Markus 6:30-44
In deze verzen hebben wij:
I. Den terugkeer der apostelen tot Christus, die hen had uitgezonden, vers 7, om te prediken en wonderen te doen. Zij hadden zich voor enigen tijd naar verschillende delen des lands verspreid, maar toen zij hun last volvoerd hadden, kwamen ze bijeen om tezamen terug te keren tot Jezus, het middelpunt hunner eenheid, ten einde Hem verslag te geven van hetgeen zij gedaan hadden ingevolge hun opdracht. Evenals de dienstknecht, die uitgezonden was met de uitnodigingen tot het bruiloftsmaal en antwoord ontvangen had van de genodigden, kwam en boodschapte zijn heer deze dingen, zo deden ook hier de apostelen, zij boodschapten Hem alles, beide wat zij gedaan hadden en wat zij geleerd hadden. Leraren zijn verantwoordelijk beide voor wat zij doen en voor wat zij leren, zij moeten waken over hun eigen ziel, en waken voor de zielen van anderen, als die rekenschap geven zullen, Hebreeën 13:7. Laat hen niets doen en niets leren dan hetgeen zij willen, dat aan den Heere Jezus verhaald of gezegd zal worden. Het is voor getrouwe leraren ene vertroosting, als zij zich op Christus kunnen beroepen voor hun leer en hun levenswijze, waaromtrent zij wellicht bij de mensen in een verkeerd daglicht zijn gesteld, en Hij veroorlooft hen om vrijmoedig bij Hem te zijn en hun zaak voor Hem bloot te leggen, Hem alles te zeggen, de behandeling die zij hebben oudervonden, den voorspoed, of de teleurstelling, die zij gehad hebben bij hun arbeid.
II. De tedere zorg van Christus voor hun rust na de vermoeienissen, die zij hadden doorgestaan, vers 31. Hij zei tot hen, bemerkende dat zij uitgeput, schier buiten adem waren.
Komt gijlieden in een woeste plaats hier alleen en rust een weinig. Het schijnt, dat de discipelen van Johannes met de treurige tijding van den dood huns meesters gekomen waren omtrent dezelfden tijd ongeveer, toen Zijn eigen discipelen met het bericht van hetgeen zij gedaan hadden tot Hem terugkeerden. Christus neemt kennis van de ontsteltenis van sommigen en van den moeizamen arbeid van anderen van Zijne discipelen, en schenkt een gepaste verlichting voor beiden, rust voor de vermoeiden, en een toevlucht voor de verschrikten. Met wat vriendelijkheid en mededogen zegt Hij tot hen: Komt en rust. De ijverigste dienstknechten van Christus kunnen niet altijd ingespannen aan den arbeid zijn, hun lichaam heeft behoefte aan ontspanning, aan tijd tot verademing: wij zullen God niet zonder ophouden dag en nacht kunnen dienen, voor wij in den hemel zijn, waar zij gene rust hebben van God te loven, Openbaring 4:8. En de Heere is voor het lichaam, Hij weet wat maaksel wij zijn, en Hij gunt ons niet slechts tijd om te rusten, maar herinnert er ons aan dat wij moeten rusten. Ga henen, Mijn volk, ga in uw binnenste kamers. Keer weer tot uwe rust. En zij, die naarstig en getrouw arbeiden, kunnen zich goedsmoeds terugtrekken om te rusten. De slaap des arbeiders is zoet, Prediker 5:11. Doch merk op, 1: Christus roept hen zelven om te rusten, zij moeten niemand medenemen, want als zij iemand bij zich hebben, dan zullen zij iets hebben te zeggen of iets hebben te doen tot hun bestwil, indien zij moeten rusten, dan moeten zij dus alleen zijn. 2.. Hij nodigt hen niet uit naar het een of ander aangenaam landhuis, waar fraaie gebouwen en schone lusthoven zijn, maar naar een woeste plaats, waar weinig gemak of gerieflijkheid was, en die alleen door de natuur, niet door de kunst, geschikt was gemaakt voor stilte en rust. Maar dit was gans in overeenstemming met al de andere omstandigheden, waarin Hij zich bevond, geen wonder dus, dat Hij, die slechts een schip had voor kansel, ook slechts ene woestijn had om in te rusten. Hij roept hen echter om slechts een weinig te rusten. Zij moeten niet verwachten lang te rusten, het is slechts om op adem te komen, en dan weer aan den arbeid te gaan. Er is voor het volk van God geen blijvende rust voordat zij in den hemel komen. 