Mattheus 27:1-10
Wij lieten Christus in de handen van de overpriesters en ouderlingen, veroordeeld om te sterven, maar zij konden slechts hun tanden tonen, want ongeveer twee jaren tevoren hadden de Romeinen aan de Joden de macht ontnomen van de doodstraf te volvoeren. Zij konden niemand ter dood brengen, daarom wordt vroeg in den morgen nog ene vergadering van den raad gehouden, om te overwegen wat er gedaan moest worden. En hier wordt ons gezegd wat er in die ochtendzitting van den raad voorviel.
1. Christus wordt overgeleverd aan Pilatus, opdat deze het vonnis zou uitvoeren, dat zij geveld hadden. Bijna honderd jaren tevoren was Judea veroverd door Pompejus, en sedert altijd aan Rome schatplichtig gebleven. Kort tevoren werd het tot een deel van de provincie Syrië verklaard, en onderworpen aan het bestuur van den stadhouder van Syrië, onder wie verscheidene procurators waren, die zich meest met de inkomsten des lands hadden bezig te houden, maar soms, gelijk inzonderheid Pilatus, met de ganse macht van den stadhouder bekleed waren. Dit was een klaar bewijs, dat de scepter van Juda was geweken, en dat dus nu de Silo moest komen, overeenkomstig de profetie van Jakob, Genesis 49:10. Pilatus wordt door de Romeinse schrijvers van dien tijd beschreven als een man van een ruw en hooghartig karakter, eigenzinnig en onverbiddelijk, uiterst hebzuchtig en verdrukkend. De Joden koesterden grote vijandschap tegen zijn persoon en waren zijn bestuur zeer moede, toch maakten zij van hem gebruik als het werktuig van hun boosaardigheid tegen Christus.
2. Zij bonden Jezus. Hij werd reeds gebonden bij Zijne gevangenneming, maar zij hebben Hem of van de banden ontdaan toen Hij voor den raad stond, of zij hebben er nu nog aan toegedaan. Hem schuldig bevonden hebbende, bonden zij Hem de handen op den rug, zoals zij dit gewoonlijk met veroordeelde misdadigers deden. Hij was reeds gebonden met de koorden der liefde tot den mens, anders zou Hij deze banden wel spoedig verbroken hebben, zoals Simson de zijne. Wij waren gebonden met de banden onzer zonde, Prediker 5:22, maar God heeft het juk onzer overtredingen aangebonden aan Zijn hals, Klaagliederen 1:14, opdat wij door Zijne banden ontbonden zullen worden, gelijk als ons door Zijne striemen genezing is geworden.
3. Zij leidden Hem weg, als in triomf, leidden Hem heen als een lam ter slachting, zo is Hij uit den angst en het gericht weggenomen, Jesaja 53:7, 8. Het was omstreeks een mijl afstand van het huis van Kajafas naar dat van Pilatus. Dien gansen weg voerden zij Hem door de straten van Jeruzalem, toen zij zich in den morgen met mensen begonnen te vullen, ten einde Hem tot een schouwspel der wereld te maken.
4. Zij gaven Hem over aan Pontius Pilatus, overeenkomstig hetgeen Christus dikwijls gezegd had, namelijk dat Hij den heidenen overgeleverd zou worden. Beiden Joden en heidenen waren strafschuldig voor Gods gericht, en besloten onder de zonde, en Christus moest de Zaligmaker wezen van Joden en heidenen, daarom is Christus onder het oordeel van Joden en heidenen gebracht, en hebben zij beiden de hand gehad in Zijn dood. Zie hoe deze verdorven kerkregeerders misbruik maken van de burgerlijke overheid, haar gebruikende ter volvoering van hun onrechtvaardige raadsbesluiten, en hoe zij de moeite aandoen, die zij hadden voorgeschreven, Jesaja 10:1. Zo zijn ook de koningen der aarde ellendig bedrogen door de pauselijke machten, gedoemd tot het vuile werk om met het zwaard van den krijg, zowel als met het zwaard der gerechtigheid, diegenen uit te roeien, die zij, terecht of te onrecht, als ketters hebben gebrandmerkt, en dat wel tot groot nadeel van hun eigen belangen.
