Lukas 22:39-46
Wij hebben hier het ontzettend verhaal van Christus' doodsbenauwdheid in den hof, even voor Hij verraden en overgeleverd werd, hetgeen uitvoerig door de andere evangelisten verhaald is. Hierin heeft Christus zich geschikt naar dat deel Zijner onderneming, dat nu aanving, namelijk het stellen van Zijne ziel tot een schuldoffer. Hij heeft Zijn eigen ziel smart aangedaan wegens de zonde, waarvoor Hij verzoening stond te doen, en met de vrees voor den toorn Gods, waaraan de mens zich door de zonde had blootgesteld, waarvan het Hem behaagde als offer het merkteken te ontvangen, daar het verteerd worden van een offer door vuur van den hemel het zekerste teken was, dat het was aangenomen. Hierin is Christus met de machten der duisternis in het strijdperk getreden, hun al het voordeel gevende, dat zij konden wensen, en heeft hen toch overwonnen.
I. Wat wij in dit verhaal reeds tevoren gehad hebben is:
1. Dat toen Christus uitging, de discipelen (elf hunner, want Judas was reeds weggeslopen) Hem, hoewel het nacht was, en zij een langen weg hadden af te leggen, gevolgd zijn. Daar zij totnutoe bij Hem zijn gebleven in Zijne verzoekingen, wilden zij Hem ook thans niet verlaten.
2. Dat Hij heenging naar de plaats, waar Hij gewoon was zich af te zonderen, hetgeen aanduidt dat Christus zich aan afzondering had gewend, dikwijls alleen was, om ons te leren het ook te zijn ten einde vrijelijk gemeenschap te oefenen met God en met ons eigen hart. Hoewel Christus geen andere gerieflijkheid had tot afzondering dan een hof, heeft Hij zich toch afgezonderd. Dit behoren wij inzonderheid te doen, als wij aan de tafel des Heeren geweest zijn, want dan hebben wij werk te verrichten, waarvoor wij alleen moeten zijn.
3. Dat Hij Zijne discipelen vermaande om te bidden, opdat zij, hoewel de naderende beproeving niet vermeden kon worden, er toch niet door in verzoeking zouden komen om te zondigen, dat zij, wanneer zij in den grootsten angst en het grootste gevaar zouden zijn, toch geen neiging zouden hebben om Christus te verlaten, bidt, dat gij bewaard moogt blijven voor zonde.
4. Dat Hij zich van hen terugtrok, en zelf bad, zij hadden hun boodschap te brengen voor den troon der genade, en Hij de Zijne, en daarom was het gepast dat zij niet tezamen, maar afzonderlijk zouden bidden. Soms, als zij om dezelfde dingen hadden te vragen, hebben zij tezamen gebeden. Hij trok zich omtrent een steenworp van hen terug in den hof, hetgeen naar sommiger berekening ongeveer vijftig of zestig schreden is, en daar knielde Hij neer (zo luidt hier het verhaal) op den naakten grond, maar de andere evangelisten zeggen dat Hij later op Zijn aangezicht viel, en bad dat, zo het de wil van God was, deze lijdensbeker van Hem voorbij mocht gaan. Dat was de taal van die onschuldige vrees voor lijden, die Hij, wezenlijk en waarlijk mens zijnde, in Zijne natuur gevoelen moest.
5. Dat Hij, wetende dat het de wil Zijns Vaders was, dat Hij zou lijden en sterven, en dat, de zaak nu beslist zijnde, dit voor onze verlossing en zaligheid noodzakelijk was, Hij die bede nu terstond terugnam, er niet op aandrong, maar zich aan den wil Zijns hemelsen Vaders onderwierp: doch niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede, niet de wil van Mijn menselijke natuur, maar de wil van God, gelijk die van Mij in de rol des boeks is geschreven, dien Ik lust heb te doen, laat dien wil geschieden, Psalm 40:8, 9. 6. Dat Zijne discipelen sliepen, terwijl Hij bad, en toen zij zelf hadden behoren te bidden, vers 45. Als Hij van het gebed opgestaan was, kwam Hij tot Zijne discipelen, en vond hen slapende, onbekommerd om Zijne smart, maar zie, welk een gunstige verklaring er hier aan gegeven wordt, en die wij bij de andere evangelisten niet gehad hebben-Hij vond hen slapende van droefheid. De grote smart, die zich van hen had meester gemaakt bij het treurig afscheid, dat hun Meester dien avond hun had gegeven, had hun krachten uitgeput, hen dof en zwaarmoedig gemaakt, waardoor zij (daar het nu ook laat in den nacht was) slaperig waren geworden. Dit leert ons om aan de zwakheid onzer broederen de beste uitlegging te geven, en, zo er een oorzaak voor is, gunstiger voor hen dan ene andere, haar dan aan die oorzaak toe te schrijven. 7.. Dat, toen Hij hen wekte, Hij hen vermaande om te bidden, vers 46. Wat slaapt gij? Waarom veroorlooft gij u te slapen? Staat op en bidt. Schudt die slaperigheid van u af, opdat gij instaat zijt te bidden, en bidt om genade, ten einde instaat te zijn uwe slaperigheid af te schudden. Dit was als de opwekking van den opperschipper tot Jona in den storm, Jona 1:6 :Sta op, roep tot uwen God. Als wij bevinden dat wij, hetzij door uitwendige omstandigheden of door innerlijke neiging, in verzoeking komen, dan is het ons nodig op te staan en te bidden: "Heere, help mij in dezen tijd van nood". Maar,
