Prediker 1:12-18
Salomo had in het algemeen verklaard dat alles ijdelheid is, en had daar enige algemene bewijzen van gegeven en nu wendt hij de krachtigste methode aan om er de waarheid van aan te tonen.
1. Uit zijn eigen ervaring hij heeft het alles beproefd en getoetst, en hij bevond dat het alles ijdelheid is.
2. Door een gevolgtrekking uit bijzonderheden, en hier begint hij met hetgeen het meest van alles het geluk van redelijke wezens schijnt te zullen uitmaken, en dat is: kennis en geleerdheid, indien dit ijdelheid is, dan moeten alle andere dingen het ook zijn. Hieromtrent nu:
I. Zegt Salomo ons hier welke proeven hij er van genomen heeft, en dat nog wel onder zeer gunstige omstandigheden, zodat, indien er wezenlijke voldoening in te vinden ware, hij haar gevonden moest hebben.
1. Zijn hoge staat en rang gaven hem de gelegenheid om zich in alle vakken van geleerdheid te oefenen en te bekwamen, inzonderheid in de politiek en in het bestuur over de menselijke zaken, vers 12. Hij, die de prediker is van deze leer, was koning over Israël, dat alle naburige volken bewonderden als een wijs en, verstandig volk, Deuteronomium 4:6. Hij had zijn koninklijke zetel te Jeruzalem, dat toen beter dan ooit Athene verdiende het oog van de wereld genoemd te worden. Het hart van een koning is ondoorgrondelijk hij heeft zijn eigenbekwaamheden, en dikwijls is een goddelijke spreuk op zijn lippen, Spreuken 16:10. Het is zijn eer, het is zijn roeping om alles te doorgronden. Salomo's grote rijkdom en eer stelden hem instaat om zijn hof tot het middelpunt van geleerdheid te maken en de plaats van samenkomst van geleerden, zich te voorzien van de beste boeken en omgang te hebben of te corresponderen met geheel het wijze en ervaren deel van het mensdom, dat toen in leven was die zich tot hem wendden om van hem te leren waardoor hij zelf nog meer in kennis moest toenemen, want evenals in de handel zo wordt ook in kennis al het gewin door ruil en wederzijdse wisseling verkregen, als wij te zeggen hebben wat anderen tot lering dient, dan zullen zij te zeggen hebben wat ons tot lering kan strekken. Sommigen merken op hoe geringschattend Salomo van zijn waardigheid en eer spreekt. Hij zegt niet: ik prediker ben koning, maar ik was koning, het doet er niet toe wat ik ben. Hij spreekt er van als van iets, dat voorbij is, omdat wereldlijke eer vergankelijk is.
2. Hij legde er zich op toe om van deze voordelen een goed gebruik te maken, alsmede van de gelegenheid, die hij had om wijsheid te verkrijgen, want hoe groot die gelegenheid ook zij, een man zal er niet wijs door worden tenzij hij er zich op toelegt, er zijn hart en gedachten aan geeft. Salomo begaf zijn hart om met wijsheid te onderzoeken en na te speuren door wijsheid alles te onderzoeken wat gekend kan worden, vers 13. Hij stelde het zich ten taak om zich bekend te maken met al wat er geschiedt onder de hemel, dat geschiedt door de voorzienigheid Gods, of door de kunst en de wijsheid van de mensen. Hij legde er zich op toe om al het inzicht te verkrijgen, dat hij kon, in filosofie en wiskunde, in landbouw en handel, in koopmanschap en werktuigkunde in de geschiedenis van voorbijgegane eeuwen en de tegenwoordige staat van andere koninkrijken, hun wetten, hun zeden en gewoonten, hun staatkunde, en van de mensen verschillend karakter, bekwaamheden en plannen en de methoden om dat alles te besturen. Hij begaf er zich toe, niet alleen om te zoeken, maar te onderzoeken, na te speuren hetgeen het meest ingewikkeld was, en het ernstigst nadenken vordert. Hoewel hij een vorst was maakte hij zich, als het ware, tot een slaaf van de wetenschap, liet zich niet ontmoedigen door haar moeilijkheden en bleef niet bij de oppervlakte staan. En dit deed hij, niet slechts om aan zijn neiging te voldoen, maar om zich bekwaam te maken voor de dienst van God en van zijn geslacht, en om te zien hoe ver de verruiming van de kennis zou bijdragen tot vastheid van gemoed en rust van de ziel.