II. Het geld, dat zij aan Judas betaald hebben voor zijn verraden van Christus, wordt hun door hem teruggebracht, en Judas, in vertwijfeling zijnde, verworgde zich. In hun gerechtelijke vervolging van Christus hebben de overpriesters en de ouderlingen er zich op beroepen, dat Zijn eigen discipel Hem aan hen heeft verraden, maar nu, in het midden dier vervolging, ontvalt hun dit steunsel, en zelfs hij wordt nu een getuige voor Christus' onschuld en een gedenkteken van Gods gerechtigheid, hetwelk diende:
1. Tot eer en heerlijkheid van Christus temidden van Zijn lijden en als een proeve van Zijne overwinning over Satan, die in Judas was gevaren.
2. Tot waarschuwing aan Zijne vervolgers en om hen des te meer zonder verontschuldiging te laten. Indien hun hart er niet ten volle op gezet was om dit kwaad te doen, dan zou hetgeen Judas zei en deed hen nu toch van hun vervolging hebben moeten doen afzien.
a. Het berouw van Judas. Het was niet zoals het berouw van Petrus, die geloofde en vergeving ontving, neen, hij had berouw, maar vertwijfelde en stortte zich in het verderf. Merk hier nu op: Wat hem tot berouw heeft gebracht. Het was, toen hij zag dat Christus veroordeeld was. Waarschijnlijk heeft Judas gedacht, dat Christus of uit hun handen was ontkomen, of Zijne zaak zo voor hun rechtbank had bepleit, dat Hij werd vrijgesproken, en dan zou Christus de eer, de Joden de schande en hij het geld hebben gehad, zonder dat er kwaad was aangericht. Hij had geen reden dit te denken, want hij had zijn Meester dikwijls horen zeggen, dat Hij gekruisigd moest worden. Toch heeft hij het waarschijnlijk wèl gedacht, en toen de uitkomst niet aan zijne ijdele verwachting heeft beantwoord, heeft hem die ontzetting bevangen, daar hij zag dat de stroom sterk was tegen Christus, en Hij er zich door liet medevoeren. Zij, die de daden afmeten naar de gevolgen er van, veeleer dan naar de wet Gods, zullen bevinden, dat zij zich in hun maatregelen hebben vergist. De weg der zonde is bergafwaarts, en wij kunnen ons zelven niet gemakkelijk op dien weg tot stilstaan brengen, veel minder nog kunnen wij het anderen, die wij op dien zondigen weg gebracht hebben.
Hij heeft berouw gehad, dat is: hij was vervuld van droefheid, angst en toorn op zich zelven, toen hij nadacht over hetgeen hij gedaan had. Toen hij verzocht werd om zijn Meester te verraden, hadden de dertig zilveren penningen er zeer fraai en blinkend uitgezien, zoals de wijn die zich rood vertoont, als hij in den beker zijne verve geeft. Maar toen de zaak gedaan en het geld betaald was, was het zilver tot schuim geworden, het beet als een slang en stak als een adder. Nu is zijn geweten ontwaakt: "Wat heb ik gedaan! Welk een dwaas, welk een ellendig wezen ben ik, mijn Meester te verkopen en al mijne vertroosting en zaligheid in Hem voor zulk ene beuzeling! Al de mishandelingen en smaadheden, die Hem zijn aangedaan, komen mij ten laste, het is mijne schuld, dat Hij gebonden en veroordeeld is, bespogen en geslagen wordt. Weinig dacht ik, dat het daartoe komen zou, toen ik dien goddelozen koop sloot, zo dwaas was ik, en zo dom, en zo als een onvernuftig beest." Nu vloekt hij de beurs die hij had gedragen, het geld waarnaar hij zo begerig was, de priesters met wie hij had onderhandeld, en den dag waarop hij was geboren. De herinnering aan zijns Meesters goedheid voor hem, die hij op zo laaghartige wijze had vergolden, de ingewanden der barmhartigheid, die hij met minachting had afgewezen, en de waarschuwingen, die hij in den wind had geslagen, verstaalden zijne overtuiging van schuld en maakten haar tot een scherpe vlijm. Nu bevond hij de waarheid van het woord zijns Meesters: Het ware hem goed, zo die mens niet geboren was geweest. De zonde zal weldra van smaak veranderen. Hoewel zij in den mond zoet is, zodat men het verbergt onder de tong, zal zij in het ingewand veranderd worden, zodat zij gal der adderen is in het binnenste, Job 20:12-14, zoals het boek van Johannes, Openbaring 10:9. Wat de aanduidingen waren van zijn berouw.
