Markus 6:14-29
Hier hebben wij:
I. De dwaze denkbeelden, die het volk omtrent onzen Heere Jezus heeft gekoesterd, vers 15. Zijn eigen landslieden konden niets groot van Hem geloven, omdat zij Zijn arme bloedverwanten kenden, maar anderen, die niet onder de macht van dat vooroordeel tegen Hem waren, wilden toch liever alles omtrent Hem geloven dan de waarheid, namelijk dat Hij de Zoon van God was en de ware Messias. Zij zeiden: Hij is Elias, dien zij verwachtten, of Hij is een profeet, een der Oud- Testamentische profeten, tot het leven op aarde teruggekeerd, of als een der profeten, een profeet, die nu verwekt is en gelijkstaat met die onder het Oude Testament.
II. De mening van Herodes omtrent Hem. Hij hoorde van Zijn naam en faam, van hetgeen Hij zei en deed, en hij zei: "Het is zeker Johannes de Doper, vers 14. Zo waar als wij hier zijn, het is Johannes, dien ik onthoofd heb, vers 16. Hij is van de doden opgewekt, en ofschoon hij, terwijl hij onder ons was, geen wonder gedaan heeft, is hij, na voor een wijle in een andere wereld geweest te zijn, teruggekomen met groter kracht, en nu werken die krachten in hem."
1. Waar een ijdel en dwaas geloof is, daar zal men gewoonlijk een buitensporige verbeelding aan het werk zien. Het volk zei: Het is een profeet, die van de doden is opgewekt, Herodes zei: Het is Johannes de Doper, die van de doden is opgewekt. Hieruit blijkt dat het opstaan uit de doden van een profeet om krachten te doen, iets was, dat verwacht werd, iets dat men noch onmogelijk noch onwaarschijnlijk vond, en nu werd het geredelijk vermoed, nu het niet waar was, maar later, toen het van Christus wèl waar was, onweerlegbaar als waar getuigd en bewezen, toen werd het hardnekkig tegengesproken en ontkend. Zij, die het moedwilligst geloof weigeren aan de waarheid, zijn meestal het lichtgelovigst aan dwaling en waan.
2. Zij, die tegen God strijden, zullen zich teleurgesteld bevinden, zelfs als zij denken overwinnaars te zijn, zij kunnen hun doel niet bereiken, want het woord des Heeren is tot in eeuwigheid. Zij, die zich verheugden toen de getuigen gedood waren, ergerden zich vol spijt en teleurstelling, toen zij na drie of vier dagen verrezen in hun opvolgers, Openbaring 11:10, 11. De onboetvaardige zondaar, die aan het zwaard van Jehu ontkomt, zal door Elisa worden gedood.
3. Een schuldig geweten heeft geen anderen aanklager of pijniger nodig dan zichzelf. Herodes beschuldigt zich zelven van den moord van Johannes, waarvan hem wellicht niemand anders durfde beschuldigen: Ik heb hem onthoofd, en de angst daarover bracht hem in den waan, dat Christus de verrezen Johannes was. Hij had Johannes gevreesd terwijl hij leefde, en thans, nu hij dacht van hem af te zijn, vreest hij hem nog tienmaal meer, nu hij dood is. Men zou even lief door spoken en furiën, als door de verschrikkingen van een aanklagend geweten gekweld worden. Wie dus kalmte en vrede des gemoeds wil genieten, moet zorgen een onbevlekt geweten te hebben, Handelingen 24:16.
4. Er kunnen verschrikkingen wezen van een sterke overtuiging van zonde, waar geen waarheid is van een zaligmakende bekering. Deze Herodes, die dit denkbeeld koesterde betreffende Christus, heeft Hem later gezocht te doden, Lukas 13:31, en Hem veracht en bespot, Lukas 23:11, zodat hij zich niet wil laten bewegen, al was het door iemand, die uit de doden is opgestaan, neen, zelfs door geen Johannes de Doper, die van de doden is opgestaan.
