Numeri 11:16-23
Wij hebben hier Gods genadig antwoord op beide bovengenoemde klachten, waarin Zijn goedheid, oorzaak genomen hebben uit van de mensen slechtheid, zoveel helderder uitblinkt.
I. Er wordt een voorziening getroffen tot herstel van de grief, waarover Mozes geklaagd heeft. Als hij de last van de regering te zwaar voor zich vindt, dan zal hem, hoewel hij een weinig te hartstochtelijk was in zijn klacht toch verlichting worden geschonken, niet door zelf van de regering ontzet te worden, maar door helpers voor hem aan te stellen, die, zoals de apostel zegt, 1 Corinthiërs 12:28, "om te helpen" "om te besturen" zijn, dat is helpers in de regering, niet om zijn eer te verminderen, of in de schaduw te stellen, maar om hem het werk gemakkelijker te maken, de last des volks met hem te dragen. En opdat die maatregel zowel aangenaam als van nut zal wezen, wordt aan Mozes bevolen:
1. De personen te benoemen, vers 16. Het volk was te hartstochtelijk en te onstuimig om met die keuze belast te worden, Mozes zelf moet hen naar zijn eigen welgevallen kiezen, opdat hij later niet zou klagen. Het aantal mannen, die hij te verkiezen had, was zeventig, overeenkomstig het getal van de zielen, die naar Egypte waren gegaan. Hij moest de zodanigen kiezen, die hij wist "oudsten te" "zijn." Zij, die als "oversten van de duizenden, en oversten van de" "honderden wel gediend hadden," Exodus 18:25, verkrijgen zichzelf nu deze goede opgang. "Kies de zodanigen, van wie gij weet dat zij waarlijk oudsten zijn, en niet slechts in naam, beambten, die hun ambt waarnemen." Wij lezen van hetzelfde getal van oudsten, die met Mozes op de berg Sinai gingen, Exodus 24:1, maar die werden alleen bij die gelegenheid onderscheiden, doch deze voor altijd, en overeenkomstig die instelling bestond het sanhedrin, of de grote raad van de Joden, die in latere eeuwen te Jeruzalem zetelde en de hoogste rechtbank onder hen was, uit zeventig leden. Onze Heiland schijnt hier het oog op gehad te hebben in Zijn keuze van zeventig discipelen, die de helpers moesten zijn van de apostelen, Lukas 10:1.
2. Belooft God hen bekwaam te zullen maken. Als zij voor het ambt niet geschikt bevonden worden, dan zullen zij er geschikt voor gemaakt worden, want anders zullen zij voor Mozes eerder een hindernis dan een hulp zijn, vers 17. Hoewel Mozes al te stout met God heeft gesproken, breekt God de gemeenschap daarom niet met hem af, Hij verdraagt zeer veel van ons, en wij moeten elkaar verdragen. Ik zal afkomen (zegt God) en met u spreken, als gij kalmer en rustiger zult zijn en Ik zal van de Geest van wijsheid en Godsvrucht, en kloekmoedigheid, die op u is, afzonderen, en op hen leggen. Niet, dat Mozes minder van de Geest had, omdat zij er in deelden, of dat zij hierdoor met hem gelijk werden gemaakt, Mozes was nog altijd weergaloos, Deuteronomium 34:10, maar zij werden begiftigd met een geest van bestuur in evenredigheid met hun plaats en met een geest van profetie om hun Goddelijke roeping er toe te bewijzen, daar de regering een theocratie was. Hen, die door God tot enigerlei dienst worden gebruikt, maakt Hij er toe bekwaam, en zij, die er niet enigermate bekwaam toe zijn, kunnen niet denken dat zij er wezenlijk toe geroepen zijn. Alle goede bekwaammaking is van God, alle goede gave en alle volmaakte gift is van boven, van de Vader van de lichten afromende.
II. Ook de begeerte van het misnoegde volk zal ingewilligd worden, opdat alle mond gestopt worde. Zij krijgen bevel om zich te heiligen, vers 18, dat is: om zich in de houding te brengen, om zulk een blijk van Gods macht te ontvangen, dat het tegelijk een teken zal wezen van Zijn goedertierenheid en van Zijn oordeel. "Schik u, o" "Israël, om uw God te ontmoeten," Amos 4:12.
