Lukas 24:13-35
Deze verschijning van Christus aan de twee discipelen op den weg naar Emmaus was tevoren slechts even vermeld door Markus, Hoofdstuk 16:12, hier wordt zij uitvoerig verhaald. Het gebeurde op dezelfden dag van Christus' opstanding, den eersten dag van de nieuwe wereld, die met Hem verrees. Een van deze twee discipelen was Kleopas, of Alfeus, van wie de ouden zeggen dat hij een broeder was van Jozef, den vermeenden vader van Christus, wie de andere was, is niet zeker. Sommigen denken dat het Petrus was, en het schijnt inderdaad dat Christus inzonderheid aan Petrus op dien dag verschenen was, de elven hebben er onder elkaar van gesproken, vers 34, en Paulus maakte er ook melding van, 1 Corinthiërs 15:5. Maar het kon Petrus niet geweest zijn, die een van deze twee was, want hij was een der elven, tot wie de twee terugkeerden. Daarenboven kennen wij Petrus te goed om niet te weten, dat zo hij een van deze twee was geweest, hij, en niet Kleopas, de voornaamste spreker zou geweest zijn. Het was een dergenen, die zich met de elven vergezelden, en van wie gesproken wordt in vers 9. Nu hebben wij hier te letten op:
I. De wandeling en het gesprek van deze twee discipelen. Zij gingen naar een vlek, welks naam was Emmaus, dat naar men berekent, op ruim twee uren gaans van Jeruzalem was gelegen, hier wordt gezegd, dat het zestig stadiën van Jeruzalem was, vers 13. Of zij daarheen gingen voor zaken, of om een vriend te bezoeken, blijkt niet. Ik vermoed dat zij huiswaarts keerden naar Galilea, met voornemen om nu maar verder niet naar dezen Jezus te vragen, dat zij wensten zich terug te trekken en hun gezelschap hadden verlaten zonder afscheid te nemen, want de berichten, die zij in den morgen hadden gehoord van Zijne opstanding, schenen hun als ijdelgeklap, en indien dat zo was, dan was het ook niet te verwonderen, dat zij er aan dachten om nu maar op de beste wijze naar huis te gaan. Maar al voortgaande spraken zij tezamen onder elkaar van al deze dingen, die er gebeurd waren, vers 14. Zij hadden den moed niet om in dit tijdsgewricht te Jeruzalem over deze dingen te spreken, of om te beraadslagen over hetgeen nu gedaan moest worden, uit vrees voor de Joden, maar toen zij buiten het gehoor der Joden waren, konden zij er met meerdere vrijheid over spreken. Zij spraken van al deze dingen, met zich zelven redenerende over het al of niet waarschijnlijke van Christus' opstanding, want bleek zij waar te zijn, dan wilden zij naar Jeruzalem terugkeren, doch zo niet, dan wilden zij voortreizen naar Galilea. Het betaamt den discipelen van Christus om, als zij tezamen zijn, met elkaar te spreken van Zijn dood en opstanding, aldus kunnen zij elkanders kennis vermeerderen, elkanders geheugen te hulp komen, en elkanders Godvruchtige genegenheden opwekken.
II. Het goede gezelschap, dat zij op hun weg ontmoetten, toen Jezus kwam en zich bij hen voegde, vers 15. Het geschiedde terwijl zij samen spraken en elkaar ondervraagden, en wellicht warm werden onder de discussie, de een hopende dat hun Meester was opgestaan en Zijn koninkrijk zou oprichten, terwijl de ander er aan wanhoopte, dat Jezus zelf bij hen kwam, als een vreemdeling, die dezelfden weg ging, en hun zei dat hij gaarne in hun gezelschap zou willen gaan. Wij kunnen opmerken ter onzer aanmoediging om Christelijke en opbouwende gesprekken onder elkaar te hebben, dat, waar slechts twee zich met zulk soort van werk goed bezighouden, Christus zich als derde bij hen zal voegen. Als zij, die den Heere vrezen, met elkaar spreken, dan merkt de Heere er op en hoort, en dan is Hij in waarheid met hen, zodat twee, die aldus in geloof en liefde saamverbonden zijn, een drievoudig snoer worden, dat niet haast gebroken wordt, Prediker 4:12. In hun samenspreking met en ondervraging van elkaar, zochten zij Christus, en zie, nu komt Christus tot hen. Die Christus zoeken, zullen Hem vinden, Hij zal zich openbaren aan hen, die naar Hem vragen, en Hij zal kennis schenken aan hen, die gebruik maken van de middelen, die zij hebben om hun kennis te vermeerderen. Toen de bruid de wachters vroeg naar Hem, dien hare ziel liefhad, was zij slechts een weinigje van hen weggegaan, en zij vond Hem. Hooglied 3:4. Maar hoewel Christus nu bij hen was, waren zij er zich niet dadelijk van bewust, vers 16 : Hun ogen werden gehouden, dat zij Hem niet kenden, Er schijnt ene verandering geweest te zijn in het voorwerp (want in Markus wordt gezegd, dat Hij hun geopenbaard is in een andere gedaante) en tevens was er een soort van belemmering in hun gezichtsvermogen (want hier wordt gezegd dat hun ogen gehouden werden), of, zoals sommigen denken, er was verwarring in het medium, de lucht was zo beneveld, dat zij niet konden onderscheiden wie Hij was. Wat hier nu ook de oorzaak van moge geweest zijn, het is een feit, dat zij Hem niet kenden. Christus had het zo geschikt, dat zij des te vrijer met Hem, en Hij met hen kon spreken, opdat het zou blijken, dat Zijn woord en de invloed, die er van uitging, niet afhankelijk was van Zijn lichamelijke tegenwoordigheid, waaraan de discipelen al te veel gehecht waren, en waarvan zij gespeend moesten worden. Hij kan hen onderwijzen en hun hart verwarmen door anderen, met wie Hij geestelijk tegenwoordig zal zijn, en die op onzichtbare wijze door Zijne genade geleid zullen worden.