III. Het verhaal van de terdoodbrenging van Johannes de Doper door Herodes, dat hier, gelijk als in Mattheus, door den evangelist is ingelast. En hier kunnen wij opmerken:
1. De grote waardering en eerbied, die Herodes soms voor Johannes de Doper gekoesterd heeft, en alleen door dezen evangelist vermeld wordt, vers 20. Hier zien wij, hoe ver iemand gaan kan op den weg der genade en ere, en toch beiden zal missen, en voor eeuwig verloren zal gaan.
a. Hij vreesde Johannes, wetende dat hij een rechtvaardig en heilig man was. Het is mogelijk, dat iemand groten eerbied heeft voor vrome mensen, inzonderheid voor goede en Godvruchtige leraren, ja, en zelfs om hetgeen goed in hen is, terwijl hij toch zelf een slecht mens is. Johannes was een rechtvaardig en heilig man. Om volkomen goed te zijn, moet men zowel heilig als rechtvaardig wezen, heilig voor God en rechtvaardig tegenover de mensen. Johannes was dezer wereld afgestorven, en aldus was hij een goed vriend zowel van rechtvaardigheid als van heiligheid. Herodes wist dit, niet slechts door het algemeen gerucht, maar door persoonlijke bekendheid met hem, Zij, die zelf slechts weinig rechtvaardigheid en heiligheid bezitten, kunnen die eigenschappen toch met eerbied in anderen opmerken. Daarom vreesde, d.i. eerde hij hem. Heiligheid en rechtvaardigheid dwingen eerbied af, en velen, die zelf niet goed of Godvruchtig zijn, hebben eerbied voor hen, die het wel zijn.
b. Hij bewaarde hem, of hij lette op hem, hij beschutte hem tegen de kwaadwilligheid zijner vijanden (aldus verstaan sommigen die woorden), of liever, hij had achting voor zijn voorbeeldigen wandel, en had een oog voor hetgeen prijzenswaardig in hem was, en sprak er met lof van tot hen, die tot zijne omgeving behoorden. Hij liet blijken, dat hij acht gaf op hetgeen Johannes zei en deed.
c. Hij hoorde hem prediken. Hij verwaardigde zich zijn hoorder te wezen, niettegenstaande het geringe in het uiterlijk voorkomen van Johannes. Christus zelven in onze straten te hebben horen prediken zal geen zeer krachtige pleitrede voor ons zijn in den groten dag, Lukas 13:26.
d. Hij deed vele dingen, velen van die dingen, die Johannes in zijne prediking hem geleerd had. Hij was niet slechts een hoorder des woords, maar ten dele ook een dader van het werk. Sommige zonden, die door Johannes in zijne prediking bestraft werden, heeft hij nagelaten, en tot sommige plichten heeft hij zich begeven, maar het zal niet volstaan vele dingen te doen, wij moeten acht geven op al de geboden.
e. Hij hoorde hem gaarne. Hij hoorde hem niet met vrees en verschrikking, zoals Felix Paulus gehoord heeft, maar met genoegen. Er is een oppervlakkige blijdschap, die een geveinsde kan hebben, als hij het woord hoort, Ezechiël was voor zijne hoorders als een lied der minne, Ezechiël 33:32, de hoorders, die als de steenrots waren, waarop het zaad gezaaid werd, hebben het woord met vreugde ontvangen, Lukas 8:13.
