Mattheus 7:7-11
In het vorige hoofdstuk had onze Heiland gesproken van het gebed als een geboden plicht, waardoor God geëerd wordt, en dat, zo het op de rechte wijze geschied, beloond zal worden, hier spreekt Hij er van als van het aangewezen middel om te verkrijgen wat wij nodig hebben, inzonderheid genade om te gehoorzamen aan de voorschriften, die Hij had gegeven, waarvan sommigen vlees en bloed zo zeer mishagen.
I. Hier is een voorschrift in drie woorden van dezelfde strekking: Bidt, zoekt, klopt. vers 7, dat is in een woord: "Bidt, bidt dikwijls, bidt, met oprechtheid en ernst, bidt, en bidt wederom, maakt ene gewetenszaak van het gebed, doet het voortdurend, maakt werk van het gebed, en weest er ijverig in. Vraagt, zoals een bedelaar om ene aalmoes vraagt". Zij, die rijk willen zijn in genade, moeten zich tot het armelijk beroep van bedelen begeven, en dan zullen zij bevinden, dat het zeer winstgevend is. "Vraagt, stelt uwe behoeften en uwe lasten voor aan God, en begeeft u tot Hem om hulp en ondersteuning, overeenkomstig Zijne belofte.
Vraagt, zoals een reiziger vraagt naar den weg, bidden is van God verzoeken, Ezechiël 36:37. Zoekt als naar een voorwerp van waarde, dat wij verloren hebben, of als de koopman, die schone paarlen zoekt. Zoekt door gebed, Daniël 9:3. Klopt, zoals hij, die begeert in het huis gelaten te worden, aan de deur klopt". Wij willen toegelaten worden, om met God te spreken, toegelaten worden in Zijne liefde, Zijne gunst, Zijn koninkrijk, de zonde heeft de deur voor ons gesloten en gegrendeld, door het gebed kloppen wij: Heere, Heere, doe ons open. Christus klopt aan onze deur, Openbaring 3:20, Hooglied 5:2, en Hij vergunt ons aan Zijne deur te kloppen, hetgeen ene gunst is, die wij aan gewone bedelaars niet toestaan. Zoeken en kloppen geven nog iets meer te kennen dan vragen en bidden. Wij moeten niet slechts vragen, maar zoeken, wij moeten onze gebeden steunen door ons streven, wij moeten in het gebruik der aangewezen middelen zoeken, hetgeen waar wij om vragen, want anders verzoeken wij God. Toen de wijngaardenier om een jaar uitstel vroeg voor den onvruchtbaren vijgenboom, voegde hij er bij: Ik zal om hem graven, Lukas 13:7, 8. Aan hen, die de Schriften onderzoeken, en aan de poorten der wijsheid waken, geeft God kennis en genade, en aan hen, die de gelegenheid tot zonden vermijden, geeft God kracht tegen de zonde. Wij moeten niet slechts vragen, maar kloppen, wij moeten tot Gods deur komen, moeten vragen met aandrang, niet slechts bidden, maar pleiten en worstelen met God, wij moeten blijven kloppen, wij moeten volharden in het gebed, en in het gebruik der middelen, wij moeten tot den einde toe volharden in plichtsbetrachting.