4.. De reden hiervoor is, niet zozeer wijl zij voortdurend aan den arbeid waren, maar omdat zij nu voortdurend gehaast en gejaagd waren, zodat zij geen orde konden hebben bij hun werk, want er waren velen, die kwamen en die gingen, en zij hadden zelfs geen gelegenheid om te eten. Laat slechts behoorlijk tijd gegeven worden voor alles, en dan kan heel veel werk gedaan worden met heel veel gemak, maar als de mensen onophoudelijk komen en gaan, en als er geen orde of regel is, dan zal slechts weinig werk gedaan worden, en dat nog met heel veel moeite en verdrietelijkheid. 5.. Zij vertrokken dus in een schip. Zij gingen echter niet naar de andere zijde van het water, maar deden een reis langs de kust naar de woestijn van Bethsaida, vers 32. Over water te reizen was minder vermoeiend dan over land. Zij gingen alleen, ten einde in stille afzondering onder elkaar te zijn. Personen, die het meest in het openbaar moeten arbeiden, moeten soms wel wensen eens alleen te zijn.
III. Wij zien hier ook den ijver des volks om Hem te volgen. Het was wel ruw en onbescheiden van hen om dit te doen, als Hij en Zijne discipelen zich om zo goede redenen wensten af te zonderen, toch zijn zij er niet om gelaakt, noch werden zij teruggewezen, integendeel, zij werden welkom geheten. Een tekortkomen in goede manieren zal gemakkelijk verontschuldigd worden in hen, die Christus volgen, zo dit gebrek slechts vergoed wordt door een volheid van goede genegenheid. Zij volgden Hem eigener beweging, zonder er toe geroepen te zijn. Hier wordt geen tijd vastgesteld, gene bijeenkomst bepaald, gene klok geluid, toch komen zij gevlogen als ene wolk, en als duiven tot hare vensters. Zij volgden Hem van de steden, hun huizen en hun winkels, hun beroep en hun zaken verlatende, om Hem te horen prediken. Zij volgden Hem te voet, hoewel Hij over zee ging, en hun dus, om hen op de proef te stellen, ene onachtzaamheid schijnende te betonen. en ook als ene poging om hen weg te laten gaan, maar zij bleven Hem volgen. Zij liepen te voet, en maakten zoveel haast, dat zij de discipelen voor zijn gekomen, en zij gingen samen tot Hem hongerende naar het woord van God. Ja zij volgden Hem zelfs naar een woeste plaats, een onaangename en ongerieflijke plaats. De tegenwoordigheid van Christus zal de woestijn in een paradijs verkeren.
IV. Het onthaal, dat Christus hun gaf, vers 34. Toen Hij een grote schare zag, werd Hij, in plaats van ongenoegen te gevoelen wijl Hij gestoord werd toen Hij wenste alleen te zijn, zoals menige mens, menige Godvruchtige mens zelfs, gevoeld zou hebben, innerlijk met ontferming bewogen over hen, en zag hen aan met belangstelling en zorg, omdat zij waren als schapen, die geen herder hebben. Zij schenen welgezind, volgzaam als schapen, gewillig om onderwezen te worden, maar zij hadden geen herder, niemand om hen op den rechten weg te leiden, niemand om hen te voeden met de gezonde leer, daarom heeft Hij in ontferming over hen niet slechts hun kranken genezen, zoals wij in Mattheus vermeld vinden, maar Hij begon hen vele dingen te leren, en wij kunnen er zeker van zijn, dat zij allen waar en goed en geschikt voor hen waren om te leren.
