Mattheus 15:29-39
Hier is: Een algemeen bericht van Christus' genezingen, genezingen in het groot. De tekenen van Christus macht en goedheid zijn noch zeldzaam, noch schaars, want er is in Hem ene overvloeiende volheid. Hier nu hebben wij te letten op:
1. De plaats waar deze genezingen werden gewrocht, het was aan de zee van Galilea, een deel des lands, waar Jezus veel verkeerde. Wij lezen niet van iets, dat Hij deed in de landpalen van Tyrus en Sidon, behalve van het uitwerpen van den duivel uit de dochter der Kananése vrouw, alsof Hij die reize alleen met dat doel ondernomen had. Laat het den Evangeliedienaars niet verdrieten vanwege den arbeid en de moeite om goed te doen, al is het dan ook slechts aan enkelen. Hij, die de waardij kent der zielen, is een verren weg gegaan om ene van den dood en uit Satans macht te redden.
Jezus van daar vertrekkende. Dit kruimke onder de tafel hebbende laten vallen, keert Hij nu terug om een vollen, overvloedigen maaltijd aan te richten voor de kinderen. Nu en dan kunnen wij doen voor een enkele, wat wij niet voortdurend, of als ene gewoonte voor hem doen mogen. Christus gaat naar de landpalen van Tyrus en Sidon, maar bij de zee van Galilea zet Hij zich neer, vers 29. Hij zit neer, niet op een statigen troon, of op een rechterstoel, maar op een berg, zo gering en onaanzienlijk was Zijne plechtigste verschijning in de dagen Zijns vlezes! Hij zat neer op een berg, opdat allen Hem zouden kunnen zien, en vrijen toegang tot Hem zouden kunnen hebben, want Hij is een voor elk genaakbare Zaligmaker. Hij zat daar neer, als iemand, die vermoeid is van de reize, en gaarne een weinig rust wil genieten, of liever, als Een, die wacht om gestadig te zijn. Hij zat neer, wachtende op kranken gelijk Abraham aan de deur zijner tent, gereed en bereid om aan vreemdelingen gastvrijheid te bewijzen. Hij zette zich tot dit goede werk.
2. De menigten, die Hem toestroomden, en de krankheden, die door Hem werden genezen, vers 30, vele scharen zijn tot Hem gekomen. opdat de Schrift zou vervuld worden: Tot Hem zal de vergadering des volks zijn. Indien Christus' dienaren, evenals Hij, lichamelijke krankheden konden genezen, er zou hun meer volk toestromen. Lichaamspijn en ziekte gevoelen wij spoedig genoeg, doch slechts weinigen zijn bezorgd over hun zielen en hun geestelijke krankheden. Nu was Christus zo goed en barmhartig, dat Hij allerlei mensen tot zich toeliet, armen, zowel als rijken zijn Christus welkom, en bij Hem is plaats genoeg voor allen, die komen willen. Nooit heeft Hij geklaagd over de vele en grote scharen van zoekenden, nooit heeft Hij met minachting neergezien op het gemeen, den groten hoop, zoals men ze noemt, want de zielen van burgers en boeren zijn Hem even dierbaar als die van vorsten. Zo groot was de macht van Christus, dat Hij allerlei soorten van krankheden genas. Zij, die tot Hem kwamen, brachten hun zieke vrienden of bloedverwanten mede, en wierpen ze voor de voeten van Jezus, vers 30. Wij lezen niet van iets, dat zij tot Hem zeiden, maar zij legden hen voor Hem neer als voorwerpen van medelijden, om door Hem aangezien te worden. Hun rampen spraken meer voor hen, dan de tong van den welsprekendsten redenaar zou kunnen spreken. David toonde God zijne benauwdheid, dat was genoeg, nu kon hij het verder den Heere overlaten. Psalm 142:3 1). Hoedanig onze toestand ook zij, de enige manier om hulp en verlichting te vinden, is, hem neer te leggen aan Christus' voeten, hem voor Hem bloot te leggen, aan Hem te onderwerpen, om dan ook verder Hem te laten beschikken. Zij, die van Christus geestelijke genezing wensen te verkrijgen, moeten zich neerleggen aan Zijne voeten, om door Hem, naar Zijn welbehagen te worden geleid en bestuurd. Er werden hier kreupelen, blinden, stommen, lammen, en vele anderen tot Christus gebracht. Zie het werk door de zonde teweeggebracht! Zij heeft de wereld in een hospitaal verkeerd. Aan hoeveel verschillende ziekten is het menselijk lichaam onderhevig! Zie nu het werk door den Zaligmaker gewrocht! Hij overwint dit heir van vijanden van het menselijk geslacht. En al deze krankheden waren onderworpen aan het gebod van Christus. Hij zond Zijn woord uit en heelde hen. Alle krankheden staan aldus onder het bevelwoord van Christus, zij komen en gaan naar Zijn gebod. Dit is een voorbeeld van Christus' macht, dat ons kan vertroosten in onze zwakheden, en van Zijn mededogen, dat ons tot troost kan strekken in onze ellende.