Ten eerste. Hij heeft de dertig zilveren penningen den overpriesters en den ouderlingen weder gebracht, toen zij allen in het openbaar bijeen vergaderd waren. Nu brandde het geld hem in zijn geweten, en hij had er thans een even groten afkeer van, als hij er vroeger begerig naar geweest is. Onrechtvaardig verkregen goed gedijt niet, Jeremia 13:10, Job 20:15. Indien hij berouw had gehad, en het geld terug had gebracht eer hij Christus had overgeleverd, hij zou het hebben kunnen doen met vertroosting voor zijn hart, dan was hij welgezind geweest terwijl hij nog op den weg was, maar nu was het te laat, nu kan hij het niet doen zonder afgrijzen, duizend maal wensende, dat hij er zich nooit mede had ingelaten, Jakobus 5:3. Hij bracht het weer. Wat onrechtmatig verkregen is, moet niet worden behouden, want dat is volharden in de zonde, waardoor het verkregen werd, en ene verdediging er van is niet bestaanbaar met berouw. Hij bracht het weer aan hen, van wie hij het ontvangen had, om hun te doen weten, dat hij er berouw van had den koop gesloten te hebben. Zij, die anderen gediend en verhard hebben in de zonde, behoren, als God hun berouw schenkt, dit te laten weten aan hen, in wier zonde zij gedeeld hebben, opdat het een middel moge zijn om hen tot berouw en bekering te brengen.
Ten tweede. Hij beleed zijne schuld vers 4, Ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloed!
1. Tot eer van Christus noemt hij Zijn bloed onschuldig. Indien Hij schuldig ware geweest aan zondige praktijken, dan zou Judas dit voorzeker hebben geweten, en als Zijn verrader, zou hij het dan ook hebben ontdekt, maar vrijwillig, en zonder er door iemand toe gedrongen te zijn, verklaart hij dat Hij onschuldig is, en dat tegenover allen, die Hem schuldig hadden verklaard.
2. Tot zijn eigen schande. Hij bekent dat hij gezondigd heeft, verradende het onschuldig bloed. Hij geeft niemand anders de schuld, hij zegt niet: Gij hebt gezondigd, mij hurende om dit te doen, maar hij neemt het alles op zich, voor zijne rekening, ik heb gezondigd, door dit gedaan te hebben. Tot zover is Judas met zijn berouw gekomen, maar toch was het niet tot zaligheid. Hij beleed zijne zonde, maar niet aan God. Hij is niet tot Hem gegaan om te zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel. Hij beleed zijn verraden van onschuldig bloed, maar zijn goddeloze geldgierigheid, die de wortel was van dat kwaad, heeft hij niet beleden. Er zijn de zodanige, die Christus verraden en er zich nog in rechtvaardigen, en zo staan zij dan nog achter bij Judas.
