Lukas 18:18-30
In deze verzen hebben wij:
I. Christus' gesprek met een overste, die wel geneigd was om zich door Hem op den weg naar den hemel te laten leiden. Hierin kunnen wij opmerken:
1. Dat het lieflijk en zalig is personen van aanzien in de wereld zich van anderen van hun rang en stand te zien onderscheiden door zorg over hun ziel en voor het toekomende leven. Lukas neemt er nota van, dat hij een overste was. Weinigen onder de oversten hadden enigerlei eerbied voor Christus, maar hier was er een, die wel eerbied voor Hem had. Of hij een overste was in de kerk of in den staat blijkt niet, wel dat hij iemand was, die met gezag was bekleed.
2. De grote vraag voor ons allen is, wat wij hebben te doen om het eeuwige leven te beërven. Dit sluit in een geloof aan een eeuwig leven na dit leven, dat de atheïsten en ongelovigen niet bezitten, zulk een zorg om er zich van te verzekeren, als een onnadenkende en zorgeloze wereld niet kent, en zulk een bereidwilligheid om zich aan alle voorwaarden te onderwerpen ten einde er zich van te verzekeren, als diegenen niet hebben, welke slechts voor de wereld en het vlees leven.
3. Zij, die het eeuwige leven willen beërven moeten zich wenden tot Jezus Christus als hun Meester, hun leermeester, dat is hier de betekenis van het woord didaskale, en hun regerenden of besturenden Meester, en dat zullen zij Hem gewis bevinden te zijn. De weg naar den hemel kan niets anders geleerd worden dan in de school van Christus, door hen, die er komen en er blijven.
4. Zij, die tot Christus komen als tot hun Meester, moeten geloven dat Hij niet slechts een Goddelijke zending heeft, maar ook een Goddelijke goedheid. Christus wilde dezen overste doen weten, dat zo hij Hem goed begreep door Hem goed te noemen, hij Hem daarmee eigenlijk God noemde, en dat was Hij ook werkelijk, vers 19. "Wat noemt gij Mij goed? Gij weet dat niemand goed is dan een, namelijk God, houdt gij Mij dus voor God? Zo ja, dan hebt gij gelijk."
5. Onze Meester, Christus zelf, heeft den weg naar den hemel niet anders gemaakt dan hij geweest is voor Zijne komst, Hij heeft hem duidelijker, gemakkelijker en aangenamer gemaakt, en Hij heeft voorzien voor onze hulp in geval wij een misstap doen. Gij weet de geboden. Christus is niet gekomen om de wet en de profeten te ontbinden, maar ze te vervullen en te bevestigen. Wilt gij het eeuwige leven beërven: regel u naar de geboden.
6. De plichten van de tweede tafel der wet moeten nauwgezet worden waargenomen om gelukkig te kunnen zijn, en wij moeten niet denken dat enigerlei vrome handeling, hoe schoon ook, ene vergoeding kan wezen voor het verzuimen of veronachtzamen er van. En het is ook niet genoeg om ons vrij te houden van een grove overtreding dier geboden, maar wij moeten deze geboden weten zoals Christus ze verklaard heeft in de bergrede, in hun strekking en geestelijken aard, en ze alzo houden.
7. De mensen achten zich onschuldig, omdat zij onwetend zijn, zo ook deze overste. Hij zei: Al deze dingen heb ik onderhouden van mijne jonkheid aan, vers 21. Hij weet niet meer kwaad van zich zelven dan de Farizeeër van zich wist, vers 11. Hij roemt er op dat hij reeds vroeg het pad der deugd had betreden, en er tot op den huidigen dag op was blijven wandelen, en dat hij in geen enkel opzicht had overtreden. Indien hij bekend ware geweest met de strekking en den geestelijken aard der wet van God, en met de bewegingen van zijn eigen hart-indien hij slechts een wijle Christus' discipel ware geweest en van Hem geleerd had, hij zou volmaakt het tegendeel hebben gezegd: "Al deze dingen heb ik verbroken van mijne jonkheid af, in gedachte, in woord en daad."
8. De grote dingen, waaraan wij onzen geestelijken staat kunnen toetsen, zijn hoe wij gezind en geneigd zijn ten opzichte van Christus en van onze broederen, tot deze wereld en de toekomende wereld, daaraan werd ook deze man getoetst. Want:
a. Indien hij een ware genegenheid heeft voor Christus, dan zal hij komen en Hem volgen, acht geven op Zijne leer, zich onderwerpen aan Zijne tucht, wat het hem ook moge kosten. Niemand zal het eeuwige leven beërven, die niet gewillig is part en lot te hebben met den Heere Jezus, het Lam te volgen waar het ook heengaat.
b. Indien hij een ware genegenheid heeft voor zijne broederen, dan zal hij, naar de gelegenheid zich voordoet, uitdelen onder de armen, die Gods ontvangers zijn van hetgeen Hem uit onze goederen toekomt.
c. Indien hij gering denkt over deze wereld, zoals hij behoort te doen, dan zal hij niet aarzelen om, zo het nodig is, te verkopen wat hij heeft, ten einde Gods armen te kunnen ondersteunen.
d. Indien hij hoge gedachten koestert van de andere wereld, gelijk hij behoort te doen, dan zal hij niets anders verlangen dan een schat te hebben in den hemel, en zal dat als een overvloedige beloning beschouwen voor alles wat hij verlaten of verloren heeft, of in deze wereld voor God heeft te koste gelegd.