3. Den invloed, die dit had op het volk. Zij verwonderden zich, en wel mochten zij dit. Dit is van den Heere geschied, en het is wonderlijk in onze ogen, Psalm 118:23. De geestelijke genezingen, door Christus bewerkt, zijn wondervol. Als blinde zielen leren zien door geloof, als de stommen spreken in het gebed, als de kreupelen wandelen in heilige gehoorzaamheid, dan is dit iets om er zich over te verwonderen. Zingt den Heere een nieuw lied, want Hij heeft wonderen gedaan. Zij verheerlijkten den God Israël's, dien de Farizeeën, toen zij deze dingen zagen, lasterden. Wonderen, die het voorwerp zijn onzer bewondering, moeten ook het voorwerp zijn van lof, en goedertierenheden, die de reden zijn van onze blijdschap, moeten de stof bieden voor onze dankzegging. Zij, die genezen waren, verheerlijkten God. Indien Hij onze krankheden geneest, moet al wat binnen in ons is, Zijn' heiligen naam loven, en als wij genadiglijk voor blindheid en lamheid, en stomheid bewaard zijn gebleven, dan hebben wij even veel reden om God te loven als wanneer wij er van genezen waren geworden, ja, en ook de omstanders verheerlijkten God. God moet erkend worden met lof en dank voor de goedertierenheden, bewezen aan anderen, zowel als voor die wij zelven hebben ondervonden. Zij verheerlijkten Hem als den God van Israël, den God Zijner kerk, een God, in verbond met Zijn volk, die den beloofden Messias heeft gezonden, en dit is Hij, Lukas 1:68. Geloofd zij de Heere, de God Israël's. Dit was geschied door de kracht van den God Israël's, geen ander had het kunnen doen.
II. Hier is een bijzonder bericht omtrent Zijne spijziging van vier duizend mannen met zeven broden, en weinige visjes, gelijk Hij vroeger vijfduizend mannen met vijf broden had gevoed. De gasten waren nu wel niet zo talrijk als toen, en de voorraad spijze iets groter, hetgeen niet te kennen geeft, dat Christus' arm was verkort, maar dat Hij Zijne wonderen deed naar dat de omstandigheden dit vereisten, en niet om opzien te baren, of er mede te pronken, daarom richtte Hij ze in naar de omstandigheden, zowel toen als nu nam Hij zo velen als er gevoed moesten worden, en maakte Hij gebruik van hetgeen aanwezig was, om hen te spijzigen. Als het uiterste van de krachten der natuur overtroffen is, dan moeten wij zeggen: Dit is de vinger Gods, en hoe ver zij overtroffen worden, doet er niet toe, zo het niet minder een wonder is dan het vorige. Wij hebben hier Christus' mededogen, vers 32. Ik word innerlijk met ontferming bewogen over de schare. Dit zegt Hij tot Zijne discipelen, ten einde ook hun medelijden op te wekken. Toen Hij op het punt stond van dit wonder te doen, riep Hij hen tot zich, en maakte hun Zijn voornemen bekend, en sprak er over met hen, niet omdat Hij hun raad nodig had, maar om hun een voorbeeld te geven van Zijne neerbuigende liefde voor hen. Hij noemde hen niet dienstknechten, want de dienstknecht weet niet wat zijn heer doet, maar Hij behandelt hen als vrienden en raadslieden. Zal ik voor Abraham verbergen wat Ik doe? Genesis 18:17. Let nu in het geen Hij zei: Op den toestand der schare. Zij zijn nu drie dagen bij Mij gebleven, en hebben niet wat zij eten zouden. Het is een blijk van hun ijver, en van de kracht hunner genegenheid voor Christus en Zijn woord, dat zij niet slechts hun werk, hun beroep of bedrijf verlieten, om Hem op werkdagen te horen, maar zich ook veel ontbering