Lukas 5:17-26
Hier is:
I. Een algemeen bericht van Christus' prediking en wonderen, vers 17.
1. Het geschiedde in een dier dagen, dat Hij leerde, niet op een sabbatdag, want dan zou hij het gezegd hebben, maar op een werkdag, zes dagen zult gij arbeiden, niet slechts voor de wereld, maar voor de ziel en haar welvaren. Het prediken en het horen van het woord Gods zijn goede werken, als zij goed gedaan worden, op werkdagen zowel als op sabbatdagen. Het was niet in de synagoge, maar in een particulier huis, want zelfs daar, waar wij gewoonlijk met onze vrienden samenzijn en omgang hebben, is het niet ongepast om goede lering te geven en te ontvangen.
2. Daar leerde Hij, en, gelijk tevoren, vers 15, genas Hij, de kracht des Heeren was er om hen te genezen, -ên eis ta iasthai autous. Zij was machtig om hen te genezen, zij werd uitgeoefend, aangewend, om hen te genezen, diegenen te genezen, die Hij onderwees (aldus kunnen wij het verstaan) hun zielen te genezen, hen te genezen van geestelijke krankheden, en hun een nieuw leven, een nieuwe natuur te geven. Zij, die het woord van Christus in geloof ontvangen, zullen bevinden dat er van dat woord Goddelijke kracht uitgaat om hen te genezen, want Christus is gekomen met Zijne vertroostingen, om te genezen die gebroken zijn van harte, Hoofdstuk 4:18. De kracht des Heeren is aanwezig met het woord, aanwezig voor hen, die er om bidden en er zich aan onderwerpen, aanwezig om hen genezen. Of het kan verstaan worden (en over het algemeen wordt het ook zo verstaan) van de genezing van hen, die ziek waren naar het lichaam, en tot Hem gekomen zijn om genezen te worden. Wanneer er ook gelegenheid of aanleiding toe was, nooit behoefde Christus Zijne kracht te zoeken, zij was altijd aanwezig om te genezen.
3. Er waren enige aanzienlijken in deze vergadering, meer dan gewoonlijk, naar het schijnt. Er zaten Farizeeën en leraren der wet, zij zaten niet aan Zijne voeten om van Hem te leren, anders zou ik gaarne de volgende zinsnede verstaan hebben als verwijzende naar hen, van wie onmiddellijk tevoren gesproken was (de kracht des Heeren was er om hen te genezen). Waarom zou het woord van Christus niet ook hun hart bereiken? Maar, naar hetgeen volgt, vers 21, schijnt het dat zij niet genezen werden, maar dat zij Christus bedilden, hetgeen ons noopt dit als van anderen gesproken te beschouwen, en niet van hen, want zij zaten daar als mensen, die er geen belang bij hadden, voor wie het woord van Christus als niets was. Zij zaten er als toeschouwers, als critici en spionnen, om iets te vinden, waarop zij een verwijt of beschuldiging konden gronden. Hoevelen zijn er in het midden van onze bijeenkomsten, waar het Evangelie gepredikt wordt, die niet zitten onder het woord, maar er bij zitten! Voor hen is het als een "voorbijgaande gedachte", die hun niet aangaat, maar geenszins als ene boodschap, die hun is gezonden. Zij willen wel, dat wij voor hen zullen prediken, maar de prediking moet niet tot hen gericht zijn, moet niet op hen toegepast worden. Deze Farizeeën en schriftgeleerden-of leraren der wet-kwamen van alle kanten van Galilea en Judea en Jeruzalem, zij kwamen van alle delen des lands. Waarschijnlijk hadden zij een afspraak gemaakt om op dien tijd en aan die plaats samen te komen, om te zien welke aanmerkingen zij konden maken op Christus en op hetgeen Hij zei en deed. Zij waren saamverbonden, zoals zij, die zeiden: Komt aan, laat ons gedachten tegen Jeremia denken, en laat ons hem slaan met de tong, Jeremia 18:18. Geef ons te kennen, en wij zullen het te kennen geven, Jeremia 20:10. Christus ging voort met Zijn werk van prediken en genezen, alsof Hij deze Farizeeën en leraren der Joodse kerk niet zag, daar bij zittende, en die, naar Hij wist, Hem minachtten, en een gelegenheid zochten om Hem te verstrikken.
II. Een bijzonder bericht van de genezing van den geraakte, dat over het algemeen door beide voorgaande evangelisten op gelijke wijze wordt meegedeeld, wij zullen dus slechts kortelijk stilstaan bij:
1. De leerstellingen, die ons door het verhaal dezer genezing geleerd en bevestigd worden:
a. Dat zonde de bron en oorzaak is van alle krankheden, en de vergeving der zonde de enige grond is, waarop herstel uit ziekte vertroostend gebouwd kan worden. Zij legden vervuld met vreze, met eerbied en ontzag voor God, met ene overtuiging dat Hij de Messias was, waaraan de vrees gepaard ging, dat Hij door de natie niet behandeld werd zoals Hij behoorde behandeld te worden, hetgeen in het einde hun verderf en ondergang tengevolge zou hebben. Wellicht waren het soortgelijke gedachten, die hen vervulden met vreze, en tevens met bezorgdheid voor zich zelven.