9. Er zijn velen, die zeer veel prijzenswaardigs hebben, en toch omkomen, omkomen omdat een ding hun ontbreekt, zo was het met dezen overste, hierom heeft hij met Christus gebroken. Met al Zijne voorwaarden was hij tevreden, behalve met die ene, die hem zou scheiden van zijne goederen: Ik bid u, houd mij hieromtrent voor verontschuldigd. Op deze voorwaarde wilde hij de overeenkomst niet aangaan.
10. Velen zijn ongenegen om Christus te verlaten, maar verlaten Hem toch. Na een langdurigen strijd tussen hun overtuiging en hun bederf, zal het bederf ten laatste de overwinning behalen. Het doet hun leed dat zij niet God kunnen dienen en den mammon, maar zo een van de twee opgegeven moet worden, dan zal het hun God wezen, en niet hun wereldlijk gewin.
II. Christus' gesprek met Zijne discipelen bij deze gelegenheid, waarin wij kunnen opmerken dat:
1. Rijkdom voor velen een grote hinderpaal is op den weg naar den hemel. Christus nam nota van den weerzin, het leedwezen, waarmee de rijke man zich van Hem losmaakte. Hij zag dat hij geheel droevig geworden was, en Hij was bedroefd over hem, maar hieruit leidt Hij af: Hoe bezwaarlijk zullen degenen, die goed hebben, in het koninkrijk Gods ingaan! Indien deze overste maar even weinig werelds goed had gehad als Petrus, en Jakobus en Johannes, hij zou het waarschijnlijk wel verlaten hebben om Christus te volgen, maar vele goederen hebbende, had dit een groten invloed op hem, en hij verkoos liever afscheid van Christus te nemen, dan zich de verplichting op te leggen om over zijne goederen tot liefdadige doeleinden te beschikken. Christus verklaart zeer nadrukkelijk dat het voor de rijken moeilijk is zalig te worden: Het is lichter dat een kameel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke in het koninkrijk Gods inga, vers 25. Dit is een spreekwoordelijke uitdrukking om aan te duiden hoe uiterst moeilijk de zaak is.
2. Er is in het hart van alle mensen zulk een algemene liefde voor deze wereld en de dingen, die er in zijn, dat daar Christus als noodzakelijk voor de zaligheid den eis stelt om los te zijn van deze wereld, het waarlijk zeer moeilijk is, dat iemand in den hemel komt. Indien wij of alles moeten verkopen, of met Christus breken, "wie kan dan zalig worden?" vers 22. Zij vinden niet, dat hetgeen Christus eist hard of onredelijk is. Neen, het is zeer voegzaam dat zij, die de eeuwige zaligheid verwachten in de andere wereld, bereid en gewillig zullen zijn om, in verwachting daarvan, alles op te geven wat hun in deze wereld lief en dierbaar is. Maar zij weten hoe innig het hart van vele mensen gehecht is aan deze wereld, en zij wanhopen er schier aan hen ooit hiertoe gebracht te zien.
3. Er zijn zulke moeilijkheden op den weg onzer zaligheid, dan zij niet anders dan door de almacht Gods te overwinnen zijn, door die genade Gods, welke almachtig is en waarvoor mogelijk is, hetgeen alle geschapen macht of wijsheid te boven gaat. De dingen, die onmogelijk zijn bij de mensen -en volstrekt onmogelijk is het, dat de mensen zulk ene verandering teweegbrengen in hun gemoed, dat zij zich van de wereld af en tot God wenden, het staat gelijk met het klieven der zee en het terugdrijven der Jordaan-"zijn mogelijk bij God." Zijne genade kan inwerken op de ziel, zodat hare neiging in een andere richting gaat, en Hij is het, die in ons werkt beide het willen en het werken.
4. Er is in ons een neiging om al te veel te spreken van hetgeen wij verlaten en verloren hebben, of van hetgeen wij gedaan en geleden hebben voor Christus. Dit wordt gezien in Petrus: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd, vers 28. Als de gelegenheid er zich toe leende, kon hij het niet laten om zijne genegenheid en die zijner broederen voor Christus groot te maken, daar zij alles verlaten hebben om Hem te volgen. Maar wel verre dat wij ons hierop beroemen mogen, moeten wij veeleer erkennen, dat het niet der moeite waard is om opgemerkt te worden, en beschaamd zijn dat wij er leedwezen bij gevoelden, en het ons nog moeite heeft gekost, en dat wij er later nog wel eens naar terugverlangd hebben.
5. Wat wij ook voor Christus verlaten of te koste gelegd hebben, het zal ons zeer zeker overvloedig vergoed worden in deze en in de toekomende wereld, in weerwil van onze zwakheid en tekortkomingen, vers 29, 30. Niemand heeft het gerieflijke verlaten van zijne goederen, of het troostrijke van zijne betrekkingen en vrienden, om het koninkrijk Gods, opdat zij hem geen belemmering zouden zijn in zijne diensten aan dat koninkrijk of in zijne genietingen er van, die niet zal veelvoudig weder ontvangen in dezen tijd in de genade en vertroostingen van Gods Geest, in het genot van gemeenschapsoefening met God en van een goed geweten, voorrechten en voordelen, die voor hen, die ze weten te waarderen en te gebruiken, een ruime vergoeding zullen wezen voor al hun verliezen. Maar dat is niet alles, in de toekomende wereld zullen zij het eeuwige leven ontvangen, en dat was de zaak, waarop de overste oog en hart gezet scheen te hebben.