III. Het gesprek tussen Christus en hen, terwijl Hij hen kende, en zij Hem niet kenden. Gelijk het nu gewoonlijk gaat wanneer vrienden elkaar onbekend of onder ene vermomming ontmoeten, doen Christus en Zijne discipelen elkaar vragen.
1. De eerste vraag van Christus aan hen betreft hun droefheid, die duidelijk op hun aangezicht stond te lezen: Wat redenen zijn dit, die gij, wandelende onder elkaar verhandelt, en waarom ziet gij droevig? vers 17. Het is een zeer vriendelijke vraag. Merk op:
a. Dat zij droevig waren, dat was zelfs voor een vreemdeling te bespeuren. Zij hadden hun dierbaren Meester verloren, en, naar zij vreesden, waren zij in hun verwachting nopens Hem teleurgesteld. Zij hadden de zaak opgegeven, en wisten niet wat te doen om haar weer te herstellen. Christus' discipelen hebben ook wel reden om droevig te zijn, als Hij zich van hen terugtrekt, om te vasten, als de Bruidegom van hen is weggenomen. Hoewel Hij van de doden is opgestaan, hebben zij het of niet geweten, of niet geloofd, en zo waren zij dan nog in droefheid. Christus' discipelen zijn dikwijls droevig, als zij alle reden hebben om zich te verblijden, maar door de zwakheid van hun geloof kunnen zij de hun aangeboden vertroosting niet aannemen. Droevig zijnde, spraken zij met elkaar over Christus. Het voegt Christenen om over Christus te spreken. Indien ons hart zo vol was van Hem en van hetgeen Hij voor ons gedaan en geleden heeft, als het moet wezen, dan zou uit den overvloed des harten de mond spreken, niet slechts van God en Zijne voorzienigheid, maar van Christus, en van Zijne genade en liefde. Goed gezelschap en goede gesprekken zijn een uitmuntend tegengift tegen heersende droefgeestigheid. Toen Christus' discipelen droevig waren, gingen zij niet ieder voor zich in de eenzaamheid, maar bleven, zoals Hij hen uitgezonden had, twee aan twee, want twee zijn beter dan een, inzonderheid in tijden van droefheid. Als wij lucht geven aan de smart, kunnen wij er ons wellicht verlicht door gevoelen, en door er over te spreken kunnen wij wellicht in een betere gemoedsgesteldheid komen. Zij, die deelgenoten zijn in droefheid, kunnen en behoren elkaar te vertroosten, van de zodanige komt soms de beste vertroosting.
b. Christus voegde zich bij hen en vroeg naar het onderwerp van hun gesprek en naar de oorzaak hunner droefheid. Wat redenen zijn dit? Hoewel Christus nu in Zijn staat van verhoging was gekomen, bleef Hij toch even teder bezorgd voor Zijne discipelen. Hij spreekt als iemand, wie het leed doet hen bedroefd te zien. Waarom ziet gij droevig? Genesis 40:7. Onze Heere Jezus merkt op de smart en droefheid Zijner discipelen, en in hun benauwdheid is Hij benauwd. Hierin heeft Christus ons geleerd een vriendelijken omgang met elkaar te hebben. Christus trad hier in gesprek met twee zeer ernstige personen, hoewel Hij een vreemdeling voor hen was en zij Hem niet kenden, en zij van hun kant hebben Hem zeer geredelijk te woord gestaan. Het betaamt geen Christenen om gemelijk, nors of schuw te zijn, maar om welbehagen te vinden in goed gezelschap. Ook wordt ons hiermede geleerd medelijdend te zijn. Als wij onze vrienden in smart en droefheid zien, dan behoren wij, gelijk Christus hier deed, kennis te nemen van hun smart en hun den besten raad en troost te geven dien wij hun kunnen geven: Weent met de wenenden.
2. In antwoord hierop doen zij Hem ene vraag betreffende Zijn vreemdelingschap. Zijt gij alleen vreemdeling te Jeruzalem, en weet niet de dingen, die deze dagen daarin geschied zijn? Merk op:
a. Kleopas geeft Hem een hoffelijk antwoord. Hij vraagt Hem niet ruw en lomp: "Wat gaat het u aan waarover wij spreken?" om dan vervolgens te zeggen, dat hij zich maar met zijn eigen zaken moet bemoeien. Wij behoren beleefd te zijn jegens hen, die beleefd zijn jegens ons, en ons in woord en daad op een verplichtende wijze jegens iedereen te gedragen. Het was een gevaarlijke tijd voor Christus' discipelen, toch was hij niet wantrouwend jegens dien vreemdeling, hij verdacht hem niet van het plan om ene klacht tegen hen in te leveren, of hen in moeilijkheden te willen brengen. De liefde is niet ergdenkend.