getroostten om bij Hem te blij ven. Zij hadden hun natuurlijke rust nodig, maar, voor zoveel men zien kan, lagen zij als soldaten op het veld. Zij hadden behoefte aan het nodige voedsel, maar hadden nauwelijks genoeg om in het leven te kunnen blij ven. In dit warme klimaat konden zij beter tegen langdurig vasten, dan wij in onze koudere luchtstreek, maar het kon toch niet anders dan smartelijk zijn voor het lichaam, en zou hun gezondheid in gevaar kunnen brengen, maar de ijver van Gods huis heeft hen verteerd, en zij gaven meer om Christus' woorden, dan om hun noodzakelijk voedsel. Wij vinden drie uur voor ene Godsdienstoefening heel lang, maar deze lieden bleven drie dagen, en toch ergerden zij er zich niet aan, en klaagden niet: Zie wat ene vermoeienis! Met welk ene tederheid sprak Christus er van: Ik word met innerlijke ontferming over hen bewogen. Het zou hun gevoegd hebben medelijden te hebben met Hem, die zich drie dagen lang zoveel moeite voor hen gaf, zo onvermoeibaar was in leren en genezen, zoveel kracht was er van Hem uitgegaan, en toch, voor zoveel blijkt, vastte ook Hij, maar Hij kwam hun voor hun met Zijn mededogen. Onze Heere Jezus weet hoe lang Zijne volgelingen bij Hem blijven, en Hij neemt nota van de moeilijkheid, die dit voor hen oplevert, Openbaring 2:2. Ik weet uwe werken, en uwen arbeid, en uwe lijdzaamheid, en het zal zijn loon geenszins verliezen. De nood van het volk heeft gestrekt om de hulp, die zij verkregen, te verheerlijken. Hij voedde hen, toen zij hongerig waren, en toen was hun het voedsel dubbel welkom. Hij handelde met hen, zoals Hij van ouds met Israël gehandeld heeft, Hij liet hen hongeren, en toen spijzigde Hij hen, Deuteronomium 8:3, want voor ene hongerige ziel is zoet, wat de verzadigde ziel vertreedt. Ook het wonder van de voorziening in hun nood wordt er door verheerlijkt. Zo lang gevast hebbende was hun honger des te knagender. Indien twee hongermaaltijden den derden tot een gulzig maal maken, wat zullen drie hongerdagen dan niet teweegbrengen? En toch! zij aten allen en werden verzadigd. Er is in Christus genade en goedertierenheid genoeg, om ook de grootste en sterkste begeerte te voldoen. Doe uwen mond wijd open, en Ik zal hem vervullen. De hongerige ziel heeft Hij met goed vervuld. De zorge onzes Meesters over hen. Ik wil hen niet nuchteren van Mij laten, opdat zij op den weg niet bezwijken, hetgeen ene oneer voor Christus en de Zijnen geweest zou zijn, en zowel voor hen als voor anderen ontmoedigend zou geweest zijn. Het is het ongelukkige in onzen tegenwoordigen toestand, dat, wanneer onze ziel enigermate is opgeheven en verruimd, ons lichaam daar geen gelijken tred mede kan houden. De zwakheid van het vlees is zeer bezwarend voor de gewilligheid van den geest. Zo zal het niet wezen in den hemel, waar het lichaam geestelijk gemaakt zal zijn, waar zij dag en nacht niet rusten van God te loven, en toch niet bezwijken, waar zij niet meer hongeren en niet meer dorsten. Openbaring 7:16. Wij hebben hier 2. Christus' macht. Zijn medelijden met hen wegens hun gebrek brengt Zijne macht in werking ter voorziening in hun nood. Zie nu: Hoe Zijne macht door Zijne discipelen in twijfel werd getrokken, vers 33. Van waar zullen wij zo vele broden in de woestijn bekomen, dat wij zulk ene grote schare zouden verzadigen? Ene gepaste vraag, zou men zo denken, gelijk die van Mozes. Numeri 11:21, 22.
