10. a) Want de droefheid naar God, zoals die tot mijn blijdschap bij u heeft plaats gevonden (
Vers 9), werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid; maar de droefheid van de wereld, zoals die zich ook van u zou hebben kunnen meester maken, als Gods genade dat niet had afgewend, werkt de dood Uit 27:5.
a) 2 Samuël 12:13. Mattheus 26:75. Lukas 18:13.
De droefheid naar God is, evenals in Vers 9, die, die met God, met diens wil, diens bedoelingen overeenstemt. Het is die, die bekering, zinsverandering teweeg brengt, dus niet eindigt in een onvruchtbare smart, maar door de smart van het berouw, door belijdenis en geloof tot God trekt. Deze droefheid naar God werkt de bekering tot zaligheid, want zaligheid, redding, heil van God is haar vrucht; een bekering, die niemand tot leed kan zijn. De droefheid van de wereld daarentegen is de droefheid zoals de wereld die kent en ondervindt. Bij haar wordt ook de droefheid over bedreven zonde een, die de dood veroorzaakt, omdat haar de kracht van de boete, het licht van het geloof ontbreekt. Maar de dood, die zij werkt, is dezelfde, die in Romeinen 6:23 de bezoldiging van de zonde heet, in al de omvang, die het begrip daar heeft en niet met beperking tot de lichamelijke dood.
De droefheid, die met de gezindheid van God overeenstemt, die naar God is, is een zodanige, waarin de mens geheel en alleen naar God zoekt, zodat hem dit smart en bekommert, dat hij de goddelijke regelingen geschonden, de zaak van God te kort gedaan, de eer van God gekrenkt, zich Zijn heilige liefde onwaardig gedragen heeft. In die afkeuring van de zonde ligt een ware zinsverandering, die aan de kant van de mensen de hindernis van het intreden in de gemeenschap van de goddelijke zaligheid uit de weg ruimt. Deze smart is een vuur, dat de ziel geheel doorloutert en zo'n gereinigde is op de zekere weg ten eeuwigen leven. Wat de genade van God hem heeft toegedacht, wat de verzoening van Christus voor hem heeft teweeg gebracht, daartoe wordt hij door zodanige gemoedsverandering, die alleen als werk van de Heilige Geest kan worden gedacht, bekwaam en waardig. Er is echter ook een andere droefheid, zoals die bij de van God vervreemde, van God afgekeerde mensen gevonden wordt. Zulke mensen zijn enigszins verstoord en geërgerd daarover, dat hun verkeerd gedrag openbaar is geworden, dat het hun berisping en kwade naam heeft berokkend dat zij daarom in straf en allerlei ellende vervallen zijn, dat zij in eer bij mensen of tijdelijk goed, in genot of het aangename van het leven schade hebben geleden; de zonde zelf en hun verhouding tot God en de goddelijke wet, dus ook het schenden van de liefde tot de naaste en het stremmen of verstoren van de gemeenschap met God bekommert hen niet. Bij zo'n droefheid is en blijft de mens op de weg tot de dood, tot het eeuwig verderf, tot het uitgesloten zijn van het rijk van God.
De droefheid naar God heeft tot grond de kennis van het geloof van de goddelijke weldaden en de diepe gruwel van de zonde; de droefheid naar de wereld kent Gods barmhartigheid niet en sticht nieuwe wanhoop, ergere moedwil, omdat men toch verdoemd is en ten slotte zelfs verstoktheid. Ook vrome gemoederen zijn niet vrij van verzoekingen tot droefheid naar de wereld; achter de ongelukkige melancholie, als men in moedeloosheid bij de smart over de zonde en het verderf blijft staan, is de moordenaar van het begin verborgen, die geen goedgezinde ziel een vrolijk uur in God gunt en haar daarom ook onder de schijn van goed vervolgt. De geest van de duisternis brengt het vaak daartoe, dat de mensen uit buitengewone droefheid het goede verlaten, geen lust en kracht meer daartoe behouden, waartoe de herinnering van zonde vóór de bekering bedreven, veel kan bijdragen; daarom moet men zich aan de verkeerde voorstelling van de slang niet storen, die onder voorwendsel van verootmoediging zulke gruwelen weer boven haalt, die door God zelf reeds in de diepte van de zee zijn geworpen. Evenmin moet dit plaats hebben ten opzichte van de gebreken, die nog van de zondige natuur overig zijn.
