Romeinen 15:22-29
Paulus geeft hier zijn voornemen te kennen om de Christenen te Rome te komen bezoeken. In deze zaak is de reden zeer eenvoudig en gewoon: hij wil zijn vrienden zien en persoonlijk leren kennen, maar de wijze waarop hij dat mededeelt is zeer vriendelijk en krachtig, zeer leerzaam en navolgenswaard. Wij kunnen er uit leren ook over onze dagelijkse dingen te spreken in de tale Kanaäns. Ook in ons gewone gesprek moet iets van de genade blijken, daaraan kan en zal bemerkt worden wat ons vaderland is. Men zou denken dat het gezelschap van Paulus te Rome zeer begeerd was. Hij was een man, die zoveel vrienden en zoveel vijanden had als ooit iemand hebben kon, hij ging door kwaad gerucht en goed gerucht. Zonder twijfel hadden zij te Rome veel van hem gehoord en verlangden er naar hem te ontmoeten. Zou de apostel der heidenen vreemdeling blijven te Rome, de hoofdstad der heidenwereld? En daarom terwijl hij zich verontschuldigt dat hij hen nog nooit bezocht heeft, belooft hij het nu binnen kort te zullen doen, en hij geeft zeer goede reden op waarom het hem nu mogelijk is.
I. Hij verontschuldigt zich dat hij totnogtoe nooit is gekomen. Merk op hoe zorgvuldig Paulus was om met zijn vrienden op goeden voet te blijven, en elke aanmerking tegen hem te voorkomen of bijtijds te weerleggen, niet als een die heerschappij voerde over het erfdeel des Heeren.
1. Hij verzekert hun dat hij grote begeerte heeft om hen te zien, niet om Rome te zien' ofschoon dat toen op het toppunt van zijn schoonheid en pracht stond, ook niet om het hof des keizers te zien, evenmin om te verkeren met de wijsgeren en geleerden die toen te Rome vertoefden, ofschoon zulk een ontmoeting zonder twijfel zeer begeerlijk was voor een zo groot geleerde als Paulus, maar om tot u te komen, vers 22, een gezelschap van arme verachte heiligen te Rome, gehaat door de wereld, maar geliefd door God en bemind door hem. Zij waren de mensen met wie Paulus te Rome zo gaarne in kennis zou komen, zij waren de heiligen in welken al zijn blijdschap was, Psalm 16:4. En hij had een bijzondere begeerte om hen te zien, omdat zij in alle gemeenten bekend waren om hun geloof en heiligheid, zij waren mensen die in deugden uitblonken, en daarom was Paulus begerig om tot hen te komen. Deze begeerte nu had Paulus reeds sedert vele jaren gekoesterd, maar nog nooit kunnen vervullen. De voorzienigheid Gods gaat dikwijls wijselijk tegen de voornemens en begeerten der mensen in. Ook Gods dierbaarsten kinderen wordt niet steeds alles toegestaan, wat zij gaarne zouden hebben. Toch zullen allen die zich in God verblijden de begeerten huns harten ingewilligd worden, Psalm 37:4.
2. Hij zegt hun dat de reden, waarom hij niet tot hen kon komen, was omdat er nog zo overvloed van werk elders voor hem te doen was. Daardoor was hij menigmaal verhinderd, dat is: door zijn velen arbeid in andere landen. God had hem een wijde deur geopend in andere streken en hem dus daar bezig gehouden. Merk hier op:
A. De genadige voorzienigheid Gods bemoeit zich op bijzondere wijze met Zijne dienaren, hij regelt hun lot niet naar hun overleggingen, maar naar Zijn eigen voornemen. Paulus zag zich meermalen in zijn plannen verhinderd, soms belette Satan de uitvoering, 1 Thessalonicenzen 2:18, op andere tijden werden ze hem door den Geest verboden, Handelingen 16:7, en hier werden ze verhinderd door anderen arbeid. De mens wikt, maar God beschikt, Spreuken 16:9, 19:2, Jeremia 10:23. Dienaren maken voornemens, en hun vrienden maken plannen voor hen, maar God gaat daartegen in, en regelt de reizen, de bewegingen, de verhuizingen, en de standplaatsen van Zijn getrouwe dienaren naar Zijn welbehagen. De sterren zijn in de rechterhand van Christus en zij schijnen waar Hij ze plaatst. Het Evangelie komt waar het verkondigd wordt niet bij toeval, maar naar den wil en den raad Gods.