Zullen dan voor hen schapen en runderen geslacht worden, dat er voor hen genoeg zij? Maar hier was het ene ongepaste vraag, in aanmerking genomen, niet slechts de verzekerdheid, die de discipelen in het algemeen hadden van de macht van Christus, maar ook de bijzondere ervaring, die zij nog zo kort geleden hadden opgedaan van ene tijdige en genoegzame voorziening in een gelijk geval. Zij waren niet slechts de getuigen maar ook de dienaren geweest van het vorige wonder, het vermenigvuldigde brood is door hun handen gegaan, zodat het wel een blijk van grote zwakheid bij hen was te vragen: Van waar zullen wij zo vele broden bekomen? Konden zij in verlegenheid zijn, als hun Meester bij hen was? Het vergeten van vroegere ervaringen brengt twijfelingen teweeg. Christus wist wel hoe gering de voorraad was, maar Hij wilde het van hen weten, vers 34. Hoe vele broden hebt gij? Eer Hij wilde werken, wilde Hij, dat men zag hoe weinig er was om mede te werken, opdat Zijne macht des te schitterender zou uitkomen. Wat zij hadden, hadden zij voor zich zelven, en dat was nog weinig genoeg, maar Christus wilde, dat zij het alles voor de schare zouden geven, en op de Voorzienigheid zouden vertrouwen voor meer. Het betaamt Christus' discipelen edelmoedig en vrijgevig te zijn, hun Meester was dit. Wat wij hebben moeten wij, naar de gelegenheid er zich toe aanbiedt, vrijelijk geven, wij moeten trachten naar herbergzaamheid, niet gelijk Nabal, 1 Samuël 25:11, maar gelijk Elisa, 2 Koningen 4:42. Vrekkigheid op heden uit bezorgdheid voor morgen is ene verdorvene neiging, die tegengegaan moet worden. Als wij op verstandige, bedachtzame wijze vriendelijk en barmhartig zijn met hetgeen wij hebben, dan kunnen wij Godvruchtiglijk hopen, dat God meer zal zenden. Jehova-Jireh. De Heere zal het voorzien. De discipelen vroegen: Van waar zullen wij zo vele broden bekomen? Christus vroeg: Hoe vele broden hebt gij? Als wij niet kunnen hebben wat wij wel wilden, dan moeten wij ons zien te redden met wat wij hebben, en er, zo ver het strekt, goed mede doen, wij moeten minder denken aan hetgeen wij behoeven, dan aan hetgeen wij hebben. Hierin is Christus te werk gegaan naar den regel, dien Hij aan Martha heeft gegeven: niet bekommerd en ontrust te zijn over vele dingen. De natuur is tevreden met weinig, de genade met nog minder, maar de begeerlijkheid is met niets tevreden. Hoe Zijne macht aan de schare werd ontdekt in de overvloedige voorziening, die Hij voor hen maakte. De wijze, waarop dit geschiedde, is tamelijk gelijk aan die bij gelegenheid van het vorige wonder, Hoofdstuk 14:18, enz. Merk hier: Op den aanwezigen voorraad, zeven broden, en weinige visjes, de vis niet in verhouding tot het brood, want brood is de staf des levens. De vis hadden zij waarschijnlijk zelven gevangen, want zij waren vissers, en bevonden zich nu aan de zee. Het is liefelijk te eten van den arbeid onzer handen, Psalm 128:2, te genieten van hetgeen onze eigene vlijt heeft opgebracht, Prediker 12:27. En met hetgeen wij door Gods zegen op onzen arbeid hebben verkregen, moeten wij vrijgevig zijn, want wij moeten arbeiden, opdat wij hebben mede te delen degene, die nood heeft, Efeze 4:28. Op de plaatsing des volks in ene