2. Johannes' getrouwheid, waarmee hij hem zijne verkeerdheden onder het oog bracht. Herodes had de vrouw van zijn broeder Filippus gehuwd. vers 17. Ongetwijfeld heeft het gehele land schande geroepen over deze daad, en er hem om gesmaad, maar Johannes had er hem om bestraft, hem openlijk en duidelijk gezegd: Het is u niet geoorloofd de huisvrouw uws broeders te hebben. Dit was Herodes' ongerechtigheid, waarvan hij niet kon aflaten, toen hij vele dingen deed, die Johannes hem geleerd had, en daarom onderhoudt Johannes hem bijzonder over deze zaak. Hoewel hij een koning was, wilde Johannes hem toch niet ontzien, evenmin als Elia Achab gespaard of ontzien heeft, toen hij tot hem zei: Hebt gij doodgeslagen en ook een erfelijke bezitting ingenomen? Hoewel Johannes belang in hem stelde, en hij wel kon vrezen, dat zijne openhartigheid hem zijn invloed op hem zou doen verliezen, heeft hij hem toch bestraft, want de wonden des liefhebbers zijn getrouw, Spreuken 27:6, en hoewel er sommige zwijnen zijn, die zich omkeren en hem verscheuren, die paarlen voor hen geworpen heeft, zal toch over het algemeen hij, die een mens bestraft -indien de persoon, die bestraft wordt, tenminste iets van een mensenverstand heeft-achterna gunst vinden, meer dan die met de tong vleit, Spreuken 28:23. Hoewel het gevaarlijk was Herodes te beledigen, wilde Johannes zich toch liever aan dat gevaar blootstellen, dan zijn plicht te verzuimen. De leraren, die getrouw willen bevonden worden in het werk Gods, moeten het aangezicht des mensen niet vrezen. Als wij zoeken mensen te behagen, om iets anders dan om hun geestelijk welzijn te bevorderen, dan zijn wij geen dienstknechten van Christus.
3. Den haat, dien Herodias Johannes hierom toedroeg, vers 19, Herodias legde op hem toe, en wilde hem doden, maar toen haar dat niet gelukte, wist zij toch te bewerken dat hij in de gevangenis werd geworpen, vers 17. Herodes eerbiedigde hem, totdat hij hem aantastte in Herodias. Velen, die voorwenden het profeteren te eren, zijn toch alleen maar voor zachte dingen, zij houden van een goede prediking, zo die hun lievelingszonde ongemoeid laat, maar als die aangeraakt wordt, dan kunnen zij dat niet verdragen. Geen wonder, dat de wereld hen haat, die getuigen dat hare werken boos zijn. Maar het is beter, dat zondaars thans leraren vervolgen om hun getrouwheid, dan dat zij hen in de eeuwigheid vloeken wegens hun ontrouw.
4. Het complot beraamd om Johannes te onthoofden. Ik ben geneigd te denken, dat Herodes zelf in het complot was, niettegenstaande zijn voorgeven van bedroefd en misnoegd te zijn, en als het ware overvallen te wezen, en dat de zaak tussen hem en Herodias was afgesproken, want er is gezegd, dat het zou zijn, als er een welgelegen daggekomen was, vers 21, geschikt voor de uitvoering van dat plan.
a. Er moet op des konings verjaardag een hofbal plaatshebben, en een avondmaal worden bereid voor zijne groten en de oversten over duizend, en de voornaamsten van Galilea.
b. Om aan dit feest nog meer aantrekkelijkheid te geven, moet de dochter van Herodias in het openbaar dansen, en Herodes moet den schijn aannemen van buitengewoon door haar dansen bekoord te zijn, en bijgevolg moeten dan de hovelingen en de gasten evenzo bekoord zijn.
c. Hierop moet de koning haar een buitensporige belofte doen, namelijk haar alles te geven waar zij om vragen zou, tot zelfs de helft van zijn koninkrijk, maar toch zou dit dan, goed begrepen zijnde, aan het doel niet beantwoorden, want het hoofd van Johannes de Doper was meer waard dan het gehele koninkrijk. Deze belofte wordt bevestigd met een eed, opdat er gene mogelijkheid zou zijn van er op terug te komen, hij zwoer haar: zo wat gij van mij zult eisen, zal ik u geven. Ik kan mij nauwelijks voorstellen, dat hij haar zulk een onbepaalde belofte zou gegeven hebben, als hij niet wist wat zij zou vragen. d. Zij, onderricht zijnde door Herodias, hare moeder, vroeg om het hoofd van Johannes de Doper, en het moet haar gebracht worden op een schotel, als een fraai voorwerp om mede te spelen, vers 24, 25, en er moet niet mede getalmd worden, er moet geen tijd verloren gaan, zij moet het nu terstond hebben.