Droefheid van de wereld wordt aldus genoemd in tegenstelling van droefheid naar God. Het is dus droefheid niet naar God, maar van de wereld. Geen smart, die de treurende naar God doet opzien, die hem God tegemoet, God in de armen voeren kan, maar een leedwezen, dat van de wereld begint en in de wereld eindigt; het jammeren van wereldgezinde harten over het werelds leed, dat hun de vreugde van de wereld ontrooft of vergalt. Deze droefheid kan groter of geringer, meer wezenlijk of meer ingebeelde rampen beschreien. Zij kan een belangwekkender of terugstotender, een zachter of een woester vorm aannemen; zij blijft droefheid van de wereld, zolang zij niet is droefheid naar God, zolang zij de bedroefde van niets anders dan van zichzelf en zijn leed vervult. Droefheid van de wereld is de droefheid van die ongelukkige, die het verlies van werelds goed of werelds aanzien niet te boven kan komen, omdat dit werelds goed, dit werelds aanzien zijn alles was, toen hij het bezat en zijn alles blijft, nadat hij het moest verliezen. Maar evenzeer is het de droefheid van die beklagenswaardige Rachel, die haar kinderen beweent en niet vertroost wil zijn. Niet slechts het jammeren van de wanhopige, die de dag van zijn geboorte vervloekt en God rekenschap afeist van de "ongehoorde" rampen, die Hij over hem brengt, maar ook de treurende liefde, die van het gemiste voorwerp, die van haar smart zelf haar afgod maakt, is niet meer of beter dan droefheid van de wereld. Die droefheid van de wereld werkt soms niet met al; haar bitterste tranen zijn snel gedroogd. Het hart bekomt schielijk van de schok en het veerkrachtig leven herneemt zijn plooi. Het is hetzelfde hart, hetzelfde leven nog, voor wereldvreugde zo vatbaar als ooit te voren. Maar als de droefheid van de wereld iets werkt, het is de dood. Wat zou het anders wezen? Het is niet dan door zijn verwantschap tot de ware troost, door zijn zich wenden tot de Bron van de vertroosting, dat er een vruchtbaar, dat er een zegenrijk wenen wezen kan, maar voor de droefheid van de wereld bestaat deze verwantschap niet en zij maakt een tegenovergestelde beweging. Zij is droefheid en niet anders dan droefheid. Droefheid nu is op zichzelf dodelijk en vergif voor lichaam en ziel. De droefheid van de wereld werkt de dood. Zij werkt de wanhoop, die een misdadige hand aan eigen leven doet slaan; werkt de kwijning, die de levenskracht sloopt. Velen zijn van smart gestorven; anderen hebben door tegenzin in het leven een leven voortgesleept, erger dan de dood. De droefheid van de wereld werkt de dood, de dood van de ziel. Sommigen heeft zij tot razernij vervoerd, anderen in sombere mijmering doen wegzinken; bij deze bracht zij godslastering, bij gene mensenhaat, bij velen een eigenaardige en hardnekkige vorm van eigenbaat teweeg. Sommigen zijn door droefheid trots, anderen wreedaardig geworden; anderen onverschillig, dof, verstompt. Velen heeft zij de verraderlijke beker van de bedwelming doen aangrijpen. Bedwelming van wijn en sterke drank, bedwelming van wellust, spel, verstrooiing, slecht gezelschap, kwade samensprekingen, zedeloze boeken, verstrooiingen van de wereld, nog dodelijker dan haar droefheid zelf. En zelfs waar zij voorbijgaande was en niets scheen gewerkt te hebben, was het niet zo, maar had zij in het verborgene, had zij in meerdere of mindere mate iets van dit alles gedaan. Geen behoudenis van de zondige mens zonder bekering. Wij weten, dat hij niet zichzelf, dat God in Jezus Christus hem behoudt. Wij weten, dat hij niet door zijn bekering, maar door zijn geloof deel heeft aan de behoudenis, die in Christus Jezus is. Maar wij weten ook, dat geen zondig mens, dat wil zeggen geen enkel mens, in zijn behoudenis door Christus Jezus geloven kan, tenzij hij zich bekeert. Wat is bekering? Wat die bekering, waarvan de heilige apostel spreekt in de uitspraak, die wij bepeinzen? Het is die zinsverandering, het is die innerlijke omzetting, waardoor de mens van de wereld herschapen wordt in een mens naar God. De mens van de wereld is een mens niet naar God, maar naar de wereld. Ondanks zijn mindere of meerdere eerbied voor het Goddelijk wezen, is zijn hart niet Godewaarts maar wereldwaarts gekeerd. De wereld, het middenpunt van zijn geluk, al zijn eer, al zijn genoegens, is ook het middenpunt van zijn meeste gedachten, vurigste neigingen, onmiddellijke uitzichten. Voor haar de opofferingen, voor haar de inspanning van de beste krachten. Zeker, zij