b. Zie hoe de overpriesters en ouderlingen Judas' berouwvolle bekentenis hebben opgenomen: Wat gaat ons dat aan? zeiden zij, gij moogt toezien. Hij maakte hen tot zijne biechtvaders, en dat was de absolutie, die zij hem gaven, meer gelijk priesters van den duivel dan gelijk priesters van den heiligen, levenden God. Zie op hoe onverschillige wijze zij spraken van het verraden van Christus. Judas had hun gezegd, dat het bloed van Christus onschuldig bloed was, en zij zeiden: Wat gaat ons dat aan? Ging het hun niet aan, dat zij gedorst hadden naar Zijn bloed, Judas gehuurd hadden om het te verraden, en het nu veroordeeld hadden om onrechtvaardiglijk te worden vergoten? Gaat hun dit niet aan? Houdt dit hen niet tegen in hun geweld, in hun heftige vervolging, is het hun geen waarschuwing om toe te zien bij hetgeen zij doen aan dezen Rechtvaardige? Aldus spotten de dwazen met de zonde, alsof er geen kwaad mede gedaan wordt, aan het bedrijven der grootste goddeloosheid geen gevaar was verbonden. Zo weinig weegt bij velen Christus gekruisigd, wat gaat het hun aan, dat Hij dit alles heeft geleden? Zie met welk ene onverschilligheid zij spreken van de zonde van Judas. Hij zei: Ik heb gezondigd, en zij zeiden: Wat gaat ons dat aan? Wat hebben wij van doen met uw zonde, dat gij er ons van spreekt? Het is dwaasheid om te denken, dat de zonden van anderen ons niet aangaan, inzonderheid die zonden, waaraan wij op de een of andere wijze medeplichtig zijn. Gaat het ons niet aan, dat God onteerd wordt, de zielen worden gewond, aan Satan genoegen wordt gedaan, zijne belangen worden gediend, en wij hieraan hebben medegedaan? Als de oudsten van Jizreël, om aan Isebel genoegen te doen, Naboth vermoorden, gaat dit dan Achab niet aan? Voorzeker wel, hij heeft doodgeslagen, en hij heeft bezit genomen, 1 Koningen 21:19. De schuld der zonde wordt niet zo gemakkelijk overgedragen als sommige mensen wel denken. Indien er schuld in de zaak is, dan zeggen zij aan Judas, dat hij moet toezien, dat hij haar moet dragen. Ten eerste, omdat hij Hem aan hen heeft overgeleverd. Zijn zonde is inderdaad groter, Johannes 19:11, maar hieruit volgt niet, dat zij geen zonde hadden. Het is een dagelijks voorkomend voorbeeld van de bedrieglijkheid van ons hart, om onze eigen zonden te verkleinen door anderer zonden te verzwaren. Maar het oordeel Gods is naar waarheid, niet naar vergelijking. Ten tweede. Omdat hij wist en geloofde, dat Christus onschuldig was. Indien hij onschuldig is, gij moogt toezien, wij weten dat niet, wij hebben uitgewezen dat hij schuldig is, en mogen hem dus rechtvaardiglijk als zodanig vervolgen. Slechte praktijken worden ondersteund door slechte beginselen, inzonderheid door dit beginsel: Dat zonde alleen zonde is voor hen, die haar zonde achten te zijn, dat het geen kwaad is om een goed man te vervolgen, als wij denken dat hij een slecht man is, maar zij, die denken aldus met God te kunnen spotten, zullen slechts zich zelven bedriegen en zich zelven in het verderf storten. Zie met welk ene onverschilligheid zij spreken van die overtuiging van schuld, van verschrikking en naberouw, waaronder Judas was gekomen. Zij wilden hem gaarne gebruiken in de zonde, en toen was hij hun lief. Niemand was hun meer welkom dan Judas, toen hij zei: Wat wilt gij mij geven, en ik zal hem u overleveren? Toen zeiden zij niet: Wat gaat ons dat aan? Maar nu zijn zonde dien angst over hem had gebracht, gaven zij niet om hem, hadden zij hem niets te zeggen, maar lieten hem over aan zijne verschrikkingen en angsten. Wat behoefde hij ook tot hen te komen met zijn naargeestige inbeeldingen? Zij hadden wel wat anders te doen dan zich met hem bezig te houden. Maar waarom zijn zij zo beschroomd, zo omzichtig? Ten eerste. Wellicht waren zij wel een weinigje bevreesd, dat de vonken van zijne overtuiging, als zij al te nabij kwamen, een vuur in hun eigen geweten zouden doen ontsteken, en dat zij, naar zijn klagend gekerm luisterende, opgeschrikt zouden worden om in zijne overtuiging te delen. Hardnekkige zondaren zijn op hun hoede tegen overtuiging van schuld, en zij die vast besloten zijn tot onboetvaardigheid, zien minachtend neer op den boetvaardige. Ten tweede. Zij waren niet geneigd Judas te hulp te komen, toen zij hem in den val gebracht hadden, lieten zij er hem niet slechts in liggen, maar belachten hem. Zondaren, die onder overtuiging van zonde zijn gekomen, zullen bevinden dat hun oude metgezellen in de zonde ellendige vertroosters zijn. Die het verraad liefhebben, zullen gewoonlijk den verrader haten.
