.
A. Zij moeten zich beroepen op hun bloedverwantschap met de Edomieten. Alzo zegt uw broeder Israël. Beide natiën stamden af van Abraham en Izak, Ezau en Jakob, de twee stamvaders van hun respectieve volken, waren tweelingbroeders, en daarom konden zij redelijkerwijs die vriendelijkheid van hen verwachten, ook behoefden de Edomieten niet te vrezen dat hun broeder Israël boze bedoelingen met hen had, of voordeel tegen hen zou zoeken.
B. Zij moeten een kort bericht geven van de geschiedenis en de tegenwoordige toestand van Israël, waarmee zij achtten dat de Edomieten niet geheel onbekend waren. En hierin lag een dubbele pleitgrond.
a. Israël is mishandeld geworden door de Egyptenaren, en daarom behoren hun bloedverwanten medelijden met hen te hebben en hen te ondersteunen. De Egyptenaars hebben ons en onze vaderen kwaad gedaan, maar wij kunnen hopen dat onze broeders, de Edomieten, ons niet zo kwaad gezind zijn.
b. Israël is op wondere wijze verlost door de Heere, en daarom behoren zij gesteund en begunstigd te worden, vers 16." Wij riepen tot de Heere en Hij hoorde onze stem, en Hij zond een engel, de Engel van Zijn aangezicht, de Engel des verbonds, het eeuwige Woord, en Hij leidde ons uit Egypte, en heeft ons hier gebracht." Het was dus in het belang van de Edomietenom zich aangenaam te maken aan een volk, dat zo grote invloed had in de hemel, en er zo'n gunstgenoot van was, en het was gevaarlijk voor hen om het leed te willen doen. Het is ons belang en onze plicht om vriendelijkheid te bewijzen aan hen, die het Gode behaagt als Zijn volk te erkennen, en dit volk tot ons volk aan te nemen. "Kom in, gij gezegende des Heeren."
C. Zij moeten nederig om een doortocht door hun land verzoeken. Hoewel God zelf in de wolk- en vuurkolom hun God was, en zij, die gids volgende, hun doortocht door ieders land voor geheel de wereld hadden kunnen rechtvaardigen, wilde God toch dat die beleefdheid aan de Edomieten betoond zou worden, om te tonen dat niemands eigendom onder schijn van Godsdienst aangerand mag worden. Heerschappij is gegrond in Gods voorzienigheid, niet in genade. Zo heeft Christus toen Hij door een vlek van de Samaritanen wilde gaan voor wie Zijn komst waarschijnlijk aanstotelijk zou zijn, "boden voor Zijn aangezicht gezonden," om hun om verlof te vragen, Lukas 9:52. Zij die vriendelijkheid willen ontvangen, moeten het niet versmaden er om te vragen.
D. Zij moeten borgtocht geven voor het goede gedrag van de Israëlieten op deze tocht, dat zij zich op de grote koninklijke weg zullen houden, op niemands erf zouden komen zich noch aan land noch aan water zouden vergrijpen, zelfs van geen waterput gebruik zouden maken zonder er voor te betalen, met alle mogelijke spoed zouden voorttrekken, zo snel als het hun als voetreizigers slechts mogelijk was, vers 17, 19. Geen voorstel kon billijker wezen, of vriendelijker gedaan worden.
1. De gezanten keren terug met een weigerend antwoord, vers 18. Edom, dat is: de koning van Edom, als beschermer van zijn land zei: Gij zult door mij niet trekken. En als de gezanten blijven aanhouden, herhaalt hij de weigering en voegt er de bedreiging aan toe, vers 20, dat het op hun gevaar zou zijn zo zij het beproefden, want dat hij zijn krijgsmacht dan tegen hen zou doen aanrukken. Alzo weigerde Edom Israël toe te laten door zijn landpale te trekken. De reden hiervoor was:
a. Hun naijver op de Israëlieten, zij vreesden schade en nadeel door hen te zullen ondervinden, en stelden geen vertrouwen in hun beloften. En inderdaad, indien dit talrijk leger onder een andere tucht ware geweest dan die van de rechtvaardige God zelf, die evenmin zou dulden dat zij kwaad deden, dan dat hun kwaad zou gedaan worden, dan zou er wel oorzaak geweest zijn voor die achterdocht, maar wat konden zij vrezen van een natie die zulke rechtvaardige wetten en rechten had?
b. Het was ook toe te schrijven aan de oude vijandschap van Ezau voor Israël. Al hadden zij ook geen reden om schade of nadeel van hen te vrezen, toch waren zij niet bereid om hun zoveel vriendelijkheid te betonen. Ezau haatte Jakob vanwege de zegen, en nu herleefde die haat, wijl de zegen beërfd stond te worden. God wilde hiermede de kwaadwilligheid van de Edomieten aan de dag doen komen tot hun schande, en de goedaardigheid van de Israëlieten op de proef stellen tot hun eer: zij weken van hem af, en hebben die gelegenheid niet aangegrepen om met hen te twisten. Wij moeten het niet vreemd achten, als door onredelijke mensen het redelijkste verzoek wordt afgewezen, en dat zij, aan wie God gunst betoont, door hen worden beledigd. "Ik ben als een dove, ik hoor niet." Na deze smaad door de Edomieten aan Israël aangedaan, heeft God aan de Israëlieten een bijzondere waarschuwing gegeven, om "de Edomiet voor geen gruwel te houden," Deuteronomium 23:7, al hadden de Edomieten ook voor hen zulk een afschuw aan de dag gelegd, om ons te leren, dat wij in zulke gevallen niet op wraak moeten zinnen.