Lukas 17:11-19
Wij hebben hier een bericht van de genezing van tien melaatsen, dat wij bij geen der andere evangelisten gehad hebben. De Joden dachten dat melaatsheid ene ziekte was, die als straf werd aangewend voor een bijzondere zonde, en die meer dan elke andere ziekte een teken was van Gods ongenoegen, daarom heeft Christus, die gekomen is om de zonde weg te nemen en den toorn af te wenden, er bijzonder zorg voor gedragen om de melaatsen te reinigen, die Hij op Zijn weg ontmoette. Christus was nu op weg naar Jeruzalem, ongeveer halverwege, waar Hij in vergelijking met Jeruzalem en Galilea, slechts weinig bekenden had. Hij bevond zich nu in een grensland, de grenzen tussen Samaria en Galilea. Hij ging dien weg, om deze melaatsen te vinden en te genezen, want Hij is gevonden van degenen, die Hem niet zochten. Merk op:
I. De bede dezer melaatsen tot Christus gericht. Zij waren tien in getal, want, hoewel zij van den omgang met anderen waren buitengesloten, hadden zij toch de vrijheid om met hen te verkeren, die door dezelfde ziekte waren aangetast, hetgeen hun enigszins tot troost strekte, daar het hun de gelegenheid gaf om samen te beraadslagen en elkaar medelijden te betonen. Zij ontmoetten Christus, als Hij in een zeker vlek kwam. Zij wachtten niet totdat Hij zich verkwikt had door van de vermoeienis Zijner reis een weinig uit te rusten, maar zij ontmoetten Hem toen Hij, moede als Hij was, in het vlek kwam, maar toch heeft Hij hen niet afgewezen, of hun genezing uitgesteld. Zij stonden van verre, wetende dat de wet hen verplichtte op een afstand te blijven. De bewustheid onzer geestelijke melaatsheid behoort ons zeer ootmoedig te maken in ons naderen tot Christus. Wie zijn wij, dat wij zouden naderen tot Hem, die oneindig rein is? Wij zijn onrein. Hun verzoek was eenstemmig en zeer dringend, vers 13. Zij verhieven hun stem, daar zij op een afstand waren, zeggende: Jezus, Meester, ontferm U onzer! Zij, die van Christus hulp verwachten, moeten Hem aannemen als hun Meester, en tot Zijn dienst bereid zijn. Indien Hij Meester is, dan zal Hij Jezus, een Zaligmakerzijn, en anders niet. Zij vragen niet in het bijzonder om van hun melaatsheid genezen te worden, maar: ontferm U onzer, en het is genoeg om ons op de ontferming van Christus te beroepen, want Zijne barmhartigheden hebben geen einde. Zij hadden den roem van Jezus gehoord (hoewel Hij niet veel verkeer had in die landstreek, en dit moedigde hen aan om zich tot Hem te wenden, en zo slechts een hunner de zo gemakkelijk uit te spreken bede tot Hem wilde richten, zullen al de anderen er mede instemmen.
II. Christus zond hen tot de priesters, om door hen onderzocht te worden, want zij waren het, die over de gevallen van melaatsheid hadden te oordelen. Hij heeft hun niet bepaald gezegd dat zij genezen zullen worden, maar Hij gebood hun zich den priesters te vertonen, vers 14. Dit was een op-de-proef-stelling van hun gehoorzaamheid, en het was betamelijk haar op de proef te stellen, zoals dit ook met Naäman geschiedde: Ga heen, en was u in de Jordaan. Zij, die gunsten verwachten van Christus, moeten ze aannemen zoals Hij ze hun geeft. Sommigen van deze melaatsen waren wellicht bereid te morren tegen dit voorschrift of bevel. "Laat Hem of ons genezen, of zeggen dat Hij het niet wil, maar ons niet met een vergeefse boodschap naar de priesters zenden", maar overstemd door de anderen, gingen zij toch allen naar den priester. Daar de ceremoniële wet nog van kracht was, droeg Christus er zorg voor dat zij werd nagekomen, en dat haar goede naam hooggehouden werd, alsmede dat aan de priesters de verschuldigde eer werd bewezen ten opzichte van de zaken, die tot hun ambt behoorden. Waarschijnlijk had Hij hier echter nog een andere bedoeling, namelijk om de uitspraak of het getuigenis van den priester te hebben voor het volkomene van de genezing, en tevens dat de priester, en anderen door hem, opgewekt zouden worden om te vragen naar enen, die zulk een macht had over lichaamskrankheden.
III. Het geschiedde, terwijl zij heengingen, dat zij gereinigd werden, en dus ook geschikt om door den priester onderzocht te worden en een getuigschrift van hem te ontvangen, dat zij rein waren. Wij kunnen verwachten, dat God ons in genade zal ontmoeten, als wij in den weg des plichts worden bevonden. Doen wij dat, dan zal God voor ons doen wat wij niet kunnen. Ga heen, woon de inzettingen bij van den Godsdienst, ga heen en bid, en lees de Schrift: Ga heen, en vertoon u den priesters: ga heen, en leg uwe zaak bloot voor een getrouw en gelovig leraar en, hoewel de middelen in en op zich zelven u niet zullen genezen, zal God u genezen in het vlijtig gebruik maken van de middelen.
