Markus 16:1-8
Nooit is er zulk een sabbat geweest, sedert de sabbat voor het eerst ingesteld werd, als deze was, en die, gelijk de eerste woorden van dit hoofdstuk ons melden, nu voorbij was. Gedurende dien gehelen sabbat lag onze Heere Jezus in het graf. Voor Hem was het een sabbat der ruste, maar een stille sabbat, voor Zijne discipelen was het een treurige sabbat, doorgebracht in tranen en angst. Nooit waren de sabbatsdiensten in den tempel zulk een verfoeisel voor God, hoewel zij dit dikwijls geweest zijn, als zij het nu waren, toen de handen der overpriesters, die er bij voorgingen, vol waren van bloed, het bloed van Christus. Welnu, die sabbat is voorbij, en de eerste dag der week is de eerste dag van een nieuwe wereld. Wij hebben hier:
I. Het liefdevolle bezoek der Godvruchtige vrouwen, die Christus hadden gediend, aan Zijn graf. Het was geen bijgelovig, maar een Godvruchtig bezoek. Zeer vroeg in den morgen, bij het aanbreken van den dag, of nog vroeger, hadden zij haar woning verlaten, maar zij hadden of een langen weg af te leggen, of enig oponthoud gehad, zodat zij pas bij zonsopgang aan het graf kwamen. Zij hadden specerijen gekocht, en kwamen niet slechts om het dode lichaam met hare tranen te besproeien-want door niets kon hare droefheid meer opgewekt worden dan door hetgeen zij gingen verrichten-maar ook om het te zalven met hare specerijen, vers 1. Nicodemus had een grote hoeveelheid droge specerijen gekocht, mirre en aloë, welke dienen om de wonden en het bloed op te drogen, Johannes 19:39. Maar deze vrouwen achtten dit niet genoeg, zij kochten specerijen, wellicht van een andere soort, welriekende oliën, om Hem te zalven. De eer, die anderen aan Christus' naam hebben bewezen, moet ons niet weerhouden van Hem ook onzen eerbied te bewijzen.
II. De zorg, die het baarde, om den steen afgewenteld te krijgen, en het wegnemen dier zorg, vers 3, 4. Zij zeiden tot elkaar, terwijl zij voortgingen, en nabij het graf gekomen waren: Wie zal ons den steen van de deur des grafs afwentelen? want hij was zeer groot, en dus zwaarder dan dat zij hem met verenigde krachten zouden kunnen bewegen. Zij hadden hieraan moeten denken eer zij uitgingen, en dan zou de voorzichtigheid haar geboden hebben niet te gaan, tenzij vergezeld van personen, die dit doen konden. En er was nog een veel grotere moeilijkheid, die zij te boven moesten komen, en waarvan zij niets wisten, namelijk ene wacht van soldaten, daar geplaatst om het graf te bewaken, en die, zo zij eerder waren gekomen, haar van schrik hadden doen teruggaan. Maar hare liefde tot Christus bracht haar tot het graf, en zie nu, hoe op het ogenblik, dat zij er kwamen, die twee moeilijkheden uit den weg waren geruimd, zowel de steen, waarvan zij wisten, als de wacht, waarvan zij niet wisten, waren weg. Zij zagen dat de steen afgewenteld was, dat het eerste ding was, dat haar verbaasde. Zij, die door een heilige begeerte gedreven worden om Christus naarstiglijk te zoeken, zullen bevinden, dat de moeilijkheden op hun weg op wonderbaarlijke wijze worden weggenomen, en dat zij er boven alle verwachting overheen geholpen worden.
III. De verzekering, die haar door een engel gegeven werd, dat de Heere Jezus van de doden was opgestaan, afscheid had genomen van het graf, en hem daar gelaten had om aan hen, die Hem daar zochten, dit te berichten.
1. Zij zijn ingegaan in het graf, een weinig tenminste, en zagen, dat het lichaam van Jezus niet meer was waar zij het des Vrijdagsavonds gelaten hadden. Hij, die het ondernomen heeft, om door Zijn dood onze schuld te betalen, heeft ons door Zijne opstanding den kwijtbrief verkregen, want het was Zijn ontslag uit de gevangenis-en het was een rechtmatig en wettig ontslag-waaruit bleek dat Hij aan al de eisen der Goddelijke gerechtigheid had voldaan, en dat tevens de zaak in geschil beslecht werd door het onweerlegbaar bewijs, dat Hij de Zoon van God was.