V. De voorziening, die Hij voor hen allen getroffen heeft. Al Zijne hoorders heeft Hij edelmoediglijk tot Zijne gasten gemaakt, en hen prachtig onthaald. Zo mag het wel in waarheid genoemd worden, want het onthaal was een wonder.
1. De discipelen deden het voorstel, dat zij weggezonden zouden worden. Als het nu laat op den dag geworden was, en de avond begon te vallen, zeiden zij: Deze plaats is woest, en het is nu laat op den dag, laat hen van U, opdat zij broden voor zich kopen, vers 35, 36. Dit hebben de discipelen aan Christus voorgesteld, maar wij bevinden niet dat de scharen zelven dit hebben gevraagd. Zij zeiden niet: Zend ons weg, hoewel zij ongetwijfeld honger hadden, want zij hebben de redenen van Christus' lippen meer gewaardeerd dan hun noodzakelijk voedsel. Terwijl zij Hem hoorden, vergaten zij zich zelven, maar de discipelen vonden dat Christus hun vriendelijkheid zou bewijzen met hen weg te zenden. Als het hart der mensen gewillig is, kunnen zij meer doen en langer volharden in het goede, dan men van hen zou verwachten.
2. Christus gebood, dat zij allen gespijzigd zouden worden, vers 37 :Geeft gij hun te eten. Hoewel zij, door Christus en Zijne discipelen in zo groten getale te volgen, hen verhinderden om te eten, vers 31, wilde Hij hen daarom niet hetzelfde laten ondervinden, door hen nuchteren heen te zenden: maar om ons te leren vriendelijk en welwillend te zijn voor hen, die onbescheiden of lomp zijn voor ons, gebood Hij dat er voorziening voor hen gemaakt zou worden. Het brood, dat Christus en Zijne discipelen medegenomen hebben naar de woeste plaats, om hun daar tot een rustig maal te dienen, wil Hij met hen delen. Zo heeft Hij gastvrijheid beoefend. Zij waren Hem gevolgd om het geestelijk voedsel des woords van Hem te ontvangen, en nu draagt Hij er zorg voor, dat hun het voedsel voor het lichaam niet zal ontbreken. Gelijk de weg des plichts de weg is van veiligheid, zo is hij ook de weg om tot voorziening in onze behoeften te komen. God zal er wel voor zorgen, dat de poelen met regen van den hemel gevuld zijn, zodat er zelfs in het dal Baca een fontein is voor hen, die naar Zion gaan, en die alzo gaan van kracht tot kracht, Psalm 84:7, 8. Gods voorzienigheid, die niet wordt verzocht, maar waarop behoorlijk wordt vertrouwd, heeft nog nooit een van Gods getrouwe dienstknechten in den steek gelaten, maar heeft wel velen door tijdige en verrassende hulp verkwikt. Zeer dikwijls is het op den berg des Heeren gezien, dat Jehova-Jireh-de Heere voorzien zal voor hen, die Hem verwachten.
3. De discipelen maakten zwarigheid, daar zij de zaak onuitvoerbaar achtten. Zullen wij heengaan, en kopen voor twee honderd penningen brood, en hun te eten geven? In plaats dus van op de orders huns Meesters te wachten, hebben zij door de zwakheid van hun geloof de zaak nog verward met hun eigen bedenksels. Het was nog de vraag of zij wel twee honderd penningen bij zich hadden, en indien zij ze hadden, of de omliggende plaatsen plotseling zo groot een hoeveelheid brood konden leveren, en of dit dan nog genoeg zou zijn voor zo groot een aantal mensen. Dat was ook het bezwaar van Mozes, Numeri 11:22.
Zullen dan voor hen schapen en runderen geslacht worden, dat er voor hen genoeg zij? Christus wilde hen hun dwaasheid doen inzien in dit beramen van hun plannen, opdat zij Zijne voorziening op des te hoger prijs zouden stellen.