B. De uitnemende voorzichtigheid van Paulus om zijn tijd en krachten te besteden daar, waar dat het meest nodig was. Had Paulus zijn eigen gemak, genoegen en eer voorgetrokken, dan zou de uitgebreidheid van zijn werk hem nooit verhinderd hebben Rome te bezoeken, maar dan zou hij zich daarheen gedreven gevoeld hebben, waar hij meer aanzien zou genieten en minder moeite hebben. Maar Paulus zocht de dingen van Christus meer dan zijn eigen dingen, en daarom wilde hij, ook zelfs niet tijdelijk, zijn werk van het stichten van gemeenten, laten varen en naar Rome gaan. De Romeinen waren gezond en hadden den geneesheer niet nodig gelijk andere plaatsen, die ziek en stervende waren. Terwijl duizenden mannen en vrouwen dagelijks de eeuwigheid ingingen en hun kostelijke zielen verloren gingen door gebrek aan kennis, had Paulus geen tijd te verzuimen. Er was echter nu geen schijn van gelegenheid, de velden waren wit om te oogsten, dan mag het jaargetijde niet verwaarloosd worden, de behoeften van de arme zielen waren dringend en riepen luide om hulp, en daarom moest Paulus steeds bezig zijn. Wij allen zijn verplicht het eerst te doen wat het nodigste is. De ware genade leert ons het nodigste boven het minder noodzakelijke te verkiezen, Lukas 10:41, 42. En ook de Christelijke wijsheid leert ons het nodigste aan het minder nodige te laten voorgaan. Dat geeft Paulus op als een volkomen-voldoende reden. Wij moeten het onzen vrienden niet ten kwade duiden wanneer zij aan noodzakelijken arbeid de voorkeur geven, dat Gode welbehaaglijk is, boven onnodige bezoeken en beleefdheden, die aangenaam zouden zijn voor ons. In dit, zoals in andere opzichten, moeten wij leren ons zelven te verloochenen.
II. Hij beloofde binnenkort te komen en hen te bezoeken, vers 23, 24, 29. Maar nu gene plaats meer hebbende in deze gewesten: namelijk in Griekenland waar hij toen was. Die gehele landstreek was nu min of meer vervuld met den reuk des Evangelies, er waren in de voornaamste plaatsen gemeenten gesticht en herders aangesteld om het werk voort te zetten, dat Paulus begonnen had, er was voor hem weinig meer te doen. Hij had het Evangelie gebracht tot aan de kusten der zee, en nadat hij op die wijze Griekenland overwonnen had, was hij begerig te weten of er geen ander Griekenland te veroveren viel. Paulus was een man, die steeds met werken voortging en er nooit aan dacht om enige rust te nemen, maar steeds zich zelven aandreef om nog meer te werken en zegeningen te verspreiden. Hij was een arbeider, die niet beschaamd werd. Merk op:
1. Hoe hij zijn voorgenomen bezoek vooraf regelt. Zijn voornemen was hen te komen zien op zijn doorreis naar Spanje. Hieruit blijkt dat Paulus voornemens was een reis door Spanje te maken om daar het Christendom te planten. De moeilijkheid en de gevaren van dat werk, de grote afstand, de bezwaren van de reis, de andere goede werken (ofschoon naar zijne mening minder nodig dan dit) welke Paulus nog in andere plaatsen verrichten kon, dat alles was niet instaat de vlam van zijn heiligen ijver te blussen voor de uitbreiding van het Evangelie, een ijver, die hem verteerde en geheel en al zich zelven deed vergeten. Het is evenwel niet zeker of hij zijn voornemen om naar Spanje te reizen heeft kunnen volbrengen. Hij kwam inderdaad te Rome, maar hij werd er als gevangene gebracht en gedurende twee jaren gevangen gehouden, en waarheen hij zich daarna begaf, is onzeker. Maar verscheidene van de brieven, die hij tijdens zijn gevangenschap schreef, geven zijn voornemen te kennen om oostwaarts, en dus niet naar Spanje, te reizen. Evenwel, voor zoveel het in het hart van Paulus was om het licht des Evangelies ook in Spanje te doen schijnen, deed hij er wel aan dat het in zijn hart was, evenals God tot David zei, 2 Kronieken 4:8. De goedertierenheid Gods neemt dikwijls in gunst de oprechte begeerte aan, wanneer de voorzienigheid Gods in wijsheid de uitvoering daarvan verhindert. En dienen wij dus geen goeden Meester? 2 Corinthiërs 8:12. Welnu, hij nam zich voor op de doorreis naar Spanje tot hen te komen. Merk op zijn voorzichtigheid. Het is verstandig van ons allen het werk zo te regelen, dat wij het meest mogelijke in den minst-mogelijken tijd verrichten. Merk ook op hoe hij met het nodige voorbehoud spreekt. Ik hoop in het doorreizen u te zien, niet: "ik ben besloten", maar: "ik hoop het te doen". Wij moeten al onze voornemens opvatten, al onze beloften geven op gelijke wijze, met onderwerping aan de goddelijke voorzienigheid, niet ons zelven beroemen op morgen, want wij weten niet wat de dag met zich brengen zal, Spreuken 27:1, Jakobus 4:13-15.