c. Het uiterste der wanhoop, waartoe Judas hierdoor werd gedreven. Indien de overpriesters hem hadden beloofd van de vervolging af te zien, het zou hem tot enige vertroosting hebben gestrekt, maar geen hoop hierop bespeurende, verviel hij tot wanhoop, vers 5. Hij wierp de zilveren penningen in den tempel. De overpriesters wilden het geld niet aannemen, uit vrees van daardoor de gehele schuld op zich te nemen, terwijl zij er Judas den last van wilden laten dragen. Judas wilde het geld niet houden, het was te heet in zijne handen, daarom wierp hij het neer in den tempel, opdat het, of zij wilden of niet, den overpriesters toch in handen zou komen. Hij vertrok, en heengaande verworgde zich zelven. Hij vertrok-anechoorêse -hij trok zich terug in een eenzame plaats, gelijk de bezetene, die door den duivel in de woestijnen werd gedreven, Lukas 8:29. Wee hem, die vertwijfelt en alleen is. Indien Judas tot Christus ware gegaan, of tot sommigen der discipelen, wellicht zou hij, ontzettend als zijn zaak en toestand was, toch nog enigerlei verlichting hebben gevonden, maar die verlichting niet vindende bij de overpriesters, heeft hij zich aan wanhoop overgegeven, en dezelfde duivel, die hem met de hulp der priesters tot de zonde gebracht heeft, heeft hem nu met hun hulp tot wanhoop gebracht. Ten tweede. Hij werd zijn eigen scherprechter. Hij verworgde zich, hij stikte van droefheid, zegt de een, maar de ander is er van overtuigd, dat de vertaling: Hij verworgde zich, juist is. Judas had bewustheid van zonde, maar geen begrip van Gods genade in Christus, en zo teerde hij uit in zijne ongerechtigheid. Zijne zonde was, naar wij mogen veronderstellen, uit haren aard niet onvergeeflijk, er zijn mensen verlost en behouden, die verraders en moordenaars van Christus geweest zijn, maar, evenals Kaïn, kwam hij tot de gevolgtrekking, dat zijne ongerechtigheid groter was dan dat zij vergeven zou worden, en zo wilde hij zich liever op des duivels genade werpen dan op Gods genade. Sommigen hebben gezegd, dat Judas meer gezondigd heeft in zijn wanhopen aan Gods genade, dan in zijn verraden van zijns Meesters onschuldig bloed. Nu hebben de verschrikkingen des Almachtigen zich in slagorde tegen hem gesteld. Al de vervloekingen, geschreven in Gods boek, gingen nu in zijn binnenste als het water, en als de olie in zijne beenderen, Psalm 109:18, gelijk dit van hem voorspeld was, en dreven hem tot dit wanhopig redmiddel om, ten einde aan de hel in zijn binnenste te ontkomen, zich neer te storten in de hel, die voor hen was, en die slechts de vervollediging en de voortduring was van dit afgrijzen en die vertwijfeling. Hij werpt zich in het vuur, om aan de vlam te ontkomen, maar rampzalig is de toestand van een mens, die naar de hel gaat, om verlichting en verademing te vinden. In dit verhaal nu hebben wij:
1. Een voorbeeld van het rampzalig einde van diegenen, in wie Satan gevaren is, en inzonderheid van hen, die zich aan de liefde tot het geld hebben overgegeven. Dat is het verderf en de ondergang, waarin velen verzinken. 1 Timotheus 6:9, 10. Herinner u hetgeen van de zwijnen geworden is, waarin, en van den verrader in wie, de duivel gevaren is, en geef den duivel gene plaats.
