Lukas 1:57-66
In deze verzen hebben wij:
I. De geboorte van Johannes de Doper, vers 57. Hoewel hij door een wonder in het lichaam zijner moeder was ontvangen, had zijne geboorte toch plaats volgens den gewonen loop der natuur (evenals ook onze Zaligmaker.). De tijd van Elizabeth werd vervuld, dat zij baren zou, en zij baarde een zoon. Beloofde zegeningen kunnen verwacht worden, als de tijd er van vervuld is, en niet eerder.
II. De grote blijdschap, die onder al de nabestaanden van het gezin bij deze buitengewone gelegenheid betoond werd, vers 58. Die daar rondom woonden en hare magen hoorden het, want iedereen zal er van gesproken hebben als van iets, dat aan het wonderbare grensde. Dr. Lightfoot merkt op, dat Hebron door priesters bewoond werd uit het geslacht van Aäron, en dat zij de magen waren van wie hier gesproken wordt, maar dat het omliggende land en de dorpen door de kinderen van Juda werden bewoond, en dat dezen de naburen waren, of, die daar rondom woonden. Nu geven dezen hier blijk:
1. Van een vromen eerbied voor God. Zij erkenden dat de Heere Zijne barmhartigheid grotelijks aan haar bewezen had. Het was ene barmhartigheid, dat de versmaadheid van haar was weggenomen, ene barmhartigheid, dat haar gezin gebouwd zou worden, te meer, daar het een gezin was van een priester, gewijd aan God, en gebruikt in Zijn dienst. Vele dingen werkten samen om die barmhartigheid groot te doen zijn-dat zij lang onvruchtbaar is geweest, en nu oud was geworden, maar inzonderheid, dat het kind groot zou zijn voor den Heere.
2. Vriendelijkheid en achting voor Elizabeth. Toen zij zich verblijdden, verblijdden zij zich met haar. Wij behoren genoegen te smaken in den voorspoed en het welzijn van onze naburen en vrienden, en Gode even dankbaar te zijn voor hun welvaren en hun zegeningen als voor de onze.
III. Het geschil onder hen betreffende den naam van het kind, vers 59. Het geschiedde op den achtsten dag, -gelijk God het had geboden-dat zij kwamen om het kindeken te besnijden. Het was hier te Hebron, dat de besnijdenis het eerst werd ingesteld, en Izaak, die, evenals Johannes de Doper, geboren was uit de belofte, was een der eersten, die er aan onderworpen werd, hij was tenminste de voornaamste, die met deze inzetting beoogd werd. Zij, die zich verblijdden in de geboorte van het kind, kwamen bijeen voor de besnijdenis. Het grootste genot, dat wij in onze kinderen kunnen smaken, is daarin gelegen, dat wij hen overgeven aan God en hun verbondsbetrekking tot Hem erkennen. De doop onzer kinderen behoort ons nog meer blijdschap te schenken dan hun geboorte. Nu was het het gebruik, dat zij bij de besnijdenis hunner kinderen hun tegelijk een naam gaven, omdat, toen Abram besneden werd, God hem een nieuwen naam gaf, en hem Abraham noemde, het is niet ongepast, dat zij naamloos blijven, totdat zij bij hun naam aan God gegeven worden.
1. Nu werd door sommigen voorgesteld, dat hij naar zijn vader Zacharias zou genoemd worden. Wij hebben geen voorbeeld in de Schrift, dat het kind den naam van zijn vader moet dragen, maar wellicht was dit een gewoonte, die later onder de Joden in zwang kwam, zoals nu bij ons, en bedoelden zij hiermede den vader te eren, die waarschijnlijk wel geen tweede kind zou krijgen. 2. De moeder was hier tegen, en wilde dat het kind Johannes zou genoemd worden, vernomen hebbende, hetzij door ingeving van den Heiligen Geest, -dat het waarschijnlijkst is-of wel door een geschreven mededeling van haar echtgenoot, dat God dien naam had aangewezen, vers 60. Hij zal Johannes heten, de genaderijke, omdat hij het Evangelie van Christus zal inleiden, waarin Gods genade helderder uitblinkt dan ooit tevoren.
3. De bloedverwanten opperden bezwaar hiertegen, vers 61, Er is iemand in uwe maagschap, die met dien naam genaamd wordt. Indien hij dus den naam van zijn vader niet mag hebben, zo laat hem dan tenminste naar iemand van de familie genoemd worden, die het ene eer zal achten, dat zulk een kind zijn naam zal dragen. Gelijk zij, die vrienden hebben, vriendschap moeten bewijzen, zo moeten ook zij, die familiebetrekking hebben, hun al die vriendelijke achting betonen. die wij hun verschuldigd zijn.
4. Zij deden een beroep op den vader en wilden beproeven zijne mening omtrent de zaak te leren kennen, want het kwam hem toe het kind een naam te geven, vers 62. Zij wenkten zijn vader, waaruit blijkt dat hij zowel doof als stom was, ja het had zelfs den schijn, alsof hij achteloos, onverschillig was, want anders zouden zij hem wel terstond gevraagd hebben om den naam zijns kinds te schrijven, indien hij, sedert hij met stomheid was geslagen, iets wat het ook zij schriftelijk had meegedeeld. Zij wilden echter zo ver gaan met de zaak als zij konden, en daarom gaven zij hem te kennen waarover het geschil liep, dat alleen door hem beslecht kon worden, waarop hij hun door tekenen te verstaan gaf om hem een schrijftafeltje te geven, zoals toen in gebruik was en met de stift schreef hij: Johannes is zijn naam, vers 63. Niet "zal zijn", of, "wens ik dat hij zijn zal", maar is zijn naam. De zaak is reeds beslist, de engel had hem dien naam gegeven. Toen Zacharias niet kon spreken, schreef hij. Als aan de leraren de mond wordt gestopt, zodat zij niet kunnen prediken, dan kunnen zij, zolang hun handen niet gebonden zijn, nog goed doen door te schrijven. Velen van de martelaren hebben in de gevangenis brieven geschreven aan hun vrienden, die veel nut hebben gesticht, ook de apostel Paulus heeft dit gedaan. Dat Zacharias dezelfden naam schreef, dien Elizabeth had genoemd, heeft de aanwezigen grotelijks verwonderd. Zij verwonderden zich allen, want zij wisten niet dat zij, hoewel gene gemeenschap met elkaar kunnende oefenen van wege de stomheid en doofheid van Zacharias, toch door een en dezelfden Geest geleid werden. Of wellicht verwonderden zij zich, dat hij zo duidelijk en verstaanbaar schreef, hetgeen hij (daar de slag, die hem had getroffen, zeer veel op een verlamming geleek) tevoren niet gedaan had.