II. Hier is ene belofte aan toegevoegd: onze arbeid in het gebed, indien wij er werkelijk in arbeiden, zal niet ijdel zijn. Waar God een biddend hart vindt, zal Hij een gebed verhorend God worden bevonden, Hij zal een antwoord des vredes geven. Het voorschrift is drievoudig, vraagt, zoekt, klopt, daar is gebod op gebod, maar de belofte is zesvoudig, regel op regel, ter onzer bemoediging, omdat een vast geloof aan de belofte ons blijmoedig en standvastig zal maken in onze gehoorzaamheid. Nu wordt hier,
1. De belofte gegeven, en wel zo, dat zij volkomen beantwoordt aan het gebod vers 7. God zal hen ontmoeten, die tot Hem gaan. Bidt, en u zal gegeven worden, u zal niet geleend, niet verkocht worden, maar u zal gegeven worden, en wat is vrijer dan ene gave? Al waar gij overeenkomstig de belofte, om bidt, al waar gij om vraagt, zal u gegeven worden, indien God het goed voor u vindt, en wat zoudt gij meer begeren? Het is slechts: vraagt en ontvangt, gij ontvangt niet, omdat gij niet vraagt, of omdat gij kwalijk vraagt, wat niet waard is gevraagd te worden, is ook niet waard om ontvangen te worden, en dan is het niets waard. Zoekt, en gij zult vinden, en dan verliest gij uwe moeite niet. God zelf wordt gevonden door hen, die Hem zoeken, en als wij Hem hebben, dan hebben wij genoeg. "Klopt, en u zal opengedaan worden, de deur der barmhartigheid en genade zal niet langer tegen u gesloten blijven als tegen vijanden en indringers, maar u geopend worden als aan vrienden en kinderen. Er zal gevraagd worden: wie is aan de deur? Indien gij kunt antwoorden: een vriend, en de toegangskaart der belofte in de hand des geloofs houdt, twijfel dan niet aan uwe toelating. Indien de deur niet geopend wordt op het eerste kloppen, volhardt in den gebede, het is ene belediging voor den vriend om aan zijne deur te kloppen, en dan weg te gaan, hoewel hij toeft, moet gij toch wachten."
2. Zij wordt herhaald in vers 8. Zij heeft dezelfde strekking, doch met ene bijvoeging. Het wordt uitgestrekt tot allen, die op de rechte wijze bidden: "Niet alleen gij, Mijne discipelen, zult ontvangen waar gij om bidt, maar een iegelijk, die bidt, ontvangt, Jood of Heiden, jong of oud, rijk of arm, hoog of laag, heer of dienstknecht, geleerd of ongeleerd, allen zijn welkom voor den troon der genade, indien zij komen met geloof, want God is geen aannemer des persoons. Zij wordt in dier voege gegeven, dat zij gelijk staat met ene schenking, in woorden van den tegenwoordigen tijd, hetgeen meer is dan ene belofte voor de toekomst. Een iegelijk die bidt, zal niet slechts ontvangen, maar ontvangt, als wij ons door het geloof de belofte toe-eigenen, dan hebben wij reeds terstond deel aan het beloofde goed. De beloften Gods zijn zo zeker en onverbreekbaar, dat zij ook werkelijk reeds dadelijk bezit geven, een werkzaam gelovige gaat terstond in en maakt de beloofde zegeningen tot de zijnen. Wat wij in hope en overeenkomstig de belofte hebben, is even gewis, en behoort even liefelijk te wezen, als wat wij in handen hebben. God heeft gesproken in Zijn heiligdom en dan is Gilead mijn en is Manasse mijn, Psalm 108:8, 9, het is alles het mijne, indien ik het door het geloof tot het mijne maken kan. Voorwaardelijke schenkingen worden onvoorwaardelijk, als de voorwaarde vervuld is, zo ook hier: die bidt, die ontvangt. Hiermede plaatst Christus zijn fiat op het smeekschrift, en daar Hij alle macht heeft, is dit genoeg.
3. Zij wordt toegelicht door ene gelijkenis, ontleend aan aardse ouders, en hun als aangeborene bereidwilligheid om hun kinderen te geven waar zij om vragen. Christus doet een beroep op Zijne hoorders: Wat mens is er onder u, hoe wrevelig of slecht van humeur hij overigens ook zijn moge, zo zijn zoon hem zou bidden om brood, die hem een steen zal geven? vers 9, 10. Waaruit hij afleidt, vers 11, Indien dan gij, die boos zijt, weet uwen kinderen goede gaven te geven, hoe veel te meer zal uw Vader, die in de hemelen is, goede gaven geven degenen, die ze van Hem bidden. Nu is dit nuttig:
a. Om onze gebeden en verwachtingen te leiden. Wij moeten komen tot God, als kinderen tot hun Vader in den hemel met eerbied en vertrouwen. Hoe natuurlijk loopt het kind dat gebrek of verdriet heeft, met zijne klachten tot zijn vader, "Mijn hoofd, mijn hoofd", evenzo moet de nieuwe natuur ons voor hulp er steun naar God zenden. Wij moeten tot Hem komen om goede gaven, want die geeft Hij aan hen, die er Hem om vragen, hetgeen ons leert ons tot hem te begeven, ons in Zijne handen te stellen, want wij zelven weten niet wat goed voor ons is, Prediker 6:12, maar Hij weet wat goed voor ons is, daarom moeten wij het Hem overlaten: Vader, Uw wil geschiede. Het kind wordt hier verondersteld om brood te vragen, dat is nodig, en om een vis, dat is gezond, maar indien het kind dwaselijk om een steen zou vragen, of om ene slang, om onrijpe vruchten om te eten, of om een scherp mes om mede te spelen, dan is de vader, hoe vriendelijk ook, zo wijs het hem te weigeren. Dikwijls vragen wij aan God om hetgeen ons zou schaden, indien wij het hadden, Hij weet dit, en daarom geeft Hij het ons niet. Weigeringen in liefde zijn beter dan gaven in toorn, het zou al lang met ons gedaan zijn geweest, indien wij alles hadden wat wij begeren.