2. Wij hebben een voorbeeld van den toorn Gods, geopenbaard van den hemel over de goddeloosheid en ongerechtigheid der mensen, Romeinen 1:18. Gelijk wij in de geschiedenis van Petrus de goedheid Gods aanschouwen en de overwinningen van Christus' genade in de bekering van sommige zondaren, zo zien wij in de geschiedenis van Judas de strengheid Gods en de overwinningen van Christus' macht en gerechtigheid in de beschaming van andere zondaren. Toen Judas, in wie de Satan gevaren was, zich aldus had verworgd, heeft Christus, de overheden en machten uitgetogen hebbende, die in het openbaar tentoongesteld, Colossenzen 2:15.
3. Wij hebben hier de ontzettende uitwerkselen der wanhoop, zij eindigt dikwijls in zelfmoord. Droefheid, zelfs droefheid over de zonde, die niet naar God is, werkt den dood, 2 Corinthiërs 7:10, de ergste soort van dood, want een verslagen geest, wie zal dien opheffen? Laat ons zo slecht van de zonde denken als wij kunnen, mits wij maar niet denken, dat zij onvergeeflijk is, laat ons wanhopen aan hulp in of van ons zelven, maar niet aan hulp van God. Hij, die zijn geweten tot rust denkt te brengen door zich het leven te benemen, daagt God uit om nu maar het ergste met hem te doen. En zelfmoord, hoewel door sommigen van de heidense moralisten voorgeschreven, is zeer zeker een middel, erger dan de kwaal, hoe schrikkelijk die kwaal dan ook zij. Laat ons op onze hoede zijn tegen het begin van neerslachtigheid, en bidden: Heere, leid ons niet in verzoeking.
d. Hoe over het geld, dat Judas terugbracht, beschikt werd, vers 6-10. Er werd een akker voor gekocht, genaamd de akker des pottenbakkers, omdat de een of andere pottenbakker er de eigenaar van was, of hem in bezit had, of er dichtbij woonde, of omdat er de gebroken vaten van den pottenbakker op geworpen werden. En deze akker werd nu bestemd tot ene begraafplaats voor de vreemdelingen, dat is: van bekeerlingen tot den Joodsen Godsdienst, die tot andere natiën behoorden, en, ter aanbidding naar Jeruzalem gekomen zijnde, aldaar gestorven waren. Dit lijkt nu wel een voorbeeld van hun menslievendheid, dat zij zorg droegen voor de begrafenis van vreemdelingen, en het duidt ook aan, dat zij-gelijk Paulus zegt, Handelingen 24:15, -zelven verwachtten, dat er ene opstanding der doden wezen zal, beiden der rechtvaardigen en der onrechtvaardigen, want wij dragen zorg voor het dode lichaam, niet alleen omdat het de woning is geweest van een redelijke ziel, maar ook omdat het dit wederom zijn zal. Maar het was geen voorbeeld van hun nederigheid, dat zij voor vreemdelingen een afzonderlijke begraafplaats wilden hebben, alsof dezen niet waardig waren om in hun begraafplaatsen gelegd te worden. Vreemdelingen moeten levend of dood op een afstand blijven, en dat beginsel moet zelfs meegaan in het graf. Houdt u bij uzelven, naakt tot mij niet, want ik ben heiliger dan gij, Jesaja 65:5. De kinderen Heths waren beter gezind jegens Abraham, hoewel hij een vreemdeling in hun midden was, toen zij hem de keur hunner graven aanboden, Genesis 23:6. Maar de vreemden, die zich tot den Heere voegen, zullen, al zijn zij ook afzonderlijk begraven, opstaan met allen, die in Christus zijn gestorven. Dit kopen van den akker des pottenbakkers heeft niet plaatsgehad op den dag van Christus' dood (toen hadden zij het te druk om aan iets anders te denken, dan Hem te vervolgen en te kwellen), maar niet lang daarna, want Petrus spreekt er van kort na Christus' hemelvaart. Het wordt hier echter vermeld: Ten eerste. Om de geveinsdheid der overpriesters en ouderlingen in het licht te stellen. Boosaardiglijk vervolgden zij den gezegenden Jezus, maar nu