5. Hierop herkreeg hij de spraak, vers 64.
Terstond werd zijn mond geopend. De tijd, die tevoren voor zijn zwijgen was vastgesteld, was tot op den dag, dat deze dingen geschied zullen zijn, vers 20, niet al de dingen, die aan Johannes' openbare bediening voorafgaan, maar die, welke betrekking hebben op zijne geboorte en naam, vers 13. Die tijd was nu voorbij, waarop het beslag werd weggenomen en God hem weer den mond opende, Ezechiël 3:27. Dr. Lightfoot maakt ene vergelijking tussen dit geval van Zacharias en dat van Mozes, Exodus 4:24-26, Wegens zijn wantrouwen is Mozes in levensgevaar, gelijk Zacharias om diezelfde zonde met stomheid wordt geslagen, maar na de besnijdenis van zijn kind en de wederopwekking van zijn geloof, wordt daar, evenals hier, het gevaar opgeheven. Ongeloof heeft hem den mond gesloten, en daar hij nu gelooft, is zijn mond weer geopend, hij gelooft, daarom spreekt hij. David lag onder den last zijner zonde, van dat zijn kind ontvangen werd tot enige dagen na zijn geboorte, dan neemt de Heere zijne zonde weg, nu hij berouw heeft, zal hij niet sterven. Zo ook hier: hij zal niet langer stom zijn, zijn mond werd geopend, hij sprak, God lovende. Als God onze lippen opent, dan moet onze mond Zijn lof verkondigen. Wij kunnen even goed sprakeloos zijn als de spraak niet te gebruiken om God te loven, want dan is onze tong het meest onze eer, als zij gebruikt wordt tot Gods eer.
6. De dingen werden door het gehele land bekend gemaakt, tot grote verbazing van allen, die ze hoorden, vers 65. 66.. De mening, het gevoelen, des volks moet niet geminacht worden, er moet behoorlijk acht op worden geslagen. Er wordt ons hier gezegd,
a. Dat er veel werd gesproken van al deze dingen, zij maakten het onderwerp der gesprekken uit in het gehele gebergte van Judea. Het is te betreuren dat er niet terstond een verhaal van werd opgesteld en in de wereld verspreid.
b. Dat de meeste mensen, die van deze dingen hoorden, er door ontsteld werden. Er kwam vrees over allen, die rondom hen woonden. Indien wij geen goede hope hebben, zoals wij behoorden te hebben, gegrond op het Evangelie, dan kunnen wij verwachten dat de tijding er van ons zal vervullen met vrees. Zij geloofden en sidderden, terwijl zij hadden moeten geloven en juichen.
c. Het wekte de verwachtingen op des volks betreffende dit kindeken, en drong hen om het oog op hem te hebben en te zien wat uit hem worden zou.
Zij namen het ter harte, bewaarden die dingen in hun hart en geheugen, alsof zij voorzagen dat zij later reden zouden hebben om ze zich voor den geest terug te roepen. Wat wij horen en ons nuttig kan zijn, moeten wij bewaren, in gedachtenis houden, ten einde het voort te kunnen brengen ten nutte van anderen, als oude en nieuwe dingen, en opdat wij, als de dingen tot rijpheid komen, op de voortekenen er van terug kunnen zien, en zeggen: "Dit was te verwachten." Zij zeiden bij zich zelven en tot elkaar: "Wat zal toch dit kindeke wezen? Wat zal de vrucht wezen, als dit de knoppen, de kiemen, zijn, of liever, als dit de wortel is uit zo dorre aarde?" Als kinderen in de wereld worden geboren, dan is het zeer onzeker wat zij zullen blijken te zijn, maar soms zijn er reeds vroeg aanduidingen geweest van iets groots, zoals in de geboorte van Mozes, Simson, Samuël, en Johannes. En wij hebben reden om te geloven dat er, toen Johannes zijne bediening aanving, nog sommigen in leven waren, die zich deze dingen konden herinneren, en ze zich ook herinnerd hebben, en ze aan anderen hebben verhaald, hetgeen er veel toe heeft bijgedragen, dat de menigte naar hem toestroomde om hem te horen. Eindelijk: Er wordt gezegd: De hand des Heeren was met hem, dat is: hij was van zijne geboorte af onder de bijzondere zorg en hoede des Almachtigen, als bestemd zijnde voor iets groots en gewichtigs, en daarvan waren vele voorbeelden. Het bleek ook dat de Geest reeds zeer vroeg werkte in zijne ziel. Zodra hij begon te spreken of te lopen, kon men iets buitengewoons in hem bespeuren. God heeft wegen en middelen om op kinderen te werken in hun jeugd, die wij ons niet kunnen verklaren. God heeft nooit ene ziel geschapen, die Hij niet heeft weten te heiligen.