II. Er zijn in dit verhaal drie dingen, die wij bij de andere evangelisten niet gehad hebben:
1. Dat, toen Christus in doodsbenauwdheid was, van Hem werd gezien een engel uit den hemel, die Hem versterkte, vers 43. Het was een voorbeeld van de diepe vernedering van onzen Heere Jezus, dat Hij de hulp van een engel nodig had, en haar wilde aannemen. De invloed der Goddelijke natuur trok zich voor het ogenblik terug, en toen was Hij, ten opzichte van Zijn menselijke natuur, voor een wijle minder dan de engelen, en was Hij instaat hun hulp te ontvangen. Hij werd toen niet verlost van Zijn lijden, maar Hij werd er onder gesterkt en gesteund, en dat stond er aan gelijk. Indien God aan de schouders evenredige kracht geeft met den last, dien zij te dragen hebben, dan hebben wij geen reden tot klagen ten opzichte van wat het ook zij, dat Hij ons oplegt. David erkent dat het een voldoend antwoord was op zijn gebed in den dag der benauwdheid, dat Hij hem versterkt heeft met kracht in zijne ziel, Psalm 138:3, en dat erkent ook de Zone David's. De engelen hebben den Heere Jezus gediend in Zijn lijden. Hij had legioenen van hen kunnen hebben om Hem te bevrijden, ja, die ene zou dit gekund hebben, die zou de gehele bende van mensen, die kwamen om Hem gevangen te nemen, hebben kunnen overwinnen en verdrijven, maar hij diende Hem slechts om Hem te versterken. en dit bezoek zelf van den engel dat hij Hem nu bracht in Zijne smart, toen Zijne vijanden waakten en Zijne vrienden sliepen, was zulk een gelegen teken der Goddelijke gunst, dat het Hem grotelijks heeft moeten versterken. Doch dat was niet alles: hij heeft Hem waarschijnlijk ook iets gezegd om Hem te versterken, Hem er aan herinnerd dat Zijn lijden strekte tot eer en heerlijkheid Zijns Vaders, en ook tot Zijn eigen eer en heerlijkheid, en tot heil en zaligheid van hen, die Hem gegeven waren, hij sprak van de vreugde, die Hem was voorgesteld, van het zaad, dat Hij zien zal, met deze en dergelijke redenen heeft hij Hem bemoedigd om goedsmoeds voort te gaan, en hetgeen vertroostend is, is ook versterkend. Wellicht heeft hij iets gedaan om hem te versterken, heeft hij Zijn zweet en Zijne tranen afgewist, Hem wellicht een hartsterking toegediend zoals na Zijne verzoeking in de woestijn, of, het kan wezen, dat hij Hem bij den arm vatte, Hem ophielp van den grond, of Hem ondersteunde toen Hij op het punt was van in zwijm te vallen, en in deze diensten van den engel heeft de Heilige Geest enischuoon auton -kracht in Hem gelegd, want dat is de betekenis van het woord. Voorzeker, het behaagde den Heere hem te verbrijzelen, doch heeft Hij naar de grootheid Zijner macht met Hem getwist? Job 23:6. Neen, maar Hij heeft hem versterkt, kracht in Hem gelegd, naar Zijne belofte, Psalm 89:22, Jesaja 49:8, 50:7. 2. Dat Hij, in zwaren strijd zijnde, te ernstiger bad, vers 44. Naarmate Zijne smart en benauwdheid heviger werden, werd Hij ook dringender in het gebed, niet alsof er tevoren enigerlei lauwheid of onverschilligheid was in Zijn gebed, maar er was nu groter aandrang en vurigheid in, hetgeen werd uitgedrukt door Zijne stem en gebaren. Het gebed, hoewel nooit ontijdig, is zeer bijzonder tijdig en gepast als wij in benauwdheid verkeren, en hoe zwaarder onze benauwdheid, hoe vuriger en hoe meer herhaaldelijk wij moeten bidden. Nu was het, dat Christus gebeden en smekingen met sterke roeping en tranen geofferd heeft, en verhoord werd uit de vrees, Hebreeën 5:7, en in Zijne vrees geworsteld heeft, zoals Jakob met den engel.
3. Dat in deze doodsbenauwdheid Zijn zweet werd gelijk grote droppelen bloeds, die op de aarde afliepen. Het zweet ontstond met de zonde, en was een deel van den vloek, Genesis 3:19. En daarom heeft Christus, toen Hij zonde voor ons werd gemaakt, en een vloek voor ons is geworden, zwaar geleden onder zweet, opdat wij in het zweet Zijns aanschijns brood kunnen eten, en opdat Hij al onze beproevingen voor ons zou heiligen en verzoeten. Er is strijd onder de critici, of dit zweet slechts vergeleken wordt bij droppelen bloeds, veel dikker zijnde dan zweet gewoonlijk is, daar de poriën Zijns lichaams meer dan gewoonlijk geopend waren, of dat er wezenlijk bloed uit de capillaire vaten mede gemengd was, zodat het in kleur aan bloed gelijk was, en met recht een bloedig zweet kon genoemd worden, maar de zaak is van geen groot belang. Sommigen achten dat ook toen Christus Zijn bloed voor ons gestort heeft, want zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving. Elke porie was, als het ware, een bloedende wond, en Zijn bloed heeft al Zijne klederen bevlekt. Dit toonde den arbeid Zijner ziel. Hij was nu buiten, in de open lucht, in een koel jaargetijde, op den kouden grond, diep in den nacht, waardoor, naar men zou denken, zweet naar binnen gedreven zou worden, maar Hem breekt het zweet uit, waaruit blijkt hoe zwaar Zijne zielsbenauwdheid is geweest.