Handelingen 24:10-21
Wij hebben hier Paulus' verdediging van zich zelven ter weerlegging van Tertullus' aanklacht, en wij zien er zeer veel in van den geest der wijsheid en heiligheid, en ene vervulling van Christus' belofte aan zijne volgelingen, dat, wanneer zij om Zijnentwil voor stadhouders en koningen gesteld zullen zijn, hun te dier ure gegeven zal worden wat zij zullen spreken. Hoewel Tertullus zeer vele bittere, tergende dingen gezegd had, is Paulus hem toch niet in de rede gevallen, maar heeft hij hem geheel laten uitspreken, overeenkomstig de regelen der betamelijkheid, en de methode, in gerechtshoven gevolgd, dat de aanklager zijn getuigenis ten einde moet brengen, eer de beklaagde zijne verdediging begint. En toen Tertullus uitgesproken had, is Paulus niet losgebarsten in hartstochtelijke uitroepen tegen de verdorvenheid der tijden en der mensen, (O tempora, O mores -O, hoe zijn de tijden ontaard!) maar wachtte op verlof van den rechter om op zijne beurt te spreken, en dit verlof kreeg hij. De stadhouder wenkte hem, dat hij zou spreken, vers 10. En nu zal men, onder bescherming van den stadhouder, ook hem moeten laten uitspreken, hetgeen hem tot nu toe niet was toegestaan. En toen hij sprak, maakte hij volstrekt gene aanmerkingen op Tertullus, hij wist dat deze sprak voor zijn loon, en dus. verachtte hij wat hij gezegd had, en richtte zijne verdediging tegen hen, die hem gehuurd hadden. En hier:
I. Wendde hij zich zeer eerbiedig tot den stadhouder, en met vertrouwen, dat hij hem recht doen zal. Hier hoort men de vleiende complimenten niet, waarmee Tertullus hem gestreeld had, maar hetgeen wezenlijk eerbiediger was, ene verklaring, dat hij zich met goeden moed voor hem verantwoordde, hem beschouwende, niet als zijn vriend maar als iemand, die billijk en onpartijdig zijn zal. Hij geeft zijne verwachting te kennen, dat hij dit zijn zal, om hem aan te sporen het ook te zijn. Het was ook de taal van iemand die zich zijner eigene oprechtheid bewust was, en wiens hart hem niet smaadt of hem iets verwijt, wie anders hem wèl moge smaden. Hij stond niet bevend voor dien rechterstoel, integendeel, hij was goedsmoeds, nu hij een rechter had, die niet tevens partij was, maar een onzijdig, onverschillig persoon. Ja, als hij bedenkt wie zijn rechter is, verantwoordt hij zich met te beteren moed, en waarom? Hij zegt niet: "Omdat ik u ken als een rechter van onkreukbare rechtvaardigheid en eerlijkheid, die steekpenningen verfoeit, en bij uw oordeel God vreest en den mens niet aanziet", want dit kon hij niet met recht van hem zeggen, al zou hij ook nog zo zeer zijne gunst winnen door het te zeggen, maar: ik verantwoord mij zelven met des te beteren moed, dewijl ik weet, dat gij nu vele jaren over dit volk rechter zijt geweest, en dat was zeer waar. En dit zo zijnde:
1. Kon hij naar zijn eigen weten zeggen, dat er te voren gene klachten tegen Paulus geweest waren. Een geschreeuw, als zij hebben aangeheven, geldt gewoonlijk oude overtreders, recidivisten, maar hoewel hij sedert lang den rechterstoel aldaar had bekleed, is Paulus toch nooit te voren voor hem gebracht, en dus was hij niet zo gevaarlijk een misdadiger als men hem voorstelde.