b. Hij is zelf vol van Christus, van Zijn lijden en van Zijn dood, en verwondert er zich over, dat niet iedereen hiervan vervuld is. "Hoe! zijt gij zulk een vreemdeling te Jeruzalem, dat gij niet weet, wat daar aan onzen Meester gedaan is?" Diegenen zijn in waarheid vreemdelingen te Jeruzalem, die niets weten van den dood en van het lijden van Christus. Hoe! zijn zij dochters van Jeruzalem, die zo weinig met Christus bekend zijn, dat zij vragen: Wat is uw liefste meer dan een ander liefste?
c. Hij is gans bereid om aan dezen vreemdeling inlichtingen te geven omtrent Christus, en verder met hem over deze zaak te spreken. Hij zou niet willen dat enig mens onkundig blijft nopens Christus. Zij, die zelf kennis hebben aan Christus gekruisigd, moeten doen wat zij kunnen om die kennis te verspreiden, en anderen met Hem bekend te maken. En het is opmerkelijk dat deze discipelen, die zo ijverig waren om den vreemdeling te onderrichten, door hem onderwezen werden, want aan dien die heeft, en wat hij heeft gebruikt, zal gegeven worden.
d. Uit hetgeen Kleopas zegt, blijkt dat de dood van Christus veel beroering in Jeruzalem heeft teweeggebracht, zodat men zich niet kon voorstellen, dat iemand daar zozeer vreemdeling zou zijn om er niet van gehoord te hebben, de gehele stad sprak er van, in alle gezelschappen werd er over geredeneerd. Aldus is het feit algemeen bekend geworden, dat na de uitstorting des Geestes verklaard zou worden.
3. Bij wijze van antwoord vraagt Christus naar hun kennis, vers 19. Hij zei tot hen: Welke? zich aldus nog meer vreemd houdende. Jezus Christus heeft Zijn lijden gering geacht in vergelijking met de vreugde, die Hem was voorgesteld en die er het loon van was. Zie met wat onverschilligheid Hij terugziet op Zijne heerlijkheid. Welke? Hij had reden om te weten wat die dingen waren, want zeer bittere en zware dingen zijn zij voor Hem geweest, en toch vraagt Hij: Welke? In de blijdschap dat de zaligheid, de verlossing der mensen, nu was teweeggebracht, was de benauwdheid vergeten. Om onzentwil had Hij een welbehagen in zwakheid, om ons te leren er een welbehagen in te hebben om Zijnentwil. Diegenen, aan wie Christus onderwijs wil geven, worden eerst door Hem onderzocht en ondervraagd omtrent hetgeen zij reeds geleerd hebben, zij moeten Hem zeggen welke dingen zij weten, en dan zal Hij hun zeggen wat de betekenis is dier dingen, en hen tot de verborgenheid er van inleiden.
4. Hierop geven zij Hem een nauwkeurig bericht omtrent Christus, en zeggen hoe het op dit ogenblik met Zijne zaak gelegen is. Let op het verhaal dat zij doen, vers 19, en verder.
a. Zij geven een beknopt overzicht van Christus' leven en van Zijn karakter. De dingen, waarvan zij vervuld zijn, betreffen Jezus van Nazareth (zo werd Hij gewoonlijk genoemd) die een profeet was, een leraar, van God gezonden. Hij predikte een ware en voortreffelijke leer, die blijkbaar haar oorsprong had in den hemel, en wier strekking hemelwaarts was. Hij heeft de leer bevestigd door vele heerlijke wonderen, wonderen van genade en ontferming, zodat Hij krachtig was in werken en woorden voor God en al het volk, dat is: Hij was een groot gunstgenoot des hemels en een grote zegen voor deze aarde. Hij was grotelijks bemind door God, en geliefd bij het volk. Hij was Gode welbehaaglijk, en was zeer vermaard in het land. Velen zijn groot voor al het volk, en worden door het volk gestreeld, die niet groot zijn voor God, zoals de schriftgeleerden en Farizeeën, maar Christus was krachtig beide in Zijn leer en in Zijn daden, voor God en al het volk. Diegenen waren vreemdelingen te Jeruzalem, die dat niet wisten.
b. Hier is een bescheiden verhaal van Zijn lijden en Zijn dood, vers 20. "Hoewel Hij beide aan God en mensen zo dierbaar was, hebben toch onze overpriesters en oversten Hem overgeleverd in de macht der Romeinen, tot het oordeel des doods en zij hebben Hem gekruisigd." Het is vreemd dat zij de zaak niet met zwarter kleuren hebben geschilderd, dat zij hen, die schuldig waren aan de kruisiging van Christus, niet zwaarder belast hebben, maar wellicht oordeelden zij het voorzichtiger, om sprekende tot een vreemdeling, zich te onthouden van allen blaam op de overpriesters en oversten, hoe rechtvaardig die ook zijn zou.
c. Hier is een te-kennen-geven van hun teleurstelling in Hem, als de reden hunner droefheid: Wij hoopten dat hij was degene, die Israël verlossen zou, vers 21. "Wij behoren tot hen, die Hem niet slechts beschouwden als een profeet, gelijk Mozes, maar ook, gelijk Mozes, als een verlosser." Door hen, die de verlossing, en daarin de vertroosting Israël's, verwachtten, werd op Hem gesteund, werden grote dingen van Hem verwacht. Indien nu uitgestelde hoop het hart krenkt, hoe zal dan niet teleurgestelde hoop, en inzonderheid een zodanige hoop, het hart doden. Maar zie hoe zij datgene tot den grond hunner wanhoop maakten, hetwelk, zo zij het slechts goed hadden begrepen, de zekerste grond hunner hoop was, namelijk het sterven van den Heere Jezus. Wij hoopten (zeggen zij), dat hij was degene, die Israël verlossen zou. En is Hij dan niet degene, die Israël verlost? Betaalt Hij niet door Zijn dood den prijs hunner verlossing? Was het, om Israël van zijn zonde te kunnen verlossen, niet noodzakelijk dat Hij zou lijden? Zodat zij, nu dat moeilijkste deel van Zijn werk volbracht was, meer dan ooit reden hebben om te hopen, dat Hij degene is, die Israël zou verlossen, en toch zijn zij nu gereed om de zaak als hopeloos op te geven.
d. Wij hebben hier een bericht van hun tegenwoordige verlegenheid met betrekking tot Zijne opstanding. "Het is heden de derde dag sedert Hij gekruisigd werd en gestorven is, en dat was de dag, waarop verwacht werd dat Hij, indien ooit, uit het graf zou opstaan, zou opstaan in uitwendige pracht en heerlijkheid, en zich in het openbaar zou vertonen in eer, zoals Hij drie dagen tevoren in smaad en verachting werd gezien. Maar wij bespeuren hier geen tekenen van, niets vertoont zich van hetgeen wij verwacht hebben, tot overtuiging en beschaming van Zijne vervolgers en tot vertroosting van Zijne discipelen, maar alles zwijgt." Zij erkennen dat er een gerucht onder hen liep, dat Hij was opgestaan, maar zij schijnen daar m et grote verachting van te spreken, als van iets, waaraan zij hoegenaamd geen geloof sloegen, vers 22, 23: Sommige vrouwen uit ons hebben ons ontsteld (en dat was al) die vroeg in den morgenstond aan het graf zijn geweest, en zijn lichaam niet vindende, kwamen zij en zeiden, dat zij ook een gezicht van engelen gezien hadden, die zeggen dat hij leeft. Maar wij denken dat zij het zich slechts verbeeld hebben, dat dit niet werkelijk zo was, want engelen zouden tot de apostelen zijn gezonden, en niet tot de vrouwen, en vrouwen laten zich zo licht bedriegen. Zij erkennen dat sommigen van de apostelen het graf bezocht hebben en het ledig hebben gevonden, vers 24. "Maar Hem zagen zij niet, en daarom hebben wij reden te vrezen, dat Hij niet is opgestaan, want indien Hij het ware, dan, voorzeker, zou Hij zich aan hen vertoond hebben, zodat wij over het geheel niet veel reden hebben te denken, dat Hij is opgestaan, en daarom koesteren wij thans ook geen verwachting meer van Hem, onze hoop was met Hem aan het kruis genageld en begraven in Zijn graf."
e. Onze Heere Jezus, schoon hun van aangezicht onbekend blijvende, openbaart zich aan hen door Zijn woord. Hij bestraft hen om hun gedachteloosheid en de zwakheid van hun geloof in de Schriften des Ouden Testaments: O onverstandigen en tragen van hart om te geloven, vers 25. Als Christus ons verbiedt om tot onzen broeder gij dwaas te zeggen, dan is de bedoeling hiervan ons te weerhouden van onredelijke verwijtingen te doen, maar niet om een rechtvaardige bestraffing te geven. Christus noemt hen dwazen, niet in de betekenis van goddelozen, in welken zin het ons verboden is iemand aldus te noemen, maar in de betekenis van zwakken. Hij mocht hen dwazen noemen, want Hij keut onze dwaasheid, de dwaasheid, die in ons hart gebonden is. Diegenen zijn dwazen, die handelen tegen hun eigen belangen, dat deden zij, die het getuigenis niet wilden aannemen, dat hun gegeven was van huns Meesters opstanding, en er de vertroosting van afwezen. Wat als dwaasheid in hen veroordeeld wordt, is: Ten eerste. Hun traagheid om te geloven. Gelovigen worden door atheïsten, ongelovigen en vrijdenkers als dwazen gebrandmerkt, en hun allerheiligst geloof wordt voor dwaas en dom bijgeloof uitgekreten, maar Christus zegt ons dat zij dwazen zijn, die traag van hart zijn om te geloven, en van het geloof teruggehouden worden door vooroordelen, die zij nooit onpartijdig onderzocht hebben. Ten tweede. Hun traagheid om te geloven de Schriften der profeten. Hij laakt hen niet zozeer wegens hun traagheid om het getuigenis der vrouwen en der engelen te geloven, maar wel om hetgeen er de oorzaak van was, hun traagheid om te geloven de profeten, want indien zij aan de profeten des Ouden Testaments behoorlijk aandacht hadden geschonken, dan zouden zij er even zeker van geweest zijn, dat Christus dien morgen (daar het de derde dag was na Zijn dood) van de doden was opgestaan, als zij er zeker van. waren, dat de zon was opgegaan, want de opeenvolging der gebeurtenissen, zoals die vastgesteld was door de profetie, is niet minder zeker en onverbreekbaar dan die, welke bepaald en vastgesteld is door de voorzienigheid. Waren wij slechts meer vertrouwd met de Goddelijke raadsbesluiten, die in de Schrift bekend zijn gemaakt, wij zouden niet onderhevig zijn aan die verlegenheid en