IV. Een van hen, en slechts een, "keerde wederom, om God te verheerlijken, vers 15.
Ziende dat hij genezen was, is hij, in plaats van voorwaarts te gaan naar den priester om door hem rein verklaard te worden, en aldus uit zijne afzondering te worden ontslagen, hetgeen het enige was, dat de overigen op het oog hadden, teruggekeerd tot Hem, die de werker was van zijne genezing, dien hij de eer er van wilde geven, eer hij er het voordeel van ontving. Hij scheen zeer hartelijk en vol liefde te zijn geweest in het uiten zijner dankbaarheid: met grote stem God verheerlijkende, erkennende dat zijne genezing van Hem kwam, en hij hief zijne stem op in lof en dank, zoals hij het tevoren gedaan had in gebed, vers 13. Zij, die genade van God hebben ontvangen, moeten dit bekendmaken aan anderen, opdat ook zij God loven, en door hun ervaring aangemoedigd worden om op Hem te vertrouwen. Maar hij heeft ook aan Christus bijzonderen dank gebracht, vers 16. Hij viel op het aangezicht voor Zijne voeten, nam de ootmoedigste houding aan, Hem dankende. Wij behoren te danken voor de gunstbewijzen, die Christus ons schenkt, inzonderheid voor herstel uit ziekte, en wij behoren spoed te maken met onzen lof en dank, en dit niet uit te stellen, opdat door den tijd de bewustheid der zegening niet verflauwe. Het betaamt aan het zaad Jakobs, evenals aan hem, om zich de minste van Gods weldaden onwaardig te erkennen, als zij ze hebben ontvangen, zowel als wanneer zij er nog om vragen.
V. Christus merkte dien enen op, die zich aldus had onderscheiden, want hij schijnt een Samaritaan geweest te zijn, terwijl de overigen Joden waren, vers 16. De Samaritanen waren afgescheidenen van de Joodse kerk, en zij hadden de zuivere kennis en aanbidding van God niet, die de Joden hadden, en toch was het een hunner, die God verheerlijkte, terwijl de Joden het vergaten, of, toen het hun voorgesteld werd, het weigerden. Merk hier nu op:
1. De bijzondere notitie, die Christus van hem nam, van zijne dankbaarheid, en van de ondankbaarheid van hen, die gedeeld hadden in de genade, die hem was te beurt gevallen-dat hij, die vervreemd was van het burgerschap Israël's, de enige was, die was wedergekeerd om Gode ere te geven, vers 17, 18. Zie hier:
a. Hoe rijk Christus is in goeddoen: Zijn niet de tien gereinigd geworden? Hier was een genezing in het groot, een gans hospitaal genezen door een woord sprekens. Er is overvloed van genezende, reinigende kracht in het bloed van Christus, voldoende voor al Zijn patiënten, al zijn er ook nog zo velen. Hier zijn tien tegelijk genezen, wij zullen nooit minder genade hebben, omdat anderen er in delen. b. Hoe arm wij zijn in onze dankbaarheid: "Waar zijn de negen? Waarom zijn zij niet teruggekeerd om hun dankbaarheid uit te spreken?" Dit geeft te kennen dat ondankbaarheid een zeer algemene zonde is. Van de velen, die genade van God ontvangen, zijn er slechts weinigen, zeer weinigen, die wederkeren, om op de rechte wijze te danken (nauwelijks een in tien), die vergelden naar de weldaad, die hun werd bewezen.
c. Hoe diegenen soms het meest dankbaar blijken te zijn, van wie men dit het minst verwacht had. Een Samaritaan betuigt dank, een Jood doet het niet. Zo zijn er velen, die den geopenbaarden Godsdienst belijden, en overtroffen, voorbijgestreefd worden, ja gans beschaamd worden gemaakt door sommigen, die slechts door den natuurlijken Godsdienst worden geleid en geregeerd, niet slechts in zedelijke deugd, maar in vroomheid en Godsvrucht. Dit dient hier ter verzwaring van de ondankbaarheid dier Joden, van wie Christus spreekt, als het zeer kwalijk nemende dat Zijne goedheid en vriendelijkheid zo weinig door hen gewaardeerd werden. En het geeft te kennen hoe rechtvaardiglijk Hij toornt wegens de ondankbaarheid van de wereld van het mensdom, voor wie Hij zoveel heeft gedaan, en van wie Hij zo weinig heeft ontvangen.
2. De grote bemoediging, die Christus hem gaf, vers 19. De anderen hadden hun genezing, en die heeft Hij niet van hen weggenomen, gelijk Hij rechtvaardiglijk had kunnen doen wegens hun ondankbaarheid, terwijl zij toch zulk een goed voorbeeld van dankbaarheid voor hun ogen hadden, maar deze man zag zijne genezing bevestigd, en nog wel vergezeld van ene lofspraak: Uw geloof heeft u gezond gemaakt. De anderen waren gezond gemaakt door de macht van Christus, uit mededogen met hun lijden en in antwoord op hun gebed, maar hij was gezond gemaakt door zijn geloof, waardoor Christus hