Lukas 8:4-21
De vorige paragraaf begon met een bericht van Christus' ijver in het prediken, vers 1, deze begint met een bericht van den ijver des volks om Hem te horen, vers 4. Hij ging in iedere stad om te prediken, en nu zou men denken dat zij zich tevreden zouden stellen met Hem te horen, als Hij in hun stad kwam (wij kennen de zodanige, die zich daarmee tevreden gesteld zouden hebben), maar er waren er, die "van alle steden tot Hem kwamen", die niet wilden wachten totdat Hij tot hen kwam, en ook niet dachten dat zij Hem nu genoeg gehoord hadden, toen Hij van hen wegging, maar Hem tegemoet gingen als Hij tot hen kwam, en Hem volgden als Hij van hen wegging. Hij heeft zich ook hierom niet voor verontschuldigd gebonden om nu naar die steden te gaan, wijl er uit die steden sommigen tot Hem gekomen waren, want, hoewel dezen er geweest zijn, was er in de meesten toch geen ijver genoeg om hen tot Hem te voeren, en daarom zal Hij-zo groot is Zijn neerbuigende goedheid-tot hen gaan, want Hij is gevonden van hen, die Hem niet zochten, Romeinen 10:20. Jesaja 65:1. Het schijnt dat er een grote toeloop van mensen was. Een grote schare was bijeen vergaderd, overvloed van vissen om er het net voor uit te werpen, en Hij was even bereid en gewillig om te leren, als zij om onderwezen te worden. In deze verzen nu hebben wij:
I. Noodzakelijke en voortreffelijke regelen voor het horen des woords in de gelijkenis van den zaaier, en de verklaring en toepassing er van, en dit alles hebben wij reeds twee malen meer uitvoerig gehad. Toen Christus deze gelijkenis voorstelde:
1. Waren de discipelen begerig te weten wat er de betekenis van was, vers 9. Zij vroegen Hem: "Wat mag deze gelijkenis wezen?" Wij behoren zeer ernstig te verlangen om de ware bedoeling en de gehele strekking te kennen van het woord, dat wij horen, opdat wij niet in dwaling zijn of slechts gebrekkige kennis hebben.
2. Christus maakte hen bewust van het grote voorrecht en voordeel, dat er voor hen in gelegen was om de gelegenheid te hebben van bekend te worden met de verborgenheid en de betekenis van Zijn woord, welke gelegenheid anderen niet hadden: U is het gegeven, vers 10. Zij, die onderwijs van Christus begeren te ontvangen, moeten weten en bedenken welk een voorrecht het is om door Hem onderwezen te worden, welk een onderscheidend voorrecht om in het licht-zulk een licht! - te worden geleid, terwijl anderen in duisternis-zulk een duisternis, worden gelaten! Zalig zijn wij, en voor altijd de schuldenaars der vrije genade, indien dezelfde zaak, die voor anderen ene gelijkenis is, die slechts strekt om hen te vermaken, voor ons een duidelijke waarheid is, door welke wij verlicht en bestuurd worden, en naar den regel waarvan wij worden gevormd. Aangaande nu de gelijkenis zelf en de verklaring er van hebben wij op te merken,
a. Dat het hart des mensen als de grond is voor het zaad van Gods woord, het is instaat het te ontvangen en er vruchten van voort te brengen, maar, tenzij dat zaad er in gezaaid wordt, zal het niets goeds of van waarde voortbrengen. Wij hebben er dus voor te zorgen om zaad en grond tot elkaar te brengen. Waartoe hebben wij het zaad in de Schrift, indien het niet gezaaid wordt? En waartoe hebben wij den grond in ons eigen hart, indien hij niet met dat zaad wordt bezaaid?
b. Het welslagen van het zaad is over het algemeen naar den aard van den grond, al naar deze bereid of niet bereid is, het zaad te ontvangen. Het woord Gods is ons, al naar wij zijn, een reuk des levens ten leven, of een reuke des doods ten dode. c. De duivel is een listig en boosaardig vijand, die er zich op toelegt om ons te verhinderen ons nut en voordeel te doen met het woord Gods. Hij neemt het woord weg uit het hart van zorgeloze of onverschillige hoorders, opdat zij niet zouden geloven en zalig worden, vers 12. Dit wordt hier bijgevoegd om ons te leren,
a. Dat wij niet zalig kunnen worden, zo wij niet geloven. Het woord des Evangelies zal voor ons geen woord zijn ter behoudenis, tenzij het gevoegd is bij geloof.
b. Dat de duivel daarom alles doet wat hij kan om ons van het geloof af te houden, zo op ons te werken, dat wij het woord niet geloven, als wij het horen en lezen, of, zo wij er voor het ogenblik acht op geven, het ons weer te doen vergeten, en het van ons te laten doorvloeien, Hebreeën 2:1.
c. Of, zo wij het in gedachtenis houden, vooroordelen er tegen in ons te wekken, of er ons van af te leiden naar iets anders, en dat alles doet hij, opdat wij niet zouden geloven en zalig worden, opdat wij niet zouden geloven en ons verblijden, terwijl hij gelooft en siddert.
d. Waar het woord Gods met onverschilligheid wordt gehoord, daar zal men het gewoonlijk ook met minachting beschouwen. In de gelijkenis wordt er hier bijgevoegd dat het zaad, dat bij den weg viel, vertreden werd, vers 5. Zij, die moedwillig hun oren sluiten voor het woord, vertreden het onder hun voeten, zij verachten het woord des Heeren.
e. Zij, op wie het woord wel enigen indruk maakt, maar geen diepen en duurzamen indruk, zullen in tijden van beproeving hun geveinsdheid aan den dag leggen, zoals het zaad op de steenrots, waar het geen wortel kon schieten, vers 13. Dezen geloven voor een tijd, een wijle, hun belijdenis belooft iets, maar in den tijd der verzoeking wijken zij af van hun goed begin. Hetzij de verzoeking ontstaat uit de vriendelijke lonkjes, of van het dreigend, misnoegd aanzien der wereld, zij worden er even gemakkelijk door overwonnen.
f. De wellusten des levens zijn even gevaarlijke en noodlottige doornen om het goede zaad des woords te verstikken als alle andere zaken. Dit wordt er hier bijgevoegd, vers 14, maar wordt door de andere evangelisten niet vermeld. Zij, die niet verstikt zijn in de zorgvuldigheden des levens, noch verlokt zijn door de bedrieglijkheid van den rijkdom, maar roemen dat zij daar dood voor zijn, kunnen toch afgehouden worden van den hemel door traagheid en onverschilligheid, de zucht tot gemak en genot. De verlustiging der zinnen kan de ziel verderven, zelfs zulke verlustigingen, die op zich zelven wettig of geoorloofd zijn, maar waaraan men zich al te veel overgeeft. g, Het is niet genoeg dat er vrucht voortgebracht wordt, zij moet ook in volstandigheid worden voortgebracht, zij moet geheel rijp zijn. Indien zij dit niet is, dan is het alsof er in het geheel gene vrucht was voortgebracht, want wat in Mattheus en Markus gezegd wordt onvruchtbaar te zijn, is hetzelfde met wat hier gezegd wordt geen vrucht te voldragen, want voor het tot volkomenheid-brengen van een werk is volharding nodig.
h. De goede aarde, die goede vruchten voortbrengt, is een eerlijk en goed hart, welgezind om onderwijs te ontvangen, vers 15, een hart, vrij van zondige verontreiniging. en standvastig voor God en voor plicht. Een oprecht hart, een teder hart, en een hart, dat voor Zijn woord beeft, is een eerlijk en goed hart, dat, het woord gehoord hebbende, het verstaat-zo is het in Mattheus, en het bewaart- zo is het hier-gelijk de aarde het zaad niet slechts ontvangt, maar het bewaart, en de maag het voedsel of de medicijn niet slechts ontvangt, maar ook bewaart.
i. Waar het woord wèl bewaard wordt, daar worden vruchten voortgebracht in lijdzaamheid. Ook dat is hier bijgevoegd. Er moet zowel een geduldig verdragen als een geduldig wachten zijn, geduld onder het lijden van verdrukking en vervolging, welke ontstaan kan om den wille des woords, geduld om te volharden in goed doen.
j. Uit aanmerking van dit alles moeten wij "toezien hoe wij horen," vers 18, toezien op, ons wachten voor, de dingen, die ons zouden verhinderen ons voordeel te doen met het woord, dat wij horen, bij en onder het horen waken over ons hart, en toezien, dat het ons niet verraadt, toezien om niet zorgeloos en onachtzaam te horen, en dat wij in generlei opzicht vooroordelen koesteren tegen het woord, dat wij horen, toezien op onze gemoedsgesteldheid, nadat wij het woord gehoord hebben, opdat wij wat wij gewonnen hebben, niet weer verliezen.