2. Was hij wel bekend met de Joodse natie, met hare neiging en temperament. Hij wist hoe vurig zij ijverden voor hun eigene inzettingen, welke heftige ijveraars zij waren, tegen allen, die niet met hen instemden, hoe bits en bitter zij zijn konden, en dat hij dus daarmee rekening zou houden ten opzichte van de beschuldiging, die zij tegen hem inbrachten, en geen acht zou slaan op hetgeen, naar hij reden had te denken, uit partijwoede voortkwam. Hoewel hij hem, Paulus, niet kende, kende hij zijne vervolgers, en daarnaar kon hij dan wel gissen wat soort van man hij was. II. Hij ontkent de feiten, die zij hem ten laste leggen, en waarop hun mening van hem gegrond was. Het verwekken van oproer en ontheiliging van den tempel waren de misdaden, waarvan hij beschuldigd werd, misdaden, waarnaar de Romeinse landvoogden, zoals zij wisten, niet gewoon waren een onderzoek in te stellen, en daarom hoopten zij, dat de stadhouder hun den gevangene weer zou overleveren, om naar hun wet geoordeeld te worden, en dat was alles wat zij begeerden. Maar Paulus verlangt, dat hij, hoewel niet zelf een onderzoek naar deze misdaden instellende, toch bescherming zou verlenen aan een man, die er ten onrechte van was beschuldigd, tegen degenen, die hij als nijdig en boosaardig van karakter kende. Nu wilde hij hem doen weten (en hij was bereid, om, indien het verlangd werd, wat hij zei door getuigen te staven).
1. Dat hij naar Jeruzalem was gekomen, om in vrede en heiligheid God te aanbidden, zo ver was hij van enigerlei bedoeling of voornemen om oproer te verwekken onder het volk, of den tempel te ontheiligen. Hij kwam om gemeenschap te onderhouden met de Joden, niet om hen te beledigen.
2. Dat het slechts twaalf dagen was geleden sedert hij naar Jeruzalem was opgegaan, en hij is nu al zes dagen lang gevangen. Hij was alleen, en men kon niet veronderstellen, dat hij in zo kort een tijd, het kwaad zou hebben kunnen doen, dat zij hem ten laste leggen. En wat betreft hetgeen hij in andere landen gedaan heeft, daarvan wisten zij niets dan door losse geruchten, waarin de zaken zeer oneerlijk waren voorgesteld.
3. Dat hij zich te Jeruzalem zeer rustig en vreedzaam had gedragen, hoegenaamd gene beweging had veroorzaakt. Indien het waar was (gelijk zij voorgaven) dat hij iemand was, die oproer verwekt onder alle de Joden, dan zou hij zich voorzeker beijverd hebben om te Jeruzalem ene partij voor zich te formeren, maar hij heeft dit niet gedaan. Hij was in den tempel om er den dienst bij te wonen, hij was in de synagogen, waar de wet gelezen en verklaard werd, in de stad ging hij bij vrienden en bekenden, en op de plaatsen van samenkomst heeft hij vrij en openlijk met de mensen gesproken, hij was een man van groot verstand en van een werkzamen geest, en toch konden zij hem niet beschuldigen van iets voorgeslagen te hebben tegen het geloof, of tegen den vrede van de Joodse kerk.
a. Er was in hem geen geest van tegenspraak, zoals die in de verwekkers van oproer gevonden wordt. Hij had gene neiging tot twisten of tot tegenstaan. Zij hebben mij noch in den tempel gevonden tot iemand sprekende, of disputerende hetzij de geleerden beledigende met vitzuchtige aanmerkingen, of de zwakken en eenvoudigen met spitsvondige fijnheden in de war brengende. Hij was bereid, indien men het begeerde rekenschap te geven van zijne hoop, en aan anderen onderricht te geven maar nooit heeft hij met iemand twist gezocht over den Godsdienst, noch datgene tot een onderwerp van debat of strijd gemaakt, dat altijd met ootmoed en eerbied, met zachtmoedigheid en liefde behandeld moet worden.