houding, geschikt om het te kunnen ontvangen, vers 35. Hij gebood de schare neer te zitten op de aarde. Zij zagen slechts een geringen voorraad, maar zij moeten neerzitten, in het geloof, dat zij een maal spijze zouden bekomen. Zij, die geestelijk voedsel van Christus wensen te ontvangen, moeten neerzitten aan Zijne voeten, om Zijn woord te horen, en verwachten, dat het op onmerkbare wijze tot hen komen zal. Op de uitdeling van den voorraad onder hen. Eerst dankte Hij -eucharistêsas -Het woord, gebruikt, bij gelegenheid van het vorige wonder was eulogêse -Hij zegende. Het komt op hetzelfde neer, Gode dank te zeggen, is ene gepaste wijze van Gode een zegen af te smeken. En als wij komen om nog een' verderen zegen te vragen en te ontvangen, dan moeten wij dank zeggen voor hetgeen wij reeds ontvangen hebben. Toen brak Hij de broden (want het was onder het breken, dat het brood vermenigvuldigd werd) en gaf ze Zijn discipelen, en de discipelen gaven ze aan de schare. Hoewel de discipelen Christus' macht hadden mistrouwd, is Hij toch niet toornig om de zwakheid van Zijne dienaren, gelijk Hij wèl had kunnen wezen, zodat Hij hen nu ter zijde had kunnen laten. Neen, nog geeft Hij het woord des levens aan hen, en zij geven het aan het volk. Op den overvloed, dien zij hadden, vers 37.
Zij aten allen, en werden verzadigd. Wie door Christus wordt gevoed, wordt door Hem verzadigd. Als wij arbeiden voor de wereld, arbeiden wij voor hetgeen, dat niet verzadigen kan, Jesaja 55:2, maar die op Christus wachten, zullen verzadigd worden met het goed van Zijn huis, Psalm 65:5. Christus heeft dus telkens en nogmaals het volk gespijzigd, om te doen blijken, dat Hij, hoewel Jezus van Nazareth genoemd wordende, toch van Bethlehem was, van het broodhuis, of liever, dat Hij zelf het Brood des levens was. Om aan te tonen, dat zij allen genoeg hadden, bleef er nog veel over-zeven volle manden, niet zoveel als te voren, omdat zij de brokken niet van zo vele eters bijeenraapten, maar toch genoeg om te tonen, dat waar Christus is, overvloed is van brood, er is genade voor meer dan die haar zoeken, en voor die haar zoeken, is er meer. Op het tellen der gasten, niet opdat zij hun deel der kosten zouden betalen (er was hier gene rekening te voldoen, zij waren om niet gespijzigd) maar omdat zij getuigen zouden zijn van de macht en goedheid van Christus, en opdat dit enigszins zou gelijken op die algemene voorzienigheid, die allen vlees spijze geeft, Psalm 136:25. Hier waren vier duizend mannen gevoed, maar wat zijn dezen, vergeleken bij het grote gezin, waarvoor iedere dag door de zorge Gods wordt voorzien? God is een groot huisverzorger, op wie aller ogen wachten, dat Hij hun hun spijze geeft te zijner tijd. Psalm 145:15, 104:27. Op de wegzending der schare, en Christus' vertrek vandaar naar ene andere plaats, vers 39. Hij liet de scharen van zich. Hoewel Hij hen tweemaal had gespijzigd, moeten zij toch niet verwachten, dat wonderen hun dagelijks brood zullen zijn. Laten zij thans heengaan naar hun beroep en bedrijf, en naar hun eigene tafels. En Hij zelf vertrok te scheep naar ene andere plaats, want het Licht der wereld zijnde, moet Hij in beweging blijven, het land doorgaan, goed doende.