Markus 6:7-13
Hier is,
I. De opdracht aan de twaalf apostelen gegeven, om te prediken en wonderen te werken, het is wat wij reeds uitvoeriger gehad hebben in Mattheus 10.. Markus vermeldt hier de namen niet der apostelen, zoals Mattheus gedaan heeft, omdat hij ze reeds tevoren genoemd heeft, toen zij tot gemeenschap met Hem werden geroepen, Hoofdstuk 3:16-19. Totnutoe hadden zij met Christus omgegaan, hadden gezeten aan Zijne voeten, Zijne leer gehoord en Zijne wonderen gezien. Nu besluit Hij hen te gebruiken. Zij hadden ontvangen, opdat zij zouden geven, zij hadden geleerd, opdat zij zouden onderwijzen, en daarom begon Hij thans hen uit te zenden. Zij moeten niet altijd studeren in de academie om kennis te verkrijgen, maar zij moeten prediken in het land, om met de verkregen kennis goed te doen. Hoewel zij thans nog niet zo begaafd waren als zij later zijn zullen, moeten zij toch naar de gaven en bekwaamheden, die zij nu hebben, aan het werk gaan, om dan later grotere vorderingen te maken. Merk hier nu op:
1. Dat Christus hen twee en twee uitzond. Dit wordt door Markus opgemerkt. Zij gingen twee en twee naar ene plaats, opdat uit den mond van twee getuigen alle woord zou bestaan, en opdat zij gezelschap zouden zijn voor elkaar, als zij zich onder vreemden zouden bevinden, en elkanders handen zouden sterken, en elkanders hart zouden bemoedigen, elkaar zouden helpen als er iets verkeerd ging, en elkaar zouden steunen. Ieder soldaat heeft zijn krijgsmakker, en de stelregel is als juist bevonden, dat twee beter zijn dan een. Christus wilde Zijn dienstknechten aldus leren om zich met elkaar te verbinden en te vergezellen, elkaar steun te geven, en van elkaar steun aan te nemen.
2. Dat Hij hun macht gaf over de onreine geesten. Hij zond hen uit om het rijk des duivels aan te vallen, en machtigde hen, als een voorbeeld van hun verbreken van zijn invloed in de zielen der mensen door hun leer, om hem uit te werpen uit het lichaam der bezetenen. Sommigen opperen de mening, dat zij door den Geest krankheden genazen en duivelen uitwierpen, maar alleen datgene predikten, dat zij uit den mond van Christus gehoord hadden.
3. Dat Hij hun gebood geen voorraad mede te nemen, gene mondbehoeften en geen geld, opdat zij overal, waar zij kwamen, zouden blijken arm te zijn, mensen, die niet van deze wereld zijn, en dus met meer recht de mensen er van weg konden roepen naar een andere wereld. Als Hij hun later gebood buidel en male te nemen, Lukas 22:36, dan werd hier niet mede te kennen gegeven, dat Zijne zorg voor hen verminderd was, maar dat er moeilijker tijden voor hen zouden komen, en dat zij een slechter onthaal zouden vinden dan bij hun eerste uitzending. Bij Mattheus en Lukas wordt hun verboden een staf mede te nemen, dat is: een staf als wapen om mede te vechten, maar hier in Markus wordt hun geboden niets mede te nemen dan een staf, dat is een staf, die bij het lopen wordt gebruikt, zoals pelgrims ze dragen. Ze moeten gene schoenen, maar slechts schoenzolen dragen, welke slechts onder aan de zolen hunner voeten bevestigd waren. Zij moeten in de gemakkelijkste, eenvoudigste kleding gekleed zijn, en zelfs mogen zij geen twee rokken bij zich hebben, want hun verblijf daar buiten zou slechts kort wezen: voor den winter moeten zij terugkeren, en wat zij behoefden, daarin zou door hen, voor wie zij predikten, gaarne voorzien worden.
4. Hij gebood hun om, in welke stad zij zouden komen, het eerste huis, waarin zij hun intrek namen, tot hun hoofdkwartier te maken, vers 10, blijft daar, totdat gij vandaar uitgaat. En daar gij weet, dat gij met ene boodschap komt, die u welkom genoeg zal maken, zo koestert van uwe vrienden, die u het eerst genodigd hebben, de vriendelijke gedachte, dat zij uwe tegenwoordigheid niet als een last beschouwen.
5. Hij spreekt een zeer zwaar oordeel uit over hen, die het Evangelie, dat zij predikten, verwierpen, vers 11, En zo wie u niet zullen ontvangen, noch u horen, vertrekkende vandaar -want indien de een u niet wil ontvangen, zal een ander het wèl willen-schudt het stof af, dat onder aan uwe voeten is, hun tot een getuigenis. Laat hen weten, dat hun de eerlijke aanbieding is gedaan van leven en gelukzaligheid, getuige dat stof, daar zij die aanbieding echter afwijzen, kunnen zij niet verwachten dat hun een andere gedaan zal worden. Dat stof, zal, gelijk het stof van Egypte, Exodus 9:9 in een plaag over hen verkeren, en hun oordeel in den groten dag zal ondraaglijker zijn dan dat van Sodom, want de engelen werden naar Sodom gezonden ter uitvoering van straf en zijn er mishandeld, maar dat zal niet zo groot een schuld en zo zwaar een verderf over hen doen komen, als de minachting en mishandeling van Christus' apostelen, die hun de aanbieding der Evangeliegenade brachten.
II. Hoe de apostelen zich van den hun opgedragen last hebben gekweten. Hoewel zij zich bewust waren van grote zwakheid, en er geen werelds voordeel van konden verwachten, zijn zij toch in gehoorzaamheid aan het bevel huns Meesters, en in afhankelijkheid van Zijne kracht, uitgegaan, evenals Abraham, niet wetende waar zij heengingen. Merk hier op:
1. De leer, die zij predikten. Zij predikten, dat zij zich zouden bekeren, vers 12, dat zij moesten veranderen van zin, hun leven moesten verbeteren bij de gedachte en in overweging van het nabijzijn van het koninkrijk van den Messias. Het grote doel der Evangeliepredikers, en de grote strekking der Evangelieprediking, moet zijn, de mensen tot bekering te brengen, tot een nieuw hart en een nieuwen levenswandel. Zij hebben de mensen niet beziggehouden met fraaie bespiegelingen, zij hebben hun gezegd, dat zij zich moeten bekeren van hun zonden en zich moeten wenden tot God.
2. De wonderen, die zij wrochten. De macht, die Christus hun had gegeven over onreine geesten, bleef niet zonder uitwerking, hebben zij dus niet tevergeefs ontvangen, zij gebruikten haar, want zij wierpen vele duivelen uit, vers 13, en zalfden vele kranken met olie, en maakten hen gezond. Sommigen denken, dat die olie geneeskundig werd aangewend overeenkomstig de gewoonte der Joden, ik denk veeleer, dat zij als teken gebruikt werd van wonderdadige genezing, volgens de aanwijzing van Christus, hoewel dit niet wordt vermeld. Later werd dit gebruikt door die ouderlingen der gemeente, aan wie door den Geest de gave der gezondmaking was geschonken, Jakobus 5:14. Het is zeker dat hier, en dus ook waarschijnlijk dat dáár, dit zalven der kranken met olie aangewend werd met die buitengewone macht, welke reeds lang heeft opgehouden, weshalve met de macht ook het teken er van moet ophouden.