b. Er was in hem niets van een woelzieken geest. Zij hebben mij niet gevonden enige samenrotting des volks makende, door hen in woede te ontsteken tegen hun regeerders in kerk of staat, of vreze en wantrouwen bij hen opwekkende omtrent publieke aangelegenheden, of twist en tweedracht onder hen zaaiende." Hij gedroeg zich zoals het een Christen en een Evangeliedienaar betaamde, met liefde en kalmte, en behoorlijke onderworpenheid aan het wettig gezag. De wapenen van zijn krijg waren niet vleselijk, noch heeft hij ooit melding gemaakt van, of ook maar gedacht aan, een opvatten der wapenen ter verbreiding van het Evangelie, of ter verdediging van de predikers er van, ofschoon hij onder het gewone volk misschien even sterk ene partij voor zich had kunnen formeren, als zijne tegenstanders, maar hij heeft het nooit beproefd. Ten opzichte van hun beschuldiging, dat hij in andere landen oproer zou verwekt hebben, daaraan was hij volkomen onschuldig, en zij konden de beschuldiging niet bewijzen, vers 13.
En zij kunnen niet bewijzen waarvan zij mij nu beschuldigen. Hiermede:
a. Houdt hij zijne onschuld staande, want als hij zegt: Zij kunnen het niet bewijzen, bedoelt hij: De zaak is niet zo. Hij was geen vijand van den openbaren vrede, hij had aan het volk der Joden gene werkelijke schade of nadeel toegebracht, maar hun wel veel dienst bewezen, en hij zou zeer gaarne nog meer voor hen gedaan hebben. Hij was zo ver van enigerlei antipathie tegen hen te koesteren, dat hij juist de sterkst mogelijke genegenheid voor hen had, ene innige vurige begeerte naar hun welvaren, Romeinen 9:1-3,
b. Hij betreurt de ramp, die hem heeft getroffen, dat hij beschuldigd was van die dingen, die niet tegen hem bewezen konden worden, en het is dikwijls het lot geweest van zeer waardige en goede mensen, dat hun dingen ten laste gelegd werden, die zeer verre waren van hun gedachten, ja die zij verafschuwden. Maar terwijl zij die ramp betreuren, kan het hun een oorzaak van vreugde zijn, dat zij het getuigenis van hun eigen geweten hebben van hun oprechtheid.
c. Hij legt de ongerechtigheid bloot van zijne vervolgers, die zeiden wat zij niet konden bewijzen, en hem daarmee onrecht deden lijden in zijn naam, zijne vrijheid en zijn leven, en ook den rechter onrecht deden, door hem te bedriegen, en te doen wat in hun vermogen was om zijn oordeel te verderven.
d. Hij doet een beroep op de billijkheid van den rechter, wekt hem op om om zich heen te zien, ten einde door de heftigheid der vervolging in geen strik te vallen. De rechter moet vonnis wijzen secundum allegata et probata, niet alleen naar hetgeen aangevoerd of beweerd is, maar naar hetgeen bewezen is, en daarom moet hij onderzoeken en nasporen en wèl navragen, of het de waarheid is, of de zaak zeker is, Deuteronomium 13:14, anders kan hij geen recht oordeel geven.
III. Hij geeft goede en juiste rekenschap van zich zelven, hetgeen hem terstond zowel ontlast van schuld of misdaad als ook te kennen geeft wat de ware reden is van hun heftigheid in hem te vervolgen.