b. Om onze gebeden en verwachtingen aan te moedigen. Wij kunnen hopen gene weigering te zullen ontvangen, niet teleurgesteld te zullen worden, wij zullen voor brood geen steen krijgen, die onze tanden breekt (hoewel wij ene harde korst kunnen krijgen, om aan onze tanden werk te geven), en voor een vis zullen wij gene slang krijgen, om ons te bijten. Wel hebben wij reden om dit te vrezen, want wij verdienen het, maar God zal ons iets beters geven dan het verdiende loon onzer zonden. De wereld geeft dikwijls stenen voor brood, en slangen voor vis, maar God doet dit nooit, neen, wij zullen gehoord en verhoord worden, want dat zijn kinderen door hun ouders. God heeft in het hart van ouders ene ontfermende neiging gelegd om hun kinderen te helpen en te ondersteunen, naar dat zij dit nodig hebben. Zelfs zij, die weinig plichtsbesef hadden, hebben dit toch, al ware het door instinct, gedaan. Gene wet werd ooit nodig geacht om ouders te verplichten voor hun wettige kinderen te zorgen, in Salomo's tijd ook niet voor hun onwettige kinderen. Hij is in de betrekking tot ons getreden van een Vader, en Hij erkent ons als Zijne kinderen, opdat wij door de bereidwilligheid, die wij in ons zelven vinden, om onze kinderen te helpen, bemoedigd zullen worden, om ons tot Hem te wenden om hulp en ondersteuning. De liefde en tederheid van vaders voor hun kinderen komen van Hem, niet van de natuur, maar van den God der natuur, en daarom moeten zij in Hem nog oneindig groter zijn. Hij vergelijkt Zijne zorge over Zijn volk bij die van een' vader over zijne kinderen, Psalm 103:13, ja bij die ener moeder, welke gewoonlijk nog tederder is, Jesaja 66:13, 49:14, 15. Maar hier wordt verondersteld, dat Zijne liefde, tederheid en goedheid, die van aardse ouders zeer ver overtreffen, en daarom wordt bij de redenering een hoe veel te meer gebruikt, en dit is gegrond op deze ontwijfelbare waarheid, dat God een oneindig beter Vader is dan aardse ouders, Zijne gedachten zijn hoger dan hun gedachten, en zij weten te geven, gepast en tijdig, hoe veel te meer dan niet God: want Hij neemt aan, als zij verlaten, Psalm 27:10. Ten eerste, God heeft meer kennis, ouders koesteren dikwijls ene dwaze liefde, maar God is wijs, oneindig wijs, Hij weet wat wij behoeven, wat wij begeren, en wat goed voor ons is. Ten tweede, God is vriendelijker, indien al het medelijden van alle tedere vaders in de wereld verenigd was in het hart van een, dan zou dit, vergeleken bij de barmhartigheden onzes Gods, als ene kaars wezen, vergeleken bij de zon, of een droppel bij den oceaan. God is rijker, en meer in staat om aan Zijne kinderen te geven, dan de vaders van ons vlees. Want Hij is de Vader onzer geesten, een immer liefhebbende, een eeuwig levende Vader. De ingewanden van vaders zijn bewogen, zelfs over ongehoorzame kinderen, zoals die van David over Absalom, zal dit alles dan niet dienen om het ongeloof tot zwijgen te brengen?