1. Bekruipt hen een gewetensbezwaar, om het geld in de offerkist, of corban, van den tempel te leggen, waarmee zij den verrader hadden gehuurd. Hoewel zij het misschien uit de offerkist hadden genomen, voorgevende dat het ten algemenen nutte diende, en hoewel zij grote ijveraars waren voor het corban en alle pogingen in het werk stelden, om er het vermogen der natie in te laten vloeien, wilden zij er nu toch het geld niet in leggen, omdat het de prijs des bloeds was. De huur van een verrader achtten zij gelijk hoerenloon, en de prijs van een kwaaddoener (zulk enen als zij Christus verklaarden te zijn) gelijk aan den prijs van een hond, welke geen van beiden in het huis des Heeren gebracht mocht worden, Deuteronomium 23:18. Aldus zullen zij hun goeden naam en gezag hoog houden onder het volk, door hun een denkbeeld te geven van hun groten eerbied voor den tempel. Aldus hebben zij, die een kameel doorzwelgden, de mug uitgezegen.
2. Zij denken hetgeen zij gedaan hadden te vergoeden door deze goede daad om ene begraafplaats voor de vreemdelingen te bezorgen, al was het dan ook niet op hun kosten.Aldus heeft men in tijden der onwetendheid den mensen doen geloven, dat het bouwen van kerken en het stichten of begiftigen van kloosters ene vergoeding was voor een onzedelijk leven.
Ten tweede. Om de gunst aan te duiden, die door het bloed van Christus ook voor vreemdelingen, en zondaren uit de heidenen verworven is. Door den prijs van Zijn bloed is ene rustplaats voor hen voorzien na den dood. Zo hebben velen der ouden dezen tekst verklaard en toegepast. Het graf is de akker des pottenbakkers, waar de lichamen heen geworpen worden als verachte en gebroken vaten, maar Christus heeft het met Zijn bloed gekocht voor hen, die zich vreemdelingen belijdende op de aarde, het betere land zoeken. Hij heeft er den eigendom van veranderd, (zoals een koper doet) zodat thans de dood onzer is en het graf onzer is, als een legerstede der ruste voor ons. De Duitsers noemen ene begraafplaats Godsakker, want daarin zaait God Zijn volk, als een tarwegraan, Johannes 12:24, Hosea 2:22, Jesaja 26:19.
Ten derde. Tot eeuwige schande van hen, die het bloed van Christus verkocht en gekocht hebben. Deze akker werd gewoonlijk Akeldama, dat is: akker des bloeds genoemd, niet door de overpriesters, want zij hoopten in deze begraafplaats de gedachtenis aan hun eigen misdaad te begraven, maar door het volk, dat nota nam van Judas' bekentenis, dat hij het onschuldige bloed had verraden, hoewel de overpriesters dit van gene betekenis achtten. Zij gaven dien naam aan den akker tot een eeuwige gedachtenis. Gods voorzienigheid heeft velerlei middelen om schande te verbinden aan de boze praktijken zelfs van groten of aanzienlijken, die, hoewel zij hun schande zoeken te bedekken, tot eeuwige versmaadheden zullen gesteld worden.