1. Hij erkent, dat hij iemand is, dien zij als een ketter beschouwen, en dat dit de reden was van hun wrok tegen hem. De overste had in zijne vervolgers ene ongemene heftigheid en woede opgemerkt, en de stadhouder moest die ook wel opmerken, en zij weten niet, waaraan zij die moeten toeschrijven. Naar het geschreeuw, dat zij tegen hem aanhieven, vermoeden zij, dat hij wel een zeer slecht mens moest wezen, maar nu geeft Paulus hun den sleutel van het raadsel: Dit beken ik u, dat ik, naar dien weg welken zij sekte of ketterij noemen, den God der vaderen alzo dien. Het geschil betreft ene zaak van Godsdienst en zulke strijdvragen worden gewoonlijk met de meeste hartstochtelijkheid en geweld behandeld. Het is niets nieuws, dat de rechte manier van God te aanbidden ketterij genoemd wordt, en dat de besten van Gods dienstknechten als ketters en scheurmakers worden gebrandmerkt. De hervormde kerken worden ketters genoemd door hen, die zich niet willen laten hervormen. Laten wij ons dus nooit van een goeden weg laten verdrijven doordat er een slechte naam aan gegeven is, want het ware en zuivere Christendom is er niet te slechter om, of moet er niet te slechter om gehouden worden, dat het ketterij genoemd wordt ja, al zou het ook door den hogepriester en de ouderlingen aldus genoemd worden.
2. Hij verdedigt zich tegen deze aantijging. Zij noemen Paulus een ketter, maar hij is het niet, want:
a. Hij aanbidt den God der vaderen, en daarom moet zijn Godsdienst recht wezen ten opzichte van het Voorwerp zijner aanbidding. Hij zegt niet: Laat ons andere goden, die gij niet gekend hebt, navolgen en hen dienen, Deuteronomium 13:2, zoals de valse profeet ondersteld wordt te doen. Indien hij dit deed, dan zouden zij met recht zijn weg ketterij kunnen noemen, een aftrekken van hen naar bijpaden, en dat wel gevaarlijke, maar hij aanbidt den God van Abraham, Izaak en Jakob, niet slechts den God, dien zij aanbaden, maar den God, die hen in Zijn verbond had opgenomen, en die hun God wilde genoemd worden. Paulus houdt vast aan dat verbond, en wil er geen ander tegenover oprichten. De belofte, die tot de vaderen geschied is, verkondigde Paulus als vervuld aan de kinderen, Hoofdstuk 13:32, 33, en zo richtte hij zijne eigene gebeden, en die van anderen, tot God, als den God hunner vaderen. Hij wijst ook op de gewoonte van al zijne Godvruchtige voorvaderen, ik aanbid dezelfden God, die al mijne vaderen hebben aangebeden, zijn Godsdienst kon zo weinig nieuw genoemd worden, dat hij juist roemde in zijne oudheid en in ene onafgebrokene opvolging van deszelfs belijders. Het is zeer troostrijk bij onze aanbidding van God, Hem te kunnen beschouwen als den God onzer vaderen. Onze vaderen hebben op Hem vertrouwd, en werden door Hem erkend, en Hij heeft zich verbonden hun God te zijn, en de God huns zaads. Hij bewees zich hun God te zijn, en daarom zal Hij, indien wij Hem dienen, zoals zij Hem gediend hebben, ook onze God zijn. Welk een nadruk wordt hierop gelegd: Hij is mijns vaders God, dies zal ik Hem verheffen. Exodus 15:2.
b. Hij gelooft alles wat in de wet en de profeten geschreven is, en dus heeft hij ook een rechte regel voor zijne aanbidding. Zijn Godsdienst is gegrond op, en wordt bestuurd door, de heilige Schrift, zij is zijne Godsspraak en toetssteen, en hij spreekt en handelt naar die Schrift. Hij neemt de Schrift geheel aan, hij gelooft alles wat er in geschreven is, en hij neemt haar zuiver aan, want gelijk hij van zich zelven verklaart, Hoofdstuk 26:22, hij zegt niets buiten hetgeen er in vervat is. Hij stelt geen anderen regel voor geloof of praktijk dan de Schrift-gene overlevering, geen gezag van de kerk, of de onfeilbaarheid van een mens, of van ene vereniging van mensen op aarde, geen licht van binnen, geen menselijk verstand, maar de Goddelijke openbaring, zoals zij is in de Schrift, die is het waarmee hij wil leven en sterven, en daarom is hij geen ketter.
c. Hij heeft het oog op een toekomstigen staat, verwacht hem in geloof, en dus heeft hij ook een recht doel van aanbidding. Zij, die zich ter zijde afwenden tot ketterij, hebben het oog op deze wereld, en op het een of ander wereldlijk belang, maar Paulus heeft met zijn Godsdienst den hemel op het oog, niets meer en niets minder vers 15.
Ik heb hoop op God, al mijne verwachting is van Hem, en daarom is al mijne begeerte tot Hem, ben ik geheel afhankelijk van Hem. Mijne hoop is gericht op God, en niet op de wereld, op ene andere wereld, en niet op deze wereld. Ik betrouw op God en op Zijne macht, dat er aan het einde van den tijd ene opstanding der doden zijn zal, van allen, beiden van de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen, en de grote zaak, die ik in mijn Godsdienst op het oog heb, is een blijde en zalige opstanding te verkrijgen, deel te hebben in de opstanding der rechtvaardigen." Merk hier op: A. Dat er ene opstanding van de doden zijn zal, de dode lichamen van de mensen, van alle mensen, van het begin des tijds af. Het is zeker, niet alleen dat de ziel niet sterft met het lichaam, maar dat het lichaam zelf zal herleven, wij hebben niet slechts een ander leven te leven, als ons tegenwoordig leven eindigt, maar er zal ene andere wereld zijn, die begint, wanneer deze wereld eindigt, en waar alle mensenkinderen tegelijk in moeten komen door ene opstanding uit de doden zoals zij in deze wereld de een na den ander zijn gekomen door hun geboorte.
B. Het zal ene opstanding zijn beiden van de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen, de geheiligden en de ongeheiligden, van hen, die het goede gedaan hebben, en voor hen heeft onze Heiland ons gezegd, zal het de opstanding des levens zijn, en voor hen, die het kwade gedaan hebben, en voor dezen zal het de opstanding der verdoemenis zijn, Johannes 5:29, Daniël 12:2. Dit duidt aan, dat het ene opstanding zal wezen ten laatsten oordeel, waarbij alle kinderen der mensen bestemd zullen worden voor de eeuwige gelukzaligheid of rampzaligheid in ene wereld der vergelding, overeenkomstig hetgeen zij waren, en hetgeen zij deden in dezen staat van voorbereiding en hun proeftijd. De rechtvaardigen zullen opstaan krachtens hun vereniging met Christus als hun Hoofd, de onrechtvaardigen zullen opstaan krachtens de heerschappij van Christus over hen als Rechter.
C. Er moet op God worden betrouwd voor de opstanding der doden. Ik heb hoop op God, en in God, dat er ene opstanding zijn zal, zij zal gewerkt worden door de almachtige kracht Gods, ter vervulling van het woord, dat God heeft gesproken, zodat zij, die er aan twijfelen, hun onwetendheid verraden beide omtrent de Schrift en omtrent de kracht Gods, Mattheus 22:29.
D. De opstanding der doden is een fundamenteel artikel van onze geloofsbelijdenis, zoals het dit was van de Joodse kerk, welke dezen ook zelven verwachten, ja zij was de verwachting der oude patriarchen, getuige Jobs belijdenis van zijn geloof, maar zij is helderder geopenbaard en meer ten volle bevestigd door het Evangelie, daarom moesten zij, die haar geloofden, dankbaar zijn aan de predikers van het Evangelie voor hun uitleggingen en bewijzen er van, in plaats van hen tegen te staan.
E. In geheel onzen Godsdienst behoren wij het oog te hebben op de andere wereld, en in alle gelegenheden God te dienen, met het vertrouwen in Hem, dat er ene opstanding der doden zijn zal, alles doende ter voorbereiding hiervoor, en daarin ons loon verwachtende.