2. Wat hij verwachtte van zijn voorgenomen bezoek.
A. Wat hij verwachtte van hen. Hij verwachtte dat zij hem op zijn reis naar Spanje zouden geleiden. Dat was geen statelijk geleide, zoals aan vorsten gegeven wordt, maar een liefhebbend gezelschap, zoals vrienden van elkaar gewoon zijn, dat Paulus van hen verwachtte. Spanje was toen een provincie van het keizerrijk, bij de Romeinen welbekend, want zij hadden er levendige betrekkingen mede, en daarom konden zij Paulus van veel dienst zijn op zijne reis herwaarts. En hij rekende niet alleen op hun gezelschap onderweg, maar ook op hun ondersteuning in zijn onderneming, niet alleen uit achting voor Paulus, maar meer nog in het belang van de zielen dier arme Spanjaarden, wie Paulus het Evangelie zou gaan verkondigen. Met recht wordt van alle Christenen verwacht, dat zij zich zelven zullen wijden aan de bevordering en vergemakkelijking van elk goed werk, voornamelijk van het gezegende werk der bekering van zielen, dat zij zullen trachten het hun dienaren zo gemakkelijk mogelijk te maken, opdat zij zo nuttig mogelijk mogen zijn voor arme zielen.
B. Wat hij verwachtte in hen. Eensdeels van hun tegenwoordigheid verzadigd te zullen worden. Paulus verlangde naar hun gezelschap en omgang. Het goede gezelschap van heiligen is zeer begeerlijk en verblijdend. Paulus zelf was een man, die grote vorderingen gemaakt had in kennis en in genade, in die dingen stak hij van de schouderen opwaarts boven alle Christenen uit, maar ziehier met hoeveel genoegen hij dacht aan goed gezelschap, want gelijk men ijzer scherpt met ijzer, alzo scherpt een man het aangezicht van zijn naasten. Hij geeft zijn voornemen te kennen om enigen tijd bij hen te blijven, omdat hij verzadigd wilde worden van hun tegenwoordigheid, van hun gezelschap, niet hen een ogenblik zien en dan weer verder, hij gelooft dat hun omgang zo aangenaam zal zijn dat hij er nooit genoeg van krijgen zal. Hij zou slechts enigszins verzadigd worden, en hij geloofde dat hij hen verlaten zou met de begeerte om langer in hun gezelschap te kunnen blijven. De Christelijke gemeenschap, op de rechte wijze in praktijk gebracht en gebruikt, is de hemel op aarde, een heerlijke voorsmaak van onze bijeen vergadering onder Christus ten jongsten dage. Merk nu op: het is eensdeels verzadigd worden, apo meroes, gedeeltelijk. De voldoening, welke wij in deze wereld genieten van de gemeenschap der heiligen, is slechts eensdeels, wij worden slechts gedeeltelijk verzadigd. Het is eensdeels in vergelijking met onze gemeenschap met Christus, deze en deze alleen is instaat geheel te verzadigen, de ziel te vervullen. Het is eensdeels in vergelijking met de gemeenschap der heiligen, welke wij in de volgende wereld hopen te genieten. Wanneer wij zullen aanzitten met Abraham, Izaak en Jakob, met al de heiligen, met geen anderen dan heiligen, en enkel met volmaakte heiligen, dan eerst zullen wij aan hun gezelschap genoeg hebben, dan zal onze begeerte vervuld worden. C. Wat hij met hen van God verwachtte, vers 29. Hij verwachtte dat hij, tot hen komende, met vollen zegen des Evangelies van Christus komen zou. Merk op: Met betrekking tot hetgeen hij van hen verwachtte spreekt hij voorwaardelijk: Ik hoop van u derwaarts geleid te worden, als ik eerst van ulieder tegenwoordigheid eensdeels verzadigd zal zijn. Paulus had geleerd ook den besten niet al te veel te vertrouwen. Sommigen van dezen hadden hem verlaten juist toen hij gelegenheid zou gehad