2. Zij zagen een jongeling, zittende ter rechterzijde van het graf. De engel verscheen in de gestalte van een mens, een jongeling, want engelen, hoewel geschapen in den beginne, worden niet oud, maar zijn immer in dezelfden staat van vo1komenheid van schoonheid en kracht, en dat zullen de verheerlijkte heiligen ook zijn, als zij zullen zijn gelijk de engelen. Deze engel zat ter rechterzijde, toen zij in het graf gingen, bekleed met een lang wit kleed, een gewaad, dat tot aan de voeten reikte, zoals de klederen der aanzienlijken. Hem te zien had die vrouwen wèl kunnen bemoedigen, maar zij werden verbaasd of verschrikt. Menigmaal zal hetgeen ons tot vertroosting zou kunnen dienen, door onze vergissingen en ons niet begrijpen, ene verschrikking voor ons zijn.
3. Hij brengt haar vrees tot bedaren door haar te verzekeren, dat er wèl grote oorzaak was tot juichen, maar niet tot vrezen, vers 6, Hij zei tot haar: Zijt niet verbaasd. Gelijk engelen zich verheugen over de bekering van zondaren, zo verheugen zij zich ook in de vertroosting der heiligen. Zijt niet verbaasd want
a. "Gij zijt getrouwe, liefdevolle volgelingen van Jezus Christus, in plaats dus van verschrikt te zijn, behoort gij vertroost en bemoedigd te wezen. Gij zoekt Jezus den Nazarener, die gekruist was." Het vragen en zoeken van gelovige zielen naar Christus heeft bijzonder betrekking op Hem als den Gekruiste, 1 Corinthiërs 2:2, opdat zij Hem kennen en de gemeenschap Zijns lijdens. Zijn verhoogd zijn van de aarde is hetgeen allen tot Hem trekt. Christus' kruis is de banier, waarnaar de volken vragen. Merk op dat hij spreekt van Jezus als van Hem, die gekruist was. "Die zaak is voorbij, gij moet niet zo blijven verwijlen bij de treurige omstandigheden van Zijne kruisiging, dat gij niet instaat zijt om de blijde tijding Zijner opstanding aan te nemen. Hij was gekruisigd in zwakheid, maar dat verhindert niet dat Hij opgewekt is in kracht. Gij, die Hem zoekt, moet dus niet vrezen Hem te missen." Hij was gekruisigd, maar Hij is verheerlijkt, en wel verre dat de schande van Zijn lijden Zijne heerlijkheid vermindert, wordt door de heerlijkheid alle smaad van Zijn lijden volkomen afgewist. Daarom heeft Hij ook na Zijn ingaan tot de heerlijkheid nooit een sluier geworpen over Zijn lijden, en heeft Hij het niet geschroomd, dat er van Zijn kruis wordt gesproken. De engel, die hier Zijne opstanding verkondigt, noemt Hem Jezus, die gekruist was. Hij zelf erkent, Openbaring 1:18, Ik ben die leef, en Ik ben dood geweest, en in het midden der lofzangen van de hemelse heirscharen verschijnt Hij als een Lam, dat geslacht is, Openbaring 5:9.
b. "Het zal dus een goede tijding voor u wezen te horen, dat gij, in stede van Hem, dood zijnde, te zalven, u in Hem kunt verblijden als levend. Hij is opgestaan, Hij is hier niet, niet dood, maar weer levend. Wij kunnen u Hem nu niet tonen, maar later zult gij Hem zien, en nu kunt gij zien de plaats, waar zij Hem gelegd hebben. Gij ziet, Hij is van hier gegaan, noch door Zijne vijanden noch door Zijne vrienden is Hij gestolen, maar Hij is opgestaan.
4. Hij beveelt haar spoedig kennis hiervan te geven aan Zijne discipelen. Aldus zijn zij tot apostelen van de apostelen geworden, hetgeen ene beloning was voor hare 1iefde en trouw jegens Hem, betoond in haar blijven bij Hem aan het kruis, tot aan het graf en tot in het graf. Zij kwamen het eerst en werden het eerst gediend met vertroosting, geen ander uit Zijne discipelen durfde tot Zijn graf naderen, of onderzoek naar Hem doen, zo weinig gevaar was er, dat zij des nachts zouden komen om Hem te stelen, dat niemand tot Hem naderde dan enige vrouwen, die niet eens den steen konden afwentelen.
a. Zij moeten Zijnen discipelen zeggen dat Hij is opgestaan. Het is een treurige, sombere tijd voor hen, hun geliefde Meester is dood, en al hun blijdschap en hoop zijn begraven in Zijn graf. Zij beschouwen Zijne zaak als terneder geworpen, zij zelven gereed om als een gemakkelijke prooi hunnen vijanden in handen te vallen, zodat er geen kracht of moed in hen is overgebleven. Zij zijn ten einde raad, en ieder hunner bedenkt hoe het best voor zich zelven te zorgen. "O! gaat haastelijk tot hen," zegt de engel, "zegt hun dat hun Meester is opgestaan. Dat zal weer leven en moed in hen opwekken, en hen er voor behoeden om in wanhoop weg te zinken." Christus schaamt zich niet Zijn arme discipelen te erkennen, nu Hij in Zijn staat van verhoging is, Hij schuwt hen niet wegens Zijne verhoging, want Hij droeg er terstond zorg voor dat die hun bekend werd gemaakt. Ook betoont Christus zich niet uiterst gestreng om op te merken wat zij, wier hart oprecht voor Hem is, verkeerds gedaan hebben. De discipelen hadden Hem zeer onvriendelijk verlaten, en toch betuigde Hij deze zorg en belangstelling voor hen. Aan hen, die treuren om den Heere Jezus, zal intijds vertroosting worden gezonden, en ter gelegener tijd zal Hij zich aan hen openbaren.