d. Zijn wandel is in overeenstemming met zijne Godsvrucht, vers 16. Hierin oefen ik mij zelven, om altijd ene onergerlijke consciëntie te hebben bij God en de mensen. De profeten en hun leerstellingen werden gekend aan hun vruchten. Paulus was verre van schipbreuk te hebben geleden van ene goede consciëntie, en daarom is het niet waarschijnlijk, dat hij schipbreuk zal lijden van het geloof, waarvan de verborgenheid het best gehouden wordt in een reine consciëntie. Deze betuiging van Paulus heeft dezelfde strekking als die hij voor den hogepriester gedaan heeft, Hoofdstuk 23:1. Ik heb met alle goede consciëntie voor God gewandeld, en dit was zijn roem. Merk op:
A. Wat Paulus' doel en begeerte was: ene onergerlijke consciëntie te hebben. Hetzij, Ten eerste:" Ene consciëntie, die niet ergert, mij niet verkeerd inlicht, of vleit, of bedrieglijk met mij handelt, of mij in enig opzicht misleidt. Of: Ten tweede. Ene consciëntie, die niet geërgerd wordt, het is gelijk Job, s besluit: "Mijn hart zal mij niet smaden. Ik zal er nooit aanleiding toe geven. Dit is mijne eerzucht, dit is het, waarnaar ik streef, vrede te hebben met mijn eigen geweten, zodat er gene reden is om aan het goede van mijn geestelijken staat te twijfelen, of mij vanwege enigerlei daad te beschuldigen. Het is mij ene even grote zorge mijne consciëntie niet te beledigen, als een vriend niet te beledigen, met wie ik dagelijks omga, ja even zorgvuldig als ik ben om een magistraat niet te beledigen of te ergeren, onder wiens rechtsmacht ik mij bevind, en voor wie ik mij heb te verantwoorden, want het geweten is Gods vertegenwoordiger in de ziel." Wat hierbij zijn streven was. Ik oefen mij zelven - askoo. Ik maak het tot mijne voortdurende bezigheid, en bestuur mij hierin, ik stel mij zelven onder tucht, en leef naar regel". (Zij die dit deden, werden naar dit woord, dat hier gebruikt is, asceten genoemd,)" onthoud mij van menig ding, waartoe ik neiging heb, en ben overvloedig in alle oefeningen van den Godsdienst, die het meest geestelijk zijn, dit op het oog hebbende, vrede te houden met mijn eigen geweten." Hoe ver die zorge gaat. Ten eerste. Ten allen tijde, altijd een onergerlijk geweten te hebben, zonder grove ergernis, want hoewel Paulus zich bewust was, dat hij de volmaaktheid nog niet verkregen had, en dat hij het kwade deed, dat hij niet wilde doen, was hij toch vrij van grote overtreding. Zonden der zwakheid zijn lastig voor de consciëntie, maar zij wonden haar niet, zo als zonden der trotsheid, en hoewel aan het geweten ergernis of aanstoot gegeven kan worden, moet men er toch voor zorgen, dat die ergernis niet blijvend is, maar dat zij door vernieuwde daden van geloof en bekering spoedig weggenomen worde. Hierin moeten wij ons echter altijd oefenen, en hoewel wij het nog niet verkregen hebben, moeten wij er toch naar jagen. Ten tweede. Die zorge strekt zich uit tot alles. Hij oefent zich om een onergerlijk geweten te hebben bij God en de mensen. Zijne nauwgezette zorg strekte zich uit over geheel zijn plicht, en hij was bevreesd te zondigen tegen de wet der liefde, hetzij tot God of de mensen. Evenals de magistraat, is de consciëntie custos utriusque tabulæ -de hoedster van elke tafel. Wij moeten zeer voorzichtig zijn, oppassen, dat wij niets verkeerds denken, spreken of doen, hetzij tegen God of den mens, 2 Corinthiërs 8:21. De beweegreden er van. Hierin, en toutoo. Men zou dit ook kunnen lezen hierom, of om die reden. "Omdat ik de opstanding der doden verwacht en het leven in de toekomende wereld, oefen ik mij zelven aldus". De overweging van den toekomenden staat moet ons aansporen tot ene algemene nauwgezetheid van leven in onzen tegenwoordigen staat.