Ten vierde. Opdat wij zien hoe de Schrift was vervuld, vers 9, 10. Toen is vervuld geworden hetgeen gesproken is door den profeet Jeremia. De aangehaalde woorden worden gevonden in Zacheria 11:12, 13. Hoe zij hier gezegd worden door Jeremia te zijn gesproken, is ene vraag, die moeilijk is op te lossen, maar de geloofwaardigheid van Christus' leer hangt daar niet van af, want die bewijst zich Goddelijk te zijn, al zou er dan ook ten opzichte van onbeduidende omstandigheden in de schrijvers er van iets menselijks opgemerkt worden. In de Syrische overzetting, die zeer oud is, vinden wij alleen de woorden: hetgeen gesproken is door den profeet, zonder een naam te vermelden, waarom sommigen gedacht hebben, dat Jeremia er door een overschrijver is bijgevoegd. Sommigen zijn van mening, dat al de profetieën in een boek verzameld zijnde, en de profeet Jeremia daar het eerst in voorkomende, het voor een overschrijver niet ongepast of onjuist is, om ene plaats uit dat boek onder zijn naam aan te halen. De Joden plachten te zeggen: De geest van Jeremia was in Zacharia, en zo waren die beiden dan als een profeet. Sommigen vermoeden dat de woorden gesproken zijn door Jeremia, maar geschreven zijn door Zacharia, of wel, dat Jeremia het negende, tiende en elfde hoofdstuk van Zacharia geschreven heeft. Nu is deze plaats in de profetie ene voorstelling van de grote minachting van God, die toen onder de Joden gevonden werd, en hoe weinig zij Hem vergolden de rijke zegeningen, die zij van Hem hadden ontvangen. Maar hier werd in werkelijkheid gedaan, wat dáár slechts zinnebeeldig is uitgedrukt. De som gelds is gelijk, dertig zilverlingen, dit wogen zij voor zijn loon, daarop hebben zij Hem geschat! een heerlijke prijs! en deze werd in het huis des Heeren geworpen voor den pottenbakker, en dit is hier letterlijk vervuld. Wij zouden hetgeen er in Gods voorzienigheid voorvalt beter begrijpen, indien wij beter bekend waren met de taal en de uitdrukkingen der Schrift, want ook dezen zijn soms zo duidelijk op de beschikkingen der Voorzienigheid geschreven, dat wie voorbijloopt ze lezen kan. Wat David in overdrachtelijken zin gesproken heeft, Psalm 42:8, is door Jona in letterlijken zin toegepast: Al Uwe baren en Uwe golven gingen over mij heen, Jona 2:3. Het geven van den prijs van Hem, die geschat werd, niet voor Hem, maar voor den akker des pottenbakkers, duidt aan: De hoge waarde, waarop Christus geschat behoort te worden. De prijs werd betaald, niet voor Hem, neen, toen hij voor Hem betaald werd, werd hij spoedig teruggebracht, met verachting als oneindig ver beneden Zijne waardij, Hij kan niet geschat worden tegen fijn goud van Ofir, en evenmin kan deze onuitsprekelijke gave met geld worden gekocht. De lage prijs, waarop Hij geschat werd. De kinderen Israël's hebben Hem wel zeer onderschat, toen die prijs slechts reikte om er een pottenbakkersakker voor te kopen, een armzalig plekje gronds, dat het aanzien niet waard was. Het was nog een toedoen aan Zijne versmaadheid in Zijn gekocht en verkocht worden, dat het voor zo gering een prijs was. Werp ze voor den pottenbakker, heet het in Zacharia, een gering koopman, geen aanzienlijk handelsman, die in zaken van waarde handelt. En merk op, het waren de kinderen Israël's, die Hem aldus onderschatten, zij die van Zijn eigen volk waren en beter hadden moeten weten, op hoe hoge waardij zij Hem hadden behoren te stellen, zij, tot wie Hij eerst was gezonden, wier heerlijkheid Hij was, en die Hij zo hoog had gewaardeerd en zo duur had gekocht. Hij heeft eens konings rantsoen voor hen gegeven, en de rijkste landen-zo kostelijk waren zij geweest in Zijne ogen-Egypte, Morenland en Seba, maar zij gaven het rantsoen eens slaafs voor Hem, Exodus 21:32, en schatten Hem slechts naar de waardij van den akker eens pottenbakkers. Zo is dat bloed vertreden geworden, hetwelk het koninkrijk der hemelen voor ons heeft gekocht. Maar dit alles was volgens hetgeen de Heere bevolen had, zo was het profetisch visioen, dat een type was van deze gebeurtenis, en zo was de gebeurtenis zelf, gelijk ook de andere omstandigheden van het lijden van Christus, naar den bepaalden raad en voorkennis Gods.