4. Christus heeft de zaak tot algemene tevredenheid tot stand gebracht. Om hun schip te provianderen hadden zij vijf broden medegenomen, en al varende wellicht hadden zij twee vissen gevangen, en dat is nu hun gehele spijslijst. Voor Christus en Zijne discipelen was dit nog weinig genoeg, en toch moeten zij dit nu nog weggeven, zoals de weduwe haar twee penningskens gegeven heeft, en, evenals bij de gemeente van Macedonië, is hun diepe armoede overvloedig geweest tot den rijkdom hunner goeddadigheid. Wij zien dikwijls, dat Christus onthaald werd aan de tafel van anderen, het middagmaal gebruikende bij den enen vriend en het avondmaal bij een anderen vriend, maar hier zien wij Hem een avondmaal geven aan een grote menigte mensen, hetgeen toont dat, wanneer anderen Hem dienden van hun goederen, dit niet was omdat Hij zich niet op een andere wijze van het nodige kon voorzien (indien Hem hongerde, behoefde Hij hun dit niet te zeggen) maar het behoorde tot Zijne vernedering, waaraan Hij zich heeft willen onderwerpen, en ook kwam het niet overeen met de bedoeling van wonderen, dat Hij ze ten Zijnen behoeve zou werken. Die voorraad spijze was van gans gewonen aard. Er waren geen zeldzame gerechten, en er was ook geen verscheidenheid van gerechten, hoewel Christus, indien het Hem had behaagd, Zijne tafel ook daarmee had kunnen voorzien, maar Hij wilde ons leren vergenoegd te zijn met de spijze, die voor ons geschikt is, en geen lekkernijen te begeren. Zo wij slechts het nodige hebben, kunnen wij het fijne en zeldzame in ons voedsel wel ontberen. In Zijne liefde geeft God ons brood voor onzen honger, maar in Zijn toorn geeft Hij spijs naar onzen lust, Psalm 78:18. De belofte aan hen, die den Heere vrezen, luidt dat zij gevoed zullen worden, maar Hij zegt niet dat zij op uitgezochte lekkernijen onthaald zullen worden. Als Christus en Zijne discipelen zich met gewone, alledaagse spijzen tevreden stelden, dan voorzeker kunnen wij het ook. De gasten waren ordelijk, want zij zaten neer in gedeelten op het groene gras, vers 39, bij honderd tezamen, en bij vijftig tezamen, vers 40, opdat de uitdeling gemakkelijk en geregeld zou plaatshebben, want God is een God van orde en niet van verwarring. Aldus werd er zorg voor gedragen, dat ieder genoeg had en niemand voorbijgezien werd, en dat ook niemand meer had dan betamelijk was. Er werd een zegen gevraagd over de spijze.
Hij zag op naar den hemel, en zegende. Christus heeft niet een der discipelen geroepen om een zegen te vragen, maar Hij deed het zelf, vers 41, en uit kracht van dien zegen zijn de broden zo wonderlijk vermenigvuldigd, evenals ook de vissen, want zij aten allen, en zijn verzadigd geworden. Dit wonder was van grote betekenis, en toont dat Christus in de wereld is gekomen, om de grote voeder en verzorger te zijn zowel als de grote geneesmeester, niet slechts om geestelijk leven te herstellen of op te richten, maar om het te bewaren en te voeden, en in Hem is genoeg voor allen, die tot Hem komen, genoeg om de ziel te vervullen. Niemand wordt ledig van Christus weggezonden, behalve diegenen, die vol van zich zelven tot Hem komen. Er wordt zorggedragen voor de overgeschoten brokken, waarmee twaalf korven gevuld werden. Hoewel Christus brood genoeg ter zijner beschikking had, wilde Hij ons hiermede leren, geen van Gods goede gaven of schepselen te verspillen of te veronachtzamen, gedenkende hoevelen er zijn, die gebrek lijden, en niet wetende of er kan een tijd komen, dat wij de brokken, die wij wegwerpen, nodig zullen hebben.