IV. Zijne geloofsbelijdenis afgelegd hebbende, geeft hij nu ene eenvoudige en getrouwe mededeling van zijne zaak, van het onrecht, dat hem gedaan is door zijne vervolgers. Twee maal heeft de overste hem uit hun handen gered, toen zij op het punt waren van hem in stukken te scheuren, en hij roept hen nu op om met bewijzen te komen, dat hij toen aan enigerlei misdaad schuldig was.
1. In den tempel zijn zij woedend op hem aangevallen als een vijand van hun volk en van den tempel, Hoofdstuk 21:28. Maar was er toen ook maar een schijn van grond voor de aantijging? Neen, maar wel een genoegzaam bewijs er tegen. Het was zeer hard hem te beschuldigen van een vijand huns volks te wezen, als hij na ene lange afwezigheid van Jeruzalem kwam om aan zijn volk aalmoezen te brengen, geld, dat hij (hoewel het zelf nodig hebbende) gecollecteerd had onder zijne vrienden ter ondersteuning van de armen te Jeruzalem. Hij koesterde niet slechts gene kwaadwilligheid tegen dat volk, maar hij was het zeer genegen, hij was bereid hun alle goede diensten te bewijzen, staan zij hem dan tegen voor zijne liefde? Psalm 109:4. Het was zeer hard hem te beschuldigen van den tempel te hebben ontheiligd, als hij offerande bracht in den tempel, en dat wel op zijne eigene kosten, Hoofdstuk 21:24, en gevonden was zich, overeenkomstig de wet, in den tempel te heiligen, vers 18, en dat wel op rustige, betamelijke wijze, niet met volk, noch met beroerten. Hoewel hij een man was, van wie zoveel werd gesproken, was hij toch volstrekt niet begerig zich te vertonen, toen hij te Jeruzalem kwam, heeft hij niet gewenst, dat men hem zou nalopen, maar hij ging, zo veel dit maar mogelijk was incognito naar den tempel. Het waren Joden uit Azië, zijne vijanden, die maakten, dat hij werd opgemerkt. Zij hadden geen voorwendsel om een volksoploop tegen hem te veroorzaken, noch beroerte tegen hem te verwekken, want hij was er noch met beroerte noch met volk. En wat betreft hetgeen men wellicht aan Felix had ingeblazen, namelijk, dat hij, tegen hun wet, Grieken in den tempel gebracht had en dat de stadhouder hem deswege ter verantwoording zou roepen, daar de Romeinen met de door hen overwonnen volken het beding hadden aangegaan, dat zij de vrije uitoefening van hun Godsdienst zouden behouden, hij tart hen om het te bewijzen, vers 19. "Deze Joden uit Azië behoorden hier tegenwoordig voor u te zijn, ten einde ondervraagd te kunnen worden omtrent hetgeen zij tegen mij hadden, en dat zij dit dan onder ede zouden moeten verklaren," want sommigen, die geen gewetensbezwaar hebben om ene leugen te zeggen, hebben wel gewetensbezwaar om die leugen te bevestigen door een eed.
2. In den raad. "Daar de Joden uit Azië niet hier zijn om te bewijzen, dat ik iets verkeerds gedaan heb in den tempel, zo laten dan dezen zelven, dezen, die hier zijn, de hogepriester en de ouderlingen, zeggen, of zij enig onrecht in mij gevonden hebben, of ik mij aan enigerlei wandaad heb schuldig gemaakt, als ik voor den raad stond, toen zij evenzeer gereed waren mij te verscheuren, vers 20. Toen ik daar was, hebben zij gene ergernis kunnen nemen aan iets dat ik gezegd heb, want al wat ik zei was: Over de opstanding der doden word ik heden van ulieden geoordeeld, vers 21, hetgeen niemand heeft geërgerd dan de Sadduceeën. Het was, hoop ik, gene misdaad, dat ik mij hield aan hetgeen het geloof is van geheel de Joodse kerk, behalve van hen, die zij zelven ketters noemen."