Hooglied 8:1-4
1. Hier wenst de bruid een voortdurenden, vrije en vertrouwelijke omgang met de Heer Jezus. Zij was Hem reeds ondertrouwd, maar de bruiloft was nog niet gevierd, en het huwelijk nog niet bekend gemaakt, de bruid, de vrouw van het Lam, zal niet volkomen gereed zijn voor Zijn tweede komst, zij was verplicht om schuw en beschroomd te zijn en op een afstand te blijven, daarom wenst zij om maar voor Zijn zuster gehouden te worden, daar Hij leraar toch aldus genoemd heeft, Hoofdstuk 5:1, en dat zij dezelfde kuise vertrouwelijke omgang met Hem kon hebben als een zuster heeft met haar broeder, haar eigen broeder, die de borsten heeft gezogen van dezelfde moeder, en dus zeer teder voor haar zou zijn, zoals Jozef het was voor zijn broeder Benjamin. Sommigen houden dit voor het gebed van de oudtestamentische heiligen om het verhaasten van Christus' menswording, opdat de kerk beter met Hem bekend zou worden, overmits de kinderen aan het vlees en bloed deelachtig zijn, Hij ook desgelijks derzelve deelachtig zou worden, en zich niet zou schamen hen broeders te noemen. Het is veeleer de wens van alle gelovigen om een vertrouwelijker gemeenschap met Hem te hebben, dat zij de Geest van de heiligmaking zo de ontvangen, en aldus Christus hun broeder zouden kunnen noemen, en zij Zijn broeders zouden zijn, hetgeen zij dan zijn, als zij door genade van de goddelijke natuur deelachtig zijn gemaakt, en Hij, die heiligt, en zij die geheiligd worden, allen uit een zijn, Hebreeën 2:11 en verv. Het betaamt broeders en zusters, kinderen van dezelfde ouders, die aan dezelfde borst gevoed en gekweekt werden, om zeer liefdevol en teder voor elkaar te zijn, en nu begeert de bruid, dat er zo'n liefde zal bestaan tussen haar en haar liefste, en zij Hem broeder mocht noemen.
2. Zij berooft zich dan de voldoening te zullen hebben van een meer openlijke belijdenis van haar betrekking tot Hem, dan zij nu kan afleggen. Als ik U buiten zou vinden, overal, waar het ook zij, al was het in tegenwoordigheid van anderen, ik zou U kussen, zoals een zuster haar eigen broer kust, inzonderheid haar kleine broer, die nu de borsten van haar moeder zuigt, want zo verstaan het sommigen.
Ik zou van alle betamelijke vrijheid bij U gebruik maken, en zou er niet om veracht worden, alsof ik iets deed, dat niet voegt aan mijn sekse. De kerk kan sedert Christus' menswording Hem beter erkennen dan tevoren, toen zij bespot zou zijn geworden om haar grote liefde voor Eén, die nog niet geboren was. Christus is als een broeder geworden, waar wij Hem ook vinden, laat ons daarom bereid zijn om onze betrekking tot Hem te erkennen en onze genegenheid voor Hem, en niet vrezen er om veracht te zullen worden, noch daar enigszins meer acht op te slaan aan David gedaan heeft, toen hij huppelde voor de ark, indien dit gering is, dan zal ik mij nog geringer houden dan alzo. Maar laat ons hopen dat wij niet zo veracht zullen worden als sommigen denken, en door de dienstmaagden, van welke gij gesproken hebt, zal ik geëerd worden, 2 Samuël 6:22. Waar wij ook het beeld van Christus vinden, al is het buiten op straat, onder hen die Hem niet met ons volgen, moeten wij het liefhebben, en die liefde betuigen, en wij zullen er niet om veracht worden, maar de algemene liefde zal ons achting verwerven.