II. Noodzakelijke onderrichtingen, gegeven aan hen, die bestemd zijn het woord te prediken, en ook aan hen, die het hebben gehoord.
1. Zij, die de gaven ontvangen hebben, moeten haar bedienen. Leraren, aan wie de prediking des Evangelies is toevertrouwd, mensen, die zich het woord ten nutte hebben gemaakt, en hierdoor instaat zijn om voor anderen nuttig te wezen, moeten zich beschouwen als lichtende kaarsen, leraren moeten in plechtige, gezaghebbende prediking, en andere Christenen moeten in broederlijke, gemeenzame redenen en gesprekken hun licht verspreiden, want een kaars moet niet bedekt worden met een vat of onder een bed gezet worden, vers 16. Leraren en Christenen moeten het licht der wereld zijn, voorhoudende het woord des levens. Hun licht moet schijnen voor de mensen, zij moeten niet slechts goed zijn, maar ook goed doen.
2. Wij moeten verwachten dat hetgeen nu in het verborgen gedaan wordt, en uit ongeziene beweegredenen, weldra openbaar en bekend gemaakt zal worden, vers 17. Wat u in het verborgen toevertrouwd is, moet door u openbaar gemaakt worden, want uw Meester heeft u geen talenten gegeven om ze in de aarde te begraven, maar om er handel mede te doen. Laat hetgeen nu verborgen is, bekend gemaakt worden, want indien het niet openbaar gemaakt wordt door u, dan zal het openbaar gemaakt worden tegen u, het zal als getuigenis worden ingebracht van uw verraad.
3. De gaven, die wij hebben, zullen ons of gelaten, of van ons weggenomen worden, naar dat wij ze al of niet gebruiken tot eer van God en de stichting der broederen: Zo wie heeft, dien zal gegeven worden, vers 18. Hij, die gaven heeft, en er goed mede doet, zal er meer ontvangen, hij, die zijn talent begraaft, zal het verliezen. Van hem, die niet heeft, zal weggenomen worden ook dat hij heeft. Zo staat het in Markus, hetgeen hij meent te hebben, zo is het in Lukas. De genade, die verloren is, was slechts schijnbare genade, zij is nooit echt geweest. Wat de mensen niet gebruiken hebben zij slechts in schijn, en een vertoon van Godsdienst zal verloren en verbeurd worden. Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet, 1 Johannes 2:19. Laat ons wel toezien dat wij wezenlijk genade hebben, dat de wortel der zaak in ons gevonden wordt. Dat is een goed deel hetwelk hun, die het hebben, nooit ontnomen zal worden. III. Grote bemoediging, gegeven aan hen, die zich getrouwe hoorders betonen van het woord, door daders te zijn van het werk, in een bijzonder voorbeeld van Christus' achting voor Zijne discipelen, door hen boven Zijn naaste bloedverwanten te stellen, vers 19-21, waarvan wij het verhaal reeds tweemaal gehad hebben. Merk op:
1. Welk een toeloop er was naar Christus. Er waren zoveel mensen om Hem heen, dat men niet kon genaken tot Hem, die, welk een gedrang er ook om Hem heen was, zich toch niet van Zijne hoorders liet wegdringen.
2. Sommigen van Zijn naaste bloedverwanten toonden de minste begeerte om Hem te horen. In plaats van naar binnen te gaan, wat zij gemakkelijk gekund hadden, zo zij slechts bijtijds waren gekomen, begerende Hem te horen, stonden zij buiten, begerende Hem te zien, en waarschijnlijk bedoelden zij slechts, uit dwaze vrees dat Hij oververmoeid zou worden door te spreken, Hem te noodzaken Zijne rede af te breken.
3. Jezus Christus wilde liever bezig zijn met Zijn werk, dan spreken met Zijne vrienden. Hij wilde niet ophouden met prediken, om met Zijne moeder en Zijne broeders te gaan spreken, want het was Zijn spijs en drank om aldus bezig te zijn.
4. Het behaagt Christus om diegenen als Zijn naaste en dierste betrekkingen te erkennen, die het woord Gods horen en doen, zij zijn Hem meer dan Zijne moeder en broeders.