verbijstering, waarin wij ons zo dikwijls verwarren en verstrikken. Hij toont hun dat het lijden van Christus, dat zulk een struikelblok voor hen was, en hen ongeschikt maakte om in Zijne heerlijkheid te geloven, in werkelijkheid de verordineerde weg was tot Zijne heerlijkheid, en dat Hij er langs geen anderen weg toe had kunnen komen, vers 26. "Moest de Christus (de Messias) niet deze dingen lijden, en alzo in Zijne heerlijkheid ingaan? Was het niet verordineerd, en was het raadsbesluit niet bekend gemaakt, dat de beloofde Messias eerst moest lijden, en daarna heersen, dat Hij door Zijn kruis tot Zijn kroon moest komen? Hadden zij nooit het drie en vijftigste hoofdstuk van Jesaja en het negende hoofdstuk van Daniël gelezen, waarin de profeten zo duidelijk spreken van het lijden van Christus, en de heerlijkheid daarna volgende? 1 Petrus 1:11. Het kruis van Christus was hetgeen, waarmee zij zich niet konden verzoenen, en nu toont Hij hun hier twee dingen, die de ergernis van het kruis wegnemen. Ten eerste. Dat de Messias deze dingen moest lijden, weshalve dit lijden niet slechts geen hinderpaal was, alsof Hij daarom de Messias niet zijn kon, maar er integendeel juist het bewijs van was, gelijk de beproevingen der heiligen een blijk en bewijs zijn van hun kindschap, en het was er zover vandaan, dat dit lijden hun hoop vernietigde, dat het integendeel juist de grond was hunner hoop. Hij zou geen Zaligmaker hebben kunnen zijn, als Hij niet een Lijder geweest was. Christus heeft vrijwillig het werk onzer verlossing op zich genomen. maar, het op zich genomen hebbende, was het nodig dat Hij zou lijden en sterven. Ten tweede. Dat, wanneer Hij deze dingen geleden zou hebben, Hij zou ingaan in Zijne heerlijkheid, hetgeen Hij deed door Zijne opstanding-dat was Zijne eerste schrede opwaarts. Het wordt Zijne heerlijkheid genoemd, omdat Hij er volle recht op had, en het was de heerlijkheid, die Hij had eer de wereld was. Hij moest er toe ingaan, want hierin, zowel als in Zijn lijden, moest de Schrift vervuld worden. Hij moest eerst lijden, en daarna ingaan in Zijne heerlijkheid, en aldus is de versmaadheid van het kruis voor eeuwig weggenomen, en wordt ons geleerd om de doornenkroon te verwachten, en daarna de erekroon. Hij verklaarde hun de Schriften van het Oude Testament, die gesproken hebben van den Messias, en Hij toonde hun hoe zij vervuld waren in Jezus van Nazareth, en nu kan Hij hun meer van Hem zeggen, dan zij Hem tevoren hadden kunnen zeggen, vers 27. Begonnen hebbende van Mozes, den eersten schrijver van het Oude Testament, die door de ingeving des Heiligen Geestes had geschreven, ging Hij nu verder naar volgorde, door al de profeten, en legde hun uit in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was, aantonende dat het lijden, waardoor Hij nu heen was gegaan, wel verre van de profetieën der Schrift Hem betreffende teniet te doen, er juist de vervulling van was. Hij begon met Mozes, die de eerste belofte heeft geboekt, waarin duidelijk voorzegd was dat van den Messias de verzenen vermorzeld zouden worden, maar dat hierdoor de kop der slang onherstelbaar vermorzeld zou worden. Deze dingen zijn verspreid door al de Schriften betreffende Christus, en het is zeer nuttig en voordelig om ze te verzamelen en samen te voegen. Gij kunt in geen deel der Schrift ver gaan, of gij ontmoet iets, dat betrekking heeft op Christus, ene profetie, ene belofte, een gebed, het een of andere type, want Hij is de ware schat, verborgen in den akker des Ouden Testaments. De gouden draad der Evangeliegenade loopt door geheel het weefsel des Ouden Testaments. Een straal van dat licht is overal te bespeuren. De dingen betreffende Christus moeten verklaard worden. De Moorman, hoewel hij een geleerde was, pretendeerde toch niet dat hij ze verstond, zo er niet iemand was, die hem onderrichtte, Handelingen 8:31, want zij werden op duistere wijze meegedeeld, overeenkomstig die bedeling, maar nu de voorhang is weggenomen, wordt het Oude Testament verklaard door het Nieuwe. Jezus Christus zelf is de beste Schriftverklaarder, inzonderheid van de Schriften, die Hem zelven betreffen, en zelfs na Zijne opstanding was dit de weg, waarop Hij de mensen leidde in de kennis van de verborgenheid betreffende Hem zelven, niet door nieuwe denkbeelden te berde te brengen, onafhankelijk van de Schrift, maar door hun te tonen hoe de Schriften vervuld zijn en door hen aan te sporen om die Schriften te bestuderen. Zelfs de Openbaring van Johannes is niets anders dan een tweede deel van de Oud Testamentische profetieën, en heeft er voortdurend het oog op. Indien de mensen Mozes en de profeten niet geloven, zijn zij ongeneeslijk. Bij het bestuderen der Schrift is het goed om methodisch te werk te gaan en ze naar volgorde te nemen, want het Oud Testamentische licht heeft trapsgewijze geschenen tot den vollen dag toe, en het is goed om op te merken, hoe God veelmaal en op velerlei wijze (de volgende voorzeggingen licht verspreidende over de voorgaande) tot de vaderen gesproken heeft betreffende Zijn Zoon, door wie Hij nu gesproken heeft tot ons. Sommigen beginnen hun Bijbel aan het verkeerde einde, die het eerst de Openbaring bestuderen, maar Christus heeft ons hier geleerd om met. Mozes te beginnen. Zover nu het gesprek tussen Christus en de Emmaüsgangers.