hebben om hun diensten te gebruiken, 2 Timotheus 4:16 :Bij mijn eerste verantwoording is niemand bij mij geweest, geen van de Christenen te Rome. De Heere leert ons van de mensen af te zien. Maar over hetgeen hij van God verwacht spreekt hij met verzekerdheid. Het was onzeker of hij al dan niet komen zou, maar: ik weet dat, indien ik kom, ik met vollen zegen des Evangelies van Christus komen zal. Wij kunnen niet te weinig van den mens en niet te veel van God verwachten. Paulus verwachtte dat God hem tot hen zou brengen, beladen met zegeningen, zodat hij een werktuig zou zijn om veel goeds onder hen te doen en hen te vervullen met den zegen des Evangelies. Verg. Hoofdstuk 1:11 :Opdat ik u enige geestelijke gave mocht mededelen. De zegen van het Evangelie van Christus is de beste en meest begeerlijke zegen. Als Paulus hun verwachting van iets groots en goeds door zijn komst wil versterken, vestigt hij hun hoop op de zegeningen van het Evangelie, geestelijke zegeningen, kennis, genade en vertroosting. De zegeningen van het Evangelie zijn een schat, welken wij hebben in aarden vaten. Indien de dienaren ten volle bereid zijn om te geven en de gemeente geheel bereid is om te ontvangen, maken deze zegeningen beiden gelukkig, Velen bezitten het Evangelie, maar hebben niet de zegeningen van het Evangelie, en daardoor bezitten zij het tevergeefs. Het Evangelie zal geen nut doen, tenzij God het voor ons zegent, en het is onze roeping op Hem te wachten voor dien zegen en de volheid daarvan.
III. Hij geeft hun een goede reden op, waarom hij nu niet kon komen en hen bezoeken: hij had thans andere bezigheden, die zijn krachten en aandacht vereisten en waarom hij eerst naar Jeruzalem moest reizen, vers 25-28. Hij doet daarvan uitvoerige mededeling, om te laten zien dat de verontschuldiging niet uit de lucht gegrepen was. Hij ging nu naar Jeruzalem als de overbrenger van de liefdegaven der gemeenten voor de arme heiligen aldaar. Merk op wat hij zegt:
1. Betreffende deze liefdadigheid zelf. Hij spreekt bij deze gelegenheid waarschijnlijk daarover om de Romeinse Christenen daartoe ook op te wekken, om naar hun vermogen hetzelfde te doen. Voorbeelden trekken, en Paulus was vindingrijk in het bedelen, niet voor zich zelven, maar voor anderen. Merk op:
A. Voor wie het bestemd was: Voor de armen onder de heiligen, die te Jeruzalem zijn, vers 26. Het is geen vreemde zaak voor heiligen om arm te zijn. Degenen, die God met aardse goederen gezegend heeft, zijn dikwijls stuurs tegen hen, maar rijkdom is niet het hoogste goed en armoede is geen vloek. Naar het schijnt waren de heiligen te Jeruzalem armer dan de andere, hetzij omdat de voorspoed van het volk in het algemeen aan het verminderen was, omdat zijn algehele verwoesting met snelle schreden naderde, en waarlijk indien iemand daardoor verarmen moest, dan waren de heiligen in dat geval, hetzij dat de hongersnood, die in de dagen van keizer Claudius over de gehele wereld kwam, voornamelijk in Judea, een droog land, heerste. En toen God armoede over de gehele wereld bracht, moesten de Christenen die wel het diepst gevoelen. Dit was de aanleiding tot de bijdrage van de liefdegiften, vermeld in Handelingen 11:28-30. Wellicht ook hadden de heiligen te Jeruzalem het meeste te lijden gehad van de vervolgingen, want van alle mensen waren de ongelovige Joden de onverzoenlijkste in hun woede en kwaadaardigheid tegen de Christenen, en de toorn is over hen gekomen tot het einde, 1 