b. Zij moeten het vooral aan Petrus zeggen. Dit wordt inzonderheid opgemerkt door dezen evangelist, die, naar men veronderstelt, onder leiding van Petrus geschreven heeft. Als het aan de discipelen wordt gezegd, dan wordt het ook aan Petrus gezegd, want ten teken van zijn berouw dat hij zijn Meester verloochend heeft, bleef hij de andere discipelen vergezellen, toch wordt inzonderheid hij genoemd. Zegt het aan Petrus, want het zal een goede tijding voor hem wezen, meer welkom aan hem dan aan een der overigen, wie hij ook zij, want hij treurt wegens zonde, en aan ware boetelingen kan gene tijding meer welkom wezen dan die van de opstanding van Christus, omdat Hij is opgewekt om hun rechtvaardigmaking. Hij zal vrezen dat de blijdschap dier goede tijding niet voor hem bestemd is. Indien de engel alleen gezegd had: "Gaat heen, zegt Zijnen discipelen, dan zou Petrus zuchtend gezegd kunnen hebben: "Ik weet niet of ik mij wel als een hunner kan beschouwen, want ik heb Hem verloochend en verdien nu ook door Hem verloochend te worden." Om dit te voorkomen, heet het: Gaat tot Petrus en zegt hem, dat hij even welkom zal wezen als al de anderen om Hem te komen zien in Galilea. Een gezicht op Christus zal voor een waren boetvaardige zeer welkom zijn, en Christus zal zich zeer gaarne aan een waren boetvaardige tonen, want er is blijdschap in den hemel over hem.
c. Zij moeten hen allen, en met name Petrus, bescheiden tot ene samenkomst in Galilea, gelijk Hij ulieden gezegd heeft, Mattheus 26:32. Op hun reis naar Galilea zullen zij tijd en gelegenheid hebben om zich te herstellen, en zich te herinneren wat Hij hun daar zo dikwijls gezegd heeft, namelijk dat Hij zou lijden en sterven en ten derden dage weder opstaan, terwijl zij, te Jeruzalem verwijlende, onder vreemden en vijanden, zich niet zouden kunnen herstellen van den schrik en den angst, die zij hadden doorstaan, en niet genoeg tot kalmte zouden kunnen komen om de betere tijdingen naar behoren te ontvangen en te begrijpen. Alle samenkomsten van Christus en Zijne discipelen zijn door Hem bepaald en tevoren vastgesteld. Christus vergeet die afspraken nooit, maar zal de Zijnen gewis met den beloofden zegen ontmoeten aan alle plaatsen, waar Hij Zijns naams gedachtenis stichten zal, en bij alle samenkomsten van Christus en Zijne discipelen is Hij altijd het eerst ter plaatse aanwezig, Hij gaat u voor. IV. Het bericht, dat de vrouwen hiervan brachten aan de discipelen, vers 8. Zij, haastelijk uitgegaan zijnde, vloden van het graf, om zich zoveel mogelijk te spoeden tot de discipelen, terwijl "beving en ontzetting haar had bevangen". Zie hoezeer wij vijanden zijn van ons zelven en van ons eigen genot en onze vertroosting door niet te bedenken en te geloven wat Christus ons gezegd heeft. Christus had haar dikwijls gezegd, dat Hij ten derden dage zou opstaan, hadden zij daar nu behoorlijk acht op gegeven en er geloof aan geschonken, dan zouden zij tot het graf zijn gekomen, verwachtende dat Hij was opgestaan, en dan zouden zij er de tijding van ontvangen hebben met blijde verzekerdheid, en niet met al die verbaasdheid en schrik. Dewijl haar nu bevolen was om het den discipelen te zeggen, omdat dezen het aan geheel de wereld moesten verkondigen, wilden zij het nu aan niemand anders zeggen, zij toonden aan niemand, dien zij ontmoetten, iets daarvan, want zij waren bevreesd, bevreesd, dat de tijding te goed was om waar te kunnen zijn. Onze kwellende vrees en angst verhinderen ons dikwijls om aan Christus en de zielen der mensen de diensten te bewijzen, die wij hun zouden kunnen bewijzen, indien het geloof en de blijdschap des geloofs krachtig in ons waren.