1. God belooft-of zal ik liever zeggen, dreigt-dat zij hun bekomst zullen hebben van vlees, dat zij een maand lang niet slechts gevoed, maar ruim onthaald zullen worden op vlees, behalve hun dagelijks manna, en zo zij hun lusten niet beter bedwingen, dan zullen zij er oververzadigd van worden, vers 19-20. Gij zult eten totdat het uit uw neus uitga, en u tot walging zij. Zie hier:
a. De ijdelheid van alle genietingen van de zinnen, zij zullen oververzadigen, maar niet bevredigen, geestelijke genietingen zijn daar het tegenovergestelde van. Gelijk de wereld voorbijgaat, zo gaan ook haar begeerlijkheden voorbij 1 Johannes 2:17. Hetgeen zo vurig begeerd werd, wordt weldra walglijk.
b. Welke beestachtige zonden (ja erger dan beestachtig) gulzigheid en dronkenschap zijn, zij doen de natuur geweld aan, maken het lichaam ziek door hetgeen tot gezondheid er van moest strekken, het zijn zonden, die zichzelf straffen, en die straffen welke zij als vanzelf medebrengen zijn nog niet eens de ergsten, die zij veroorzaken.
c. Hoe rechtvaardig het in God is om datgene walglijk te maken voor de mensen, waarnaar zij zo buitensporig een begeerte gekoesterd hebben. God kon hen vlees evenzeer doen minachten als zij het manna hadden geminacht.
2. Mozes werpt de onwaarschijnlijkheid tegen van de vervulling dier belofte, Markus 8:4. "Van waar zal iemand deze kunnen" "verzadigen?" Sommigen verontschuldigen Mozes hier en leggen hetgeen hij zegt slechts uit als een bescheiden vraag, hoe of op wat wijze die voorraad van vlees verwacht moet worden, maar het riekt toch te veel naar wantrouwen in God om gerechtvaardigd te kunnen worden. Hij werpt het grote aantal tegen van het volk alsof Hij, die deze allen van brood heeft voorzien, hun niet door diezelfde onbegrensde macht vlees kon geven. Hij acht dat het het vlees moet wezen van beesten of van vissen, omdat dit de grootste dieren zijn, weinig denkende dat het vlees van vogels en wel van kleine vogels tot dit doel zou dienen. God ziet niet zoals de mens ziet, en Zijn gedachten zijn hoger dan onze gedachten. Hij werpt de gulzigheid tegen van het volk, hun onverzadelijke begeerte, en wel in dat woord: dat er voor hen genoeg zij? Zelfs oprechte en grote gelovigen vinden het soms moeilijk om onder de ontmoedigingen van ondergeschikte oorzaken op God te vertrouwen, en op hoop tegen hoop te geloven. Mozes zelf kon zich nauwelijks weerhouden van te zeggen: Zou God een tafel kunnen toerichten in de woestijn? toen dit het algemene zeggen was geworden. Ongetwijfeld was dit zijn zwakheid.
3. God geeft een kort maar afdoend antwoord op deze tegenwerping in de vraag: Zou dan des Heeren hand verkort zijn? vers 23. Indien Mozes gedacht had aan de vorige dagen, waarin de rechterhand des Heeren zo krachtige daden gedaan had, dan zou hij al die moeilijkheden niet hebben opgeworpen, daarom herinnert God er hem aan, te kennen gevende dat zijn tegenwerpingen tekort deden aan Gods macht, die hijzelf zo dikwijls had gezien, niet alleen de getuige er van, maar ook het werktuig er voor is geweest. Had hij de wonderen vergeten, die de Goddelijke macht gewrocht heeft, toen zij de plagen bracht over Egypte, de zee heeft gekliefd, water uit de rots tevoorschijn heeft gebracht en brood uit de hemel heeft geregend? Was die macht afgenomen? Was God zwakker dan Hij placht te wezen? Of was Hij vermoeid van hetgeen Hij gedaan heeft? Wat ons ongelovig hart ook er tegen moge zeggen, zeker is het: a. Dat Gods hand niet is verkort, dat Zijn macht niet weerhouden kan worden dan door Zijn eigen wil en dat voor Hem niets onmogelijk is. Die hand is niet kort, welke de wateren heeft gemeten en van de hemelen met de span de maat heeft genomen, Jesaja 40:12, en de wind in Zijn vuisten heeft verzameld, Spreuken 30:4.
b. Dat zij niet verkort is. Hij is even sterk als Hij ooit geweest is, Hij is niet mat en niet moede. En dit volstaat om al ons wantrouwen tot zwijgen te brengen, als de middelen ons ontbreken. Zou iets voor de Heere te wonderlijk zijn? God brengt Mozes hier tot dit eerste beginsel zet hem achteruit in zijn les, om de aloude naam van God te leren: de Heere, God Almachtig, en stelt de proef of het bewijs in de uitkomst: gij zult nu zien of Mijn woord u wedervaren zal of niet. Dit verheerlijkt Gods woord boven Zijn naam, dat Zijn werken er steeds aan beantwoorden. Als Hij spreekt, dan geschiedt het.