IV. Thans zien wij hoe Christus zich ten laatste aan hen ontdekt. Men zou wel zeer veel gegeven hebben voor een exemplaar van de leerrede, die Christus voor hen hield op den weg, van de verklaring van den Bijbel, die Hij hun gaf, maar het is niet voegzaam geoordeeld, dat wij die zouden hebben, wij hebben er de substantie van in andere delen der Schrift. De discipelen zijn er zo door bekoord, dat zij vinden te vroeg aan het einde hunner reis gekomen te zijn, maar dat waren zij toch. Zij kwamen nabij het vlek, daar zij naar toegingen, vers 28, waar zij schijnen besloten te hebben den nacht over te blijven. En nu:
1. Verzoeken zij Hem dringend bij hen te blijven. Hij hield zich alsof Hij verder gaan zou. Hij zei niet dat Hij verder gaan wilde, maar hun scheen het alsof Hij verder ging en niet bereid was om met hen in het huis huns vriends te gaan, daar dit voor een vreemdeling niet betaamde, tenzij hij uitgenodigd werd. Hij zou ook verder gegaan zijn, indien zij Hem niet dringend verzocht hadden met hen te blijven, zodat hier van generlei veinzerij sprake kan zijn. Als een vreemdeling terughoudend is, weet iedereen wat dit betekent, namelijk dat hij zich niet aan de onbeleefdheid wil schuldig maken van zich in te dringen in uw huis, of op te dringen aan uw gezelschap. Maar zo gij duidelijk laat blijken, dat gij begeert hem als gast te hebben, of als uw metgezel, dan zal hij uwe uitnodiging daartoe waarschijnlijk aannemen, en dat was het wat Christus deed, toen Hij zich hield alsof Hij verder wilde gaan. Zij, die wensen dat Christus met hen zal blijven, moeten Hem hiertoe uitnodigen, en er Hem toe dringen. Hoewel Hij dikwijls gevonden wordt van hen, die Hem niet zochten, kunnen toch alleen zij, die zoeken, er zeker van zijn te zullen vinden, en als Hij zich van ons schijnt te onttrekken, dan is dit slechts om ons dringend smeken uit te lokken, dat Hij bij ons blijven zal, evenals dit hier ook geschiedde.
Zij dwongen Hem, beiden hebben zij Hem aangegrepen, met vriendelijk geweld, zeggende: Blijf met ons. Zij, die het genot en het nut hebben ervaren van gemeenschap met Christus, kunnen niet anders dan begerig zijn om nog meer van Zijn bijzijn te genieten en Hem smeken, niet slechts om den gansen dag met hen te wandelen, maar om des nachts bij hen te blijven. Als de dag gedaald en het bij den avond geworden is, dan beginnen wij er aan te denken om ons ter ruste te begeven, en dan is het voegzaam om ons oog te vestigen op Christus, en Hem te bidden met ons te blijven, zich aan ons te openharen, en ons hart te vervullen van goede gedachten nopens Hem en van goede neigingen tot Hem. Christus gaf toe aan hun aandrang: Hij ging in om met hen te blijven. Zo bereidwillig is Christus om nog verder onderricht en vertroosting te geven aan hen, die gebruik maken van hetgeen zij reeds hebben ontvangen. Hij heeft beloofd, dat indien iemand de deur opendoet, om Hem welkom te heten, Hij tot hem zal inkomen, Openbaring 3:20.