Thessalonicenzen 2:16. De Hebreeuwse Christenen worden bijzonder genoemd als degenen, wier goederen geroofd waren, Heb. 10:34, en in verband daarmee was voor hen een inzameling gehouden. Ofschoon de heiligen te Jeruzalem op groten afstand van hen woonden, toch strekten zij hun goedheid en milddadigheid tot hen uit. Dat leert ons als wij er toe instaat zijn en de gelegenheid zich voordoet, de hand der liefde uit te strekken tot alle huisgenoten des geloofs, ofschoon zij ook ver van ons verwijderd mochten zijn. Wel moeten in gevallen van persoonlijke armoede de gemeenten zorg dragen voor het onderhoud van haar eigen armen (die armen welke wij altijd bij ons hebben), maar soms, wanneer onze aandacht gevestigd wordt op gevallen van algemene armoede, moeten wij onze goedhartigheid en liefdadigheid ook uitstrekken tot hen, die op verren afstand van ons zijn, gelijk de zon haar stralen ver weg door het hemelrond uitschiet en gelijk de deugdzame huisvrouw uit Spreuken 31:20 :Zij breidt hare handpalm uit tot den ellendige, en zij steekt hare handen uit tot den nooddruftige.
B. Bij wie inzameling gehouden was: Bij hen die van Macedonië (de voornaamsten daarvan waren de Philippensen) en van Achaje (de voornaamsten in die streek waren de Corinthiërs) waren, dus twee bloeiende gemeenten, ofschoon nog in haar kindsheid, pas tot het Christendom gebracht. En ik wenste dat de opmerking niet kon gemaakt worden, dat de mensen gewoonlijk bij hun eerste bekendheid met het Evangelie milddadiger zijn dan later en dat ook hierin, gelijk in andere opzichten, de eerste liefde, de liefde van jonggehuwden, veel gevaar loopt van in vervolg van tijd te verkoelen en te verdwijnen. Naar het schijnt waren de Christenen in Macedonië en Achaje rijk en weelderig, terwijl die te Jeruzalem arm en nooddruftig waren. De oneindige Wijsheid heeft het zo beschikt, dat enigen hebben hetgeen anderen ontbreekt, en zo blijft de wederkerige afhankelijkheid van de Christenen onderling bestaan. Het heeft hun goed gedacht. Dit toont aan hoe bereid zij er toe waren. Zij werden er niet toe gedrongen en gedwongen, maar zij handelden volgens eigen aandrift, en hoe liefderijk waren zij daarin, het was hun een genoegen milddadig te zijn, en God heeft den blijmoedigen gever lief. Ene gemene handreiking te doen, koinoonian tina, een gemeenschappelijke gave, ten bewijze van de gemeenschap der heiligen en hun medelidmaatschap, evenals in ons natuurlijk lichaam elk lid bijdraagt tot gemak en steun en bewaring van de andere, wanneer daartoe gelegenheid is, Alles wat onder de Christenen onderling geschiedt moet een bewijs en een uitvloeisel zijn van de algemene vereniging, die zij gezamenlijk hebben in Christus Jezus. Er was een tijd geweest, waarin de heiligen te Jeruzalem instaat waren om te geven en toen waren zij zeer vrijgevig geweest. Toen hadden zij hun vaste goederen verkocht en de opbrengst voor liefdadige doeleinden aan de voeten der apostelen gelegd, en toen hadden zij bijzondere zorg gedragen dat de Griekse weduwen niet zouden verzuimd worden in de dagelijkse bedeling, Handelingen 6:1 en v.v. En nu had God de zaak omgekeerd in Zijn voorzienigheid, en hen behoeftig gemaakt, maar nu vonden zij de Grieken bereid om hen te helpen, want de barmhartige zal barmhartigheid verkrijgen. Wij moeten een deel geven aan zeven, ja ook aan acht, omdat wij niet weten welk kwaad op de aarde komen zal, waardoor wij ons verblijden zullen indien wij door anderen geholpen worden.