3. Zij belooft gebruik te zullen maken van de gelegenheid, die zij dan zal hebben, om goed met Hem bekend te worden, vers 2. Ik zou u leiden, ik zou u brengen, als mijn broeder, aan Uw arm, en zou op U leunen, ik zou U het hele huis van mijn kostbaarheden tonen, zou U brengen in het huis van mijn moeder, in de kerk, in de plechtige vergaderingen, Hoofdstuk 3:4, in mijn binnenkamer, want daar hebben de heiligen de meest vertrouwelijke gemeenschap met Christus en daar zoudt Gij mij leren, zoals broeders hun zuster onderrichten in hetgeen waarin zij onderricht wil wezen. Zij, die Christus kennen zullen van Hem geleerd worden, en wij moeten gemeenschap met Christus begeren, om alzo onderricht van Hem te ontvangen. Hij is gekomen om ons verstand te geven, of "Mijn moeder zou mij leren, als ik U bij mij heb." Het is de tegenwoordigheid van Christus in Zijn kerk, die het woord en de inzettingen leerrijk maakt voor haar kinderen, die allen van God geleerd zullen zijn.
4. Zij belooft Hem dat Hij welkom zal wezen aan het beste dat zij heeft, zij zal Hem van haar specerijwijn te drinken geven en van het sap van haar granaatappelen, en Hem welkom aan heten, wensende om Zijnentwil dat het beter ware. De beoefening van genade en de volbrenging van plicht zijn specerijwijn voor de Heere Jezus, die Hem zeer aangenaam is, als uitdrukking van een dankbaar besef van Zijn gunst. Zij, die behagen hebben in Christus, moeten er zich op toeleggen om Hem te behagen en zij zullen bevinden dat het niet moeilijk is Hem te voldoen, Hem te behagen. Hij acht een hartelijk welkom het beste onthaal dat Hem te beurt kan vallen, en als wij dat welkom voor Hem hebben, dan zal Hijzelf Zijn onthaal medebrengen.
5. Zij twijfelt niet, of zij zal Zijn tere zorg en liefde ervaren, vers 3, dat zij ondersteund zal worden door Zijn macht, en onder het zwaarste lijden en de hardste arbeid voor bezwijken zal worden behoed. Zijn linkerhand zal onder mijn hoofd wezen, en dat zij vertroost zal worden door Zijn liefde. Zijn rechterhand zal mij omhelzen. Aldus heeft Christus Zijn rechterhand gelegd op Johannes, toen deze op het punt was van in zwijm te vallen, Openbaring 1:17. Zie ook Daniël 10:l7, 18. Het kan gelezen worden zoals Hoofdstuk 2:6. Zijn linkerhand is onder mijn hoofd, want in het oorspronkelijke zijn de woorden gelijk, en dan duidt het op een onmiddellijke verhoring van haar gebed, zij werd verhoord met kracht in haar ziel, Psalm 138:3. Terwijl wij Christus dicht achteraan volgen, zal Zijn rechterhand ons ondersteunen, Psalm 63:9. Van onder eeuwige armen.
6. Zij bezweert de haar omringenden om zich te wachten van iets te doen waardoor de lieflijke gemeenschap, die zij thans smaakte met haar liefste, gestoord zou kunnen worden, vers 4, zij had dit tevoren gedaan, toen Hij haar aldus door Zijn tegenwoordigheid had versterkt en vertroost, Hoofdstuk 2:7. Ik bezweer u, gij dochters van Jeruzalem en laat mij met u redeneren, waarom zoudt gij mijn liefste opwekken of wakker maken voor het Hem lust? De kerk, onze algemene moeder, bezweert al haar kinderen om toch nooit iets te doen, dat Christus er toe zou kunnen brengen om zich terug te trekken, en wij zijn er maar al te zeer toe geneigd om zo iets te doen. Waarom zoudt gij Hem zo'n belediging aandoen? Waarom zoudt gij zulke vijanden zijn van uzelf? Aldus behoren wij met onszelf te redeneren, als wij in verzoeking zijn om iets te doen, dat de Heiligen Geest bedroeft. "Hoe! ben ik Christus tegenwoordigheid moe, dat ik Hem beledig en Hem alzo er toe breng om van mij te wijken?" Waarom zou ik doen wat Hem mishaagt, iets dat Hij als een onvriendelijkheid zou opvatten, en waarvan ik dan gewis berouw zou hebben?