is de afgod, die meer gehoorzaamd wordt dan God! Want zo God gehoorzaamd wordt, het is slechts voor zover de wereld de gehoorzaamheid aannemelijk maakt en met wereldse beloningen vereert. Van deze mens is het tegenbeeld de mens naar God. De mens naar God moge zijn gebreken hebben, zoals de mens van de wereld zijn deugden, maar zijn hart is voor God. Hij keert zich Godewaarts, zoals de bloem naar het licht, zoals de kompasnaald naar het Noorden. Hij voelt wat het zegt God lief te hebben met geheel zijn hart, geheel zijn verstand, geheel zijn ziel en alle krachten. Hij doet het, hij is nog een zondig mens, hij struikelt nog in velen, hij kan nog vallen; niet dat hij het al verkregen heeft, of al volmaakt is. Maar hij kan zich niet meer gelukkig voelen zonder het welgevallen van God, zonder de gemeenschap van God, zonder de gehoorzaamheid aan God! Voor dit geluk, dat hij vroeger niet kende, heeft hij zijn gehele hart geopend; om dat geluk de strijd met een wereld aanvaard, die hij beurtelings placht te dienen en te vrezen. En dat is zijn bekering, zijn onberouwelijke bekering, want het berouwt niemand gelukkig te zijn geworden; het kan niemand berouwen een schijngeluk voor waarachtige zielenvrede te hebben verworpen. Maar dit geluk, deze vrede ontluikt niet dan uit tranen van smart. Geen bekering zonder droefheid naar God. De nieuwe mens wordt in de droefheid naar God geboren. De droefheid naar God is de bekering zelf niet, maar zij werkt de bekering, de onberouwelijke bekering tot zaligheid. De aanvang en uitgang van deze is uit haar. Als het ogenblik komt, waarin de mens van de wereld niet, maar de jammeren van de wereld, maar zijn eigen wereld voelt, dan wordt al het leed van de wereld weinig bij dit hartenleed. Als hij diep begint te beseffen hoe weerspannig hij is geweest tegen een heilig, hoe ondankbaar tegen een goedertieren God, dan houdt het klagen op over de kastijdingen van de Rechtvaardigen; dan begint hij ook in deze de hand van de liefde te onderscheiden. Dit maakt de tranen los, de tranen van berouw en boetvaardigheid; en zij vloeien te overvloediger, naarmate de dringende behoefte aan barmhartigheid en genade door inspraken van hoop bemoedigd en door toezegging van God bevredigd wordt. Dit is de droefheid naar God. Niet de droefheid van de ongelukkigen over het ongeluk, maar de droefheid van het zondigen over de zonde en niet zijn spijt of wrevel wrake zijn droefheid naar God, voor Gods aangezicht; voor het aangezicht van Zijn heiligheid, van Zijn rechtvaardigheid, Zijn vaak zo slecht beantwoordde liefde. "Tegen U alleen heb ik gezondigd en gedaan wat kwaad was in Uw ogen! " een droefheid vol ootmoed, een droefheid niet zonder hoop. Tegelijkertijd de rechten van Gods heiligheid erkennend en tot Zijn genade de toevlucht nemend, reinigt zij het hart van de verkleefdheid aan de zonde en van het vrezen voor God; het openende voor het geloof, stemt zij het tevens tot bekering. haar tranen, die het uitwendig oog benevelen, verlichten het zielsoog om de ganse liefde van God in het Evangelie van de verzoening te zien en het hart vernieuwend, maken zij het voelbaar om te gevoelen wat het zegt en eist en hoe zoet het is God lief te hebben. Het is aldus, dat de droefheid naar God een onberouwelijke bekering tot zaligheid werkt. Een ware, goddelijke droefheid over de zonde is het werk van Gods Geest. Het berouw is een bloem, die te schoon is, dan dat zij op de natuurlijke bodem zou groeien. Parels groeien natuurlijk in de oesterschelpen, maar boetvaardigheid toont zich nooit in zondaars, tenzij de goddelijke genade ze tot stand brengt. Als u een sprankje afkeer van de zonde heeft, zo heeft u dat van God ontvangen; want de doornen van de menselijke natuur brengen nooit een enkele rijs voort. "Het ware berouw neemt de toevlucht tot de Zaligmaker. Wanneer wij onze zonden bewenen, moeten wij het een oog op de zonde vestigen en het andere op het kruis, of liever het zou nog beter zijn, wanneer wij onze beide ogen op Christus vestigen en onze zonden alleen in het licht van Zijn liefde aanschouwen.
Het oprecht berouw is geen zak en as, uitwendig aangetogen en op het hoofd gestrooid; geen gescheurd kleed, dat morgen geheeld wordt. Als een levende bron tussen de rotsen welt het op in het gebroken hart, dat zichzelf kent. Over de akker van de zielen stroomt het als een onkeerbare vloed, die de wortel bloot spoelt van alle kwaad en de grond verbetert en vruchtbaar maakt.