2. Hij openbaarde zich aan hen, vers 30, 31. Wij kunnen veronderstellen dat Hij de gesprekken met hen voortzette, die op weg begonnen waren, want gij moet spreken van de dingen God als gij in uw huis zit, en als gij op den weg gaat. Terwijl de avondmaaltijd gereed werd gemaakt (dat wellicht zeer spoedig was afgelopen, daar de spijzen zo gering en zo weinig talrijk waren) heeft Hij hen waarschijnlijk onderhouden met zulke redenen, als goed waren tot nuttige stichting, en zo heeft Hij hen, ook terwijl zij aanzaten, gevoed met de redenen Zijns monds. Toch hebben zij nog weinig gedacht dat het Jezus zelf was, die al dien tijd met hen sprak, totdat het Hem eindelijk behaagde zich aan hen te openbaren, en toen heen te gaan. Zij begonnen te vermoeden dat Hij het was, toen Hij, als zij aanzaten, den dienst op zich nam van den heer des huizes, en dien dienst verrichtte op de Hem eigen wijze, zoals Hij dien placht te verrichten, als Hij met Zijne discipelen aanzat, zodat zij Hem hieraan herkenden. Hij nam het brood, en zegende het, en als Hij het gebroken had, gaf Hij het hun. Dit deed Hij met Zijn gewone houding van gezag en genegenheid, met hetzelfde voorkomen en dezelfde gebaren, met dezelfde uitdrukkingen wellicht in het bidden om een zegen, en in het geven van het brood aan hen. Dit was geen wonderdadige maaltijd, zoals die met de vijf broden, en geen sacramentele maaltijd, zoals de eucharistie, maar een gewone maaltijd, toch heeft Christus hier hetzelfde gedaan, wat Hij bij die andere maaltijden deed, om ons te leren onze gemeenschap te onderhouden met God door Christus bij de gewone gaven Zijner voorzienigheid, zowel als bij bijzondere inzettingen, bij elke maaltijd om een zegen te vragen en er dankzegging voor te doen, en te zien hoe ons dagelijks brood ons gegeven en voor ons gebroken wordt door de hand van Jezus Christus, den Meester, niet slechts van het grote gezin, maar van alle gezinnen. Waar wij ook neerzitten om te eten, laat ons Christus aan het boveneinde der tafel plaatsen, onze spijzen gebruiken als gezegend door Hem, eten en drinken, ter Zijner ere, tevreden en dankbaar ontvangen wat het Hem behaagt ons toe te bedelen, al is het voedsel dan ook nog zo grof of gering. Wel kunnen wij het blijmoedig ontvangen, als wij door het geloof kunnen zien, dat het uit Christus' hand tot ons komt en met Zijn zegen. Nu werden hun ogen geopend, en toen zagen zij wie het was, en toen kenden zij Hem. Wat het ook was, dat Hem tot hiertoe voor hen verborgen had gehouden, het was nu uit den weg geruimd, de nevelen waren weggevaagd, de sluier was opgelicht, en toen twijfelden zij niet, of het was hun Meester. Met wijze en heilige bedoelingen kon Hij een andere gedaante aannemen, maar niemand kon Zijne gedaante aannemen, en dus moest Hij het zijn. Zie, hoe Christus door Zijn Geest en Zijne genade zich bekendmaakt aan de zielen Zijns volks. Hij opent hun de Schriften, want die zijn het, die van Hem getuigen aan hen, die ze onderzoeken en er Hem in zoeken. Hij ontmoet hen aan Zijne tafel, in de instelling van des Heeren Avondmaal, en gewoonlijk ontdekt Hij zich daar nog nader aan hen, Hij maakt zich aan hen bekend in de breking des broods. Maar het werk wordt voltooid door de ogen te openen van hun geest, er de schellen van te doen afvallen, zoals die van de ogen van Paulus na zijne bekering. indien Hij, die de openbaring geeft, niet ook het verstand geeft, dan zijn wij nog in het duister.
3. Onmiddellijk daarna verdween Hij: Hij kwam weg uit hun gezicht. Aphantos egeneto -Hij trok zich van hen terug, was plotseling uit hun gezicht verdwenen. Of, Hij werd on- zichtbaar voor hen. Het schijnt, dat Christus' lichaam na Zijne opstanding, hoewel het hetzelfde lichaam was, waarin Hij leed en stierf, gelijk blijkt uit de tekenen er in, toch in zover veranderd was, dat het zichtbaar of onzichtbaar werd, al naar Hij dit geschikt oordeelde, hetgeen een stap was tot de verheerlijking er van. Zodra Hij Zijnen discipelen een blik op Hem gegeven had, was Hij weer verdwenen. Zulke korte, voorbijgaande ogenblikken van het aanschouwen van Christus hebben wij in deze wereld, wij zien Hem, maar na een wijle verliezen wij Hem weer uit het gezicht. Als wij in den hemel komen, zal ons zien van Hem niet onderbroken worden.
V. Wij hebben hier de opmerking van deze discipelen nopens hun samenspreking met Christus, en het bericht, dat zij er hun broederen te Jeruzalem van hebben gebracht. 1. De opmerking van ieder hunner over den invloed, dien Christus' rede op hen had uitgeoefend, vers 32. Zij zeiden tot elkaar: Was ons hart niet brandende in ons? "Voorzeker was het zo met mij," zegt de een. "Zo was het ook met mij," zegt de ander, "nooit in mijn leven heb ik mij zo door iemands woorden bewogen gevoeld." En zo vergelijken zij dan wat er in hun hart was omgegaan bij de herinnering aan de rede, die Christus voor hen gehouden heeft. Zij vonden die prediking krachtig, eer zij nog wisten wie de prediker was. Zij had hun de dingen zeer duidelijk gemaakt, en wat meer is, zij had een Goddelijke gloed met een Goddelijk licht in hun ziel gebracht, waardoor hun hart brandend werd in hun binnenste, en er een heilig vuur van Godvruchtige liefde in hen ontstoken werd. Dit nu merken zij op ter bevestiging van hun geloof, dat het inderdaad, gelijk zij ten laatste zagen, Jezus zelf was, die al dien tijd met hen gesproken had. "Hoe dwaas waren wij, dat wij niet eerder bemerkten wie Hij was! Want niemand dan Hij, geen woord dan het Zijne, kon ons hart zo brandende in ons maken, Hij moet het wezen, die den sleutel heeft van het hart, het kon niemand anders wezen." Zie hier:
a. Welke prediking goed zal doen-ene prediking namelijk zoals die van Christus, een eenvoudige prediking, geschikt voor onze bevatting-Hij sprak tot ons op den weg, en een schriftuurlijke prediking -Hij opende ons de Schriften, de Schriften, die op Hem betrekking hebben De evangeliedienaars moeten den mensen hun Godsdienst tonen in den Bijbel, moeten hun tonen dat zij hun geen andere leer prediken, dan die daarin vervat is, zij moeten tonen dat zij den Bijbel tot de fontein maken van hun kennis en tot den grondslag van hun geloof. De verklaring van die Schriften, welke spreken van Christus, heeft de onmiddellijke strekking om het hart der discipelen te verwarmen, hen op te wekken en te vertroosten.