3. Hij maakte zeer grote vorderingen in zijn studies, maakte een goed gebruik van alle takken van de geleerdheid, en bracht het veel verder in zijn ontdekkingen dan iemand van zijn voorgangers. Hij heeft de wetenschap niet veroordeeld, zoals velen doen omdat zij haar niet meester kunnen worden en er zich ook geen moeite voor willen geven, neen, wat hij op het oog had, bracht hij tot stand. hij zag al de werken aan, die onder de zon geschieden, vers 14, werken van de natuur in de bovenwereld en in de lagere wereld, die de zijn tot middelpunt heeft, werken van kunst, de voortbrengselen van `s mensen mensen vernuft. Hij smaakte even grote voldoening in het succes van zijn onderzoek, als ooit iemand gesmaakt heeft, hij sprak met zijn hart betreffende zijn vorderingen in kennis, met evenveel genoegen als ooit een rijk koopman gesmaakt heeft bij het in ogenschouw nemen van zijn koopwaren en de winsten, die hij er door verkrijgen zal. Hij kon zeggen: "Zie, ik heb wijsheid groot gemaakt en vermeerderd, heb er niet slechts meer van verkregen voor mijzelf, maar heb meer gedaan om haar te verspreiden en in eer te brengen, dan allen, die voor mij geweest zijn te Jeruzalem." Het betaamt voorname mannen om leergierig te zijn, en het meest behagen te scheppen in verstandelijke genoegens. Waar God de middelen geeft om kennis te verkrijgen verwacht Hij vorderingen in evenredigheid met die middelen. Het is gelukkig voor een volk als zijn vorsten en edelen er zich op toeleggen om anderen evenzeer te overtreffen in wijsheid en nuttige wetenschap, als zij hen overtreffen in eer en aanzien, en zij kunnen aan het gemenebest van de wetenschap die dienst bewijzen door zich op studiën toe te leggen, die geschikt voor hen zijn, welke geringere personen er niet aan bewijzen kunnen. Salomo moet als een bevoegd beoordelaar van deze zaak erkend worden, want zijn hoofd was niet slechts vol van denkbeelden, maar zijn hart heeft veel wijsheid en wetenschap gezien, van de macht en het voordeel ervan, zowel als van het vermaak en genoegen ervan, wat hij wist, wist hij goed en hij wist er een goed gebruik van te maken. De wijsheid was in zijn hart gekomen, en is hem lieflijk geworden, Spreuken 2:10, 11, 22:18.
4. Hij richtte zijn studies inzonderheid op die tak van wetenschap, die het meest dienstig is voor de leiding van het menselijke leven en bijgevolg van de meeste waarde is, vers 17. "Ik begaf mijn hart om de regelen en voorschriften van de wijsheid te weten en hoe ik die kon verkrijgen, en om onzinnigheden en dwaasheid te weten, hoe ik die kon voorkomen of genezen, er de strikken en inblazingen van te kennen ten einde op mijn hoede er tegen te zijn en haar bedrog en misleiding te ontdekken." Zo naarstig was Salomo om toe te nemen in kennis, dat hij onderricht verkreeg beide van de wijsheid van verstandige mensen en van de onzinnigheid van dwaze mensen, uit de akker van de luiaard, zowel als uit die van de vlijtige.
II. Hij deelt ons het resultaat mee van zijn proefneming, om te bevestigen wat hij gezegd had, namelijk dat alles ijdelheid is.
1. Hij bevond dat zijn zoeken naar kennis zeer moeizaam was, een vermoeienis niet alleen voor het vlees, maar voor de geest vers 13. Deze moeilijke bezigheid, de moeilijkheid, die er gelegen is in het zoeken naar waarheid en in haar te vinden, heeft God aan de kinderen van de mensen gegeven, om er mee geplaagd te worden als een straf voor het begeren van onze eerste ouders van verboden kennis. Gelijk het brood voor het lichaam, zo moet ook het brood van de ziel verkregen en gegeten worden in het zweet van ons aanschijn, terwijl beide zonder moeite of arbeid verkregen hadden kunnen worden indien Adam niet gezondigd had.
2 Hij bevond dat hoe meer hij zag van de werken, die onder de zon geschieden, hoe meer hij van de ijdelheid ervan zag, ja, en dat gezicht baarde hem dikwijls kwelling des geestes vers 14. Ik zag al de werken aan van een wereld vol van bezigheid, heb waargenomen wat de kinderen van de mensen doen, en zie, wat de mensen ook denken van hun eigen werken, ik zie, dat het alles ijdelheid en kwelling van de geest is. Hij had tevoren verklaard dat alles ijdelheid is, vers 2, nodeloos en onnut, en hetgeen ons geen goed doet, hier voegt hij er bij: Het is alles kwelling van de geest, lastig en nadelig, en hetgeen ons kwaad doet. Het is zich voeden met wind, zo lezen het sommigen Hosea 12:2.