e. Herodes stond het toe, en de executie geschiedde, terwijl het gezelschap nog bij elkaar was, dat wij nauwelijks kunnen denken dat de koning gedaan zou hebben, indien hij de zaak niet van tevoren had beslist. Maar hij neemt den schijn aan van groten weerzin, en dat hij dit voor niets ter wereld gedaan zou hebben, indien hij die onbedachte belofte niet had gegeven. De koning was zeer bedroefd geworden, dat is: hij scheen dit te zijn, hij zei dat hij het was, hij zag er uit alsof hij het was, maar het was alles schijn en vertoning, in werkelijkheid was hij verheugd een voorwendsel gevonden te hebben om Johannes uit den weg te ruimen.
Wie niet kan veinzen, kan niet regeren. Toch was hij niet geheel zonder leedwezen er over, hij kon het niet doen dan met groten weerzin, het natuurlijke geweten zal de mensen niet zo gemakkelijk toelaten te zondigen, zelfs het bedrijven er van is kwellend, wat zal dan het nadenken er over niet wezen? Hij neemt den schijn aan van zich zeer bewust te zijn van de verplichting, die zijn eed hem oplegde, maar indien het dochtertje hem slechts een vierde part van zijn koninkrijk had gevraagd, ik twijfel niet, of hij zou wel een middel gevonden hebben om zich van zijn eed ontslagen te rekenen. De belofte was met roekeloze onvoorzichtigheid gedaan, en kon hem tot zulk ene ongerechtigheid niet verplichten. Van zondige eden moet men berouw hebben, en dus moeten zij niet worden gehouden, want berouw, dat tot bekering leidt, leidt ook tot het ongedaan maken van hetgeen wij verkeerd hebben gedaan, voor zoveel dit in ons vermogen is. Indien wij mogen veronderstellen, dat Herodes niets wist van het plan, toen hij deze roekeloze belofte deed, dan werd hij er waarschijnlijk door de hem omringenden toe gedreven, want hij deed het om degenen, die mede aanzaten, op wier gezelschap hij fier was, en daarom wilde hij ook alles doen om hun aangenaam te zijn. Aldus maken vorsten zich tot slaven van hen, op wier achting zij gesteld zijn. Geen van Herodes' onderdanen had meer ontzag voor hem, dan hij had voor zijne groten, oversten over duizend, en voornaamsten. De koning zond een scherprechter, een soldaat van zijne wacht. Bloeddorstige tirannen hebben altijd scherprechters bij de hand om hun wreedste en onrechtvaardigste bevelen uit te voeren. Zo heeft Saul een Doëg om aan te vallen op de priesters des Heeren, toen zijn eigen knechten dit weigerden.
5. Dit alles bracht teweeg
a. dat het goddeloze hof van Herodes triomfeert, want deze profeet had hen gekweld. Zijn hoofd wordt als geschenk aangeboden aan het dochtertje, en deze geeft het aan hare moeder, vers 28.
b. Dat de discipelen van Johannes in droefheid zijn gedompeld. Dezen hebben weinig gedacht, dat de zaak huns meesters zo zou eindigen, maar toen zij het hoorden, kwamen zij en namen het veronachtzaamde dode lichaam en legden het in een graf, waar Herodes, indien het hem had behaagd, het had kunnen vinden, toen hij zich zo angstig maakte bij de gedachte, dat Johannes de Doper van de doden was opgestaan.