C. Welke reden er voor bestond: Ook zijn zij hun schuldenaars, vers 27. Liefdegaven worden gerechtigheid genoemd, Psalm 112:9.. Aangezien wij slechts de rentmeesters zijn van hetgeen wij bezitten, zijn wij het schuldig indien onze grote Meester, door de wenken Zijner voorzienigheid, die gelijk staan met bevelen in woorden, ons gebiedt om er over te beschikken en het te besteden. Maar hier bestond een eigenaardige soort van schuld, de heidenen waren zeer veel verplicht aan de Joden en gehouden hun op allerlei wijzen dankbaarheid te betonen. Uit den stam van Israël kwam Christus zelf voort, naar het vlees, Hij die een licht is tot verlichting der heidenen. Uit hetzelfde geslacht kwamen voort de profeten en de apostelen en de eerste verkondigers van het Evangelie. Aan de Joden waren de levende woorden toevertrouwd. Zij bewaarden de bibliotheek van de Christenen. Uit Zion kwam de wet voort en het woord des Heeren uit Jeruzalem. Hun staatkundige kerkstaat was ontbonden en zij werden afgesneden, opdat de heidenen toegelaten zouden worden. De heidenen verkregen dus deel aan hun geestelijke goederen en ontvingen het Evangelie der zaligheid om zo te zeggen uit de tweede hand van de Joden, en daarom waren dezen verschuldigd, zij waren door dankbaarheid verplicht, om hen van lichamelijke goederen te dienen. Dat was het minste wat zij doen konden: leitoergêsai, hen, als onder God, van heilige dingen te dienen (ook die betekenis ligt in dit woord). Een nauwgezet opzien tot God in onze werken van liefdadigheid en liefdegaven maakt die Gode een aangenamen dienst en offerande, en geeft ons goede overvloedige vrucht. Paulus vermeldt dit hier waarschijnlijk als de beweegreden, die hij gebruikt had om er hen toe te brengen, en het is een beweegreden van gelijke kracht voor alle gemeenten uit de heidenen.
2. Betreffende Paulus aandeel in deze zaak. Hijzelf kon niets bijdragen, zilver of goud had hij niet, hij leefde van de milddadigheid zijner vrienden. Nochtans diende hij de heiligen, vers 25, door anderen aan te sporen, door in ontvangst te nemen hetgeen bijeengebracht was en door het naar Jeruzalem te brengen. Vele goede werken van die soort komen niet tot hun recht door gebrek aan geschikte personen om ze tot stand te brengen en de raderen in beweging te zetten. De bemoeiing van Paulus in deze zaak mag niet opgevat worden als een onderbreking of verzuim van zijn werk der verkondiging van het Evangelie, ook liet Paulus niet het Woord Gods na om de tafelen te dienen, want hij had op deze reis buitendien nog zeer veel ander werk te verrichten in het bezoeken en versterken van de gemeenten, maar hij deed dit er bij en het was inderdaad een deel van het werk, dat hem toevertrouwd was en waarin hij moest zorgen getrouw bevonden te worden, Galaten 2:10 :Alleenlijk dat wij de armen zouden gedenken. Paulus beijverde zich om op allerlei wijzen goed te doen evenals zijn Meester, aan de lichamen zowel als aan de zielen der mensen. De heiligen dienen is een goed werk en niet beneden de waardigheid van den grootsten apostel. Dit had Paulus op zich genomen en daarom besloot hij er mede voort te gaan, alvorens hij ander werk ondernam, vers 28. Als ik dan dit volbracht en hun deze vrucht verzegeld zal hebben. Hij noemt die liefdegaven een vrucht, want het is een der vruchten der gerechtigheid, die ontlook uit den wortel der genade in de gevers en strekte tot zegen en vertroosting van de ontvangers. En dit verzegelen ziet op zijn grote zorg er voor, opdat hetgeen gegeven was bijeengehouden zou blijven en niet verbrokkeld worden, maar besteed overeenkomstig de bedoeling der gevers. Paulus was zeer begerig om zich getrouw te betonen in de behandeling van deze aangelegenheid, een uitnemend voorbeeld voor de dienaren ter navolging, opdat de bediening daarin niet moge gelasterd worden.