a. De werken zelf die gedaan zijn, zijn ijdelheid en kwelling van de geest voor hen, die er mee bezig zijn. Er is zoveel zorg in het bedenken en regelen van onze wereldlijke aangelegenheden, zoveel arbeid en zwoegen in het uitvoeren ervan, en zoveel verdriet in de teleurstellingen, die wij er bij ondervinden, dat wij wel kunnen zeggen: het is kwelling van de geest voor de verstandige waarnemer ervan. Hoe meer wij zien van de wereld, hoe meer wij zien van hetgeen ons ongerust maakt, en met Heraclitus zien wij het aan met wenende ogen. Salomo heeft inzonderheid bespeurd dat de kennis van wijsheid en van dwaasheid kwelling is, vers 17. Het kwelde of ergerde hem te zien dat velen, die wijsheid hebben, haar niet gebruiken, en dat velen, die dwaasheid hebben en er niet tegen strijden. Toen hij wijsheid kende, kwelde het hem te zien hoe ver zij van de mensen kinderen stond, en toen hij dwaasheid zag, dat zij zo vast in van `s mensen hart is gebonden.
3. Hij bevond, toen hij enige wetenschap had verkregen, dat hij er noch voor zichzelf de voldoening in kon smaken, noch er aan anderen het goed mee doen kon, dat hij verwacht had, vers 15. Het baatte niet:
A. Om de vele grieven van het menselijk leven te herstellen. "Ik bevind met dat al, dat hetgeen krom is, krom blijft, en niet recht gemaakt kan worden. Onze kennis zelf is ingewikkeld en verward, wij moeten zeer vergaan, een lange weg afleggen, om er toe te geraken. Salomo dacht dat hij een nadere weg er naar toe ontdekt had, maar het was niet zo, de paden van de geleerdheid zijn nog een even grote doolhof als ooit tevoren. De geest en de manieren van de mensen zijn krom en verdorven. Salomo dacht dat hij met behulp van zijn wijsheid en macht een grondige hervorming in zijn koninkrijk had teweeggebracht, en hetgeen krom was recht had gemaakt, maar hij was teleurgesteld. Al de wijsbegeerte en staatkunde van de wereld zullen de verdorven natuur van de mensen niet tot haar oorspronkelijke rechtheid terugbrengen, wij zien er de ongenoegzaamheid van, zowel in anderen als in onszelf. Geleerdheid zal `s mensen natuurlijke gemoedsaard niet veranderen, noch hen van hun zondige krankheden genezen, ook zal zij in de aard van de dingen in de wereld geen verandering brengen. De wereld is een tranendal, en zal het blijven als alles gedaan is.
B. Om in het gebrekkige te voorzien van de gerieflijkheden van het menselijk leven. Hetgeen ontbreekt kan niet geteld worden, of ons uit de schatten van de menselijke geleerdheid vergoed worden, meer hetgeen ontbreekt zal blijven ontbreken. Als wij alles gedaan hebben om onze genietingen hier beneden tot volkomenheid te brengen, zijn zij nog gebrekkig, en er is niets aan te doen, zoals zij zijn, zullen zij waarschijnlijk blijven. Hetgeen ontbreekt in onze kennis, is zoveel, dat het niet geteld kan worden. Hoe meer wij weten, hoe meer wij onze onwetendheid bespeuren. Wie kan zijn dwalingen, zijn tekortkomingen verstaan? 4. Over het geheel komt hij dus tot de slotsom, dat grote geleerden zich slechts tot grote rouwbedrijvenden maken, want in veel wijsheid is veel verdriet, vers 18. Er moet zeer veel moeite gedaan worden om haar te verkrijgen, en er is zeer veel zorg nodig om haar niet te vergeten, hoe meer wij weten, hoe meer wij zien dat er te weten is, en bijgevolg bemerken wij met grote duidelijkheid, dat ons werk zonder einde is, en hoe meer wij van onze vroegere vergissingen en misslagen zien, hetgeen veel verdriet veroorzaakt. Hoe meer wij zien van de verschillende meningen en gevoelens van de mensen, en dat is het waar de geleerdheid zich het meest mee bezighoudt hoe meer verlegen wij misschien zijn om te weten wie het bij het rechte einde heeft. Zij, die wetenschap vermeerderen, hebben een zoveel te sterker en levendiger besef van de rampen van deze wereld, en voor een ontdekking die zij doen, welke aangenaam is, doen zij er misschien tien, die onaangenaam zijn, en aldus vermeerderen zij de smart. Laat ons daarom niet weggedreven worden van het streven naar nuttige kennis, maar ons wapenen met geduld, om door de smart ervan heen te komen, maar laat ons er aan wanhopen om in deze kennis waar geluk te vinden, en dit alleen verwachten van de kennis van God en de nauwgezette vervulling van onze plicht jegens Hem. Hij, die toeneemt in hemelse wijsheid en in een proefondervindelijke bekendheid met de beginselen, krachten en genietingen van het geestelijk en Goddelijk leven, vermeerdert blijdschap, die weldra in een volkomen en eeuwige blijdschap zal overgaan.