b. Welk horen goed zal doen -een horen, waarbij het hart brandende is, als wij zeer bewogen worden door de dingen Gods, inzonderheid door de liefde van Christus in Zijn sterven voor ons, en als ons hart daarbij uitgaat in liefde tot Hem, uitgaat in heilige begeerten en oefeningen der Godsvrucht, dan is ons hart brandende in ons, als onze harten opgeheven worden en zijn als de vonken, die zich verheffen tot vliegen, als zij zich opwaarts verheffen tot God, en als ontstoken worden in heiligen ijver en toorn tegen de zonde, in ons zelven en in anderen, en als wij in zekere mate gelouterd en gereinigd zijn van de zonde door den geest des oordeels en den geest der uitbranding, dan kunnen wij zeggen: "Door genade is ons hart aldus brandende in ons."
2. Het bericht, dat zij hiervan brachten aan hun broederen te Jeruzalem, vers 33. Zij, opstaande ter zelver ure. Zij waren in zulk een vervoering van blijdschap, doordat Christus zich aan hen ontdekt had, dat zij niet konden blijven om hun avondmaaltijd te eindigen, maar met allen spoed wederkeerden naar Jeruzalem, hoewel het bij den avond was. Indien zij er aan gedacht hebben, om hun betrekking tot Christus te doen ophouden, dan werden die gedachten nu al spoedig uit hun hart gebannen, en er was niets meer nodig om hen tot Zijne kudde terug te voeren. Zij schenen tenminste voornemens geweest te zijn om dien nacht te Emmaus over te blijven, maar nu zij Christus hadden gezien, konden zij niet rusten, voor zij de goede tijding hadden gebracht aan de discipelen, ter bevestiging van hun wankelend geloof en ter vertroosting van hun bedroefd hart, met de vertroosting, met welke zij van God vertroost zijn geworden. Het is de plicht van hen, aan wie Christus zich geopenbaard heeft, om aan anderen te vertellen wat Hij aan hun ziel gedaan heeft. Als gij bekeerd, onderwezen, vertroost zult zijn, zo versterk uwe broederen. Deze discipelen waren zelf gans vervuld van de zaak, en zij moeten tot hun broederen gaan, om lucht te geven aan hun blijdschap, zowel als om hun de overtuiging te geven, dat hun Meester was opgestaan. Merk op: a. Hoe zij hen vonden, toen zij bij hen binnenkwamen, sprekende over hetzelfde onderwerp en nog een ander bewijs mededelende van Christus' opstanding. Zij vonden de elven, met degenen, die gewoonlijk met hen samenkwamen, laat in den nacht samen vergaderd om tezamen te bidden wellicht, en te beraadslagen over hetgeen hun thans te doen stond, en zij vonden hen, zeggende onder elkaar (legontas is hetgeen de elven zeiden, niet de twee, gelijk duidelijk blijkt uit het oorspronkelijke), en toen deze twee binnenkwamen, herhaalden zij het voor hen met blijdschap en triomf: De Heere is waarlijk opgestaan, en is van Simon gezien, vers 24. Dat Petrus Hem voor de andere discipelen gezien had, blijkt uit 1 Corinthiërs 15:5, waar de apostel zegt: Hij is van Cefas gezien, daarna van de twaalven. Daar de engelen aan de vrouwen bevolen hadden om het inzonderheid aan Petrus te zeggen, Markus 16:7, ter zijner vertroosting, is het hoogstwaarschijnlijk dat onze Heere Jezus zelf zich nog diezelfden dag aan Petrus vertoond heeft, hoewel wij daar geen afzonderlijk verhaal van hebben, ten einde het woord Zijner boodschappers te bevestigen. Dit had hij aan zijne broederen verteld, doch merk op dat Petrus dit nu niet zelf verkondigt of er op roemt (hij vond dat dit geen boetvaardige betaamde) maar de andere discipelen spreken er van met gejuich en blijdschap, De Heere is waarlijk opgestaan, ontoos -wezenlijk, het is nu onbetwistbaar zeker, geen twijfel blijft meer over, want Hij is niet slechts aan de vrouwen verschenen, maar ook aan Simon.
b. Hoe zij hun getuigenis ondersteunden met het verhaal van hetgeen zij gezien hadden, vers 35. Zij vertelden hetgeen op den weg geschied was. De woorden, door Christus op den weg tot hen gesproken, een verwonderlijke uitwerking en invloed op hen gehad hebbende, worden hier voorgesteld als dingen, die op den weg geschied waren, want de woorden, die Christus spreekt, zijn geen holle klanken, zij zijn geest en leven, en wondervolle dingen worden er door gedaan, gedaan op den weg, in het voorbijgaan als het ware, als het niet verwacht of gedacht wordt. Zij vertelden ook hoe Hij hun ten laatste bekend was geworden in het breken des broods, hoe, toen Hij hun zegeningen toebedeelde, God hun ogen had geopend om te zien wie Hij was. Het zou zeer nuttig zijn voor de ontdekking en bevestiging der waarheid, als Christus' discipelen hun waarnemingen en ervaringen met elkaar vergeleken, en elkaar mededeelden wat zij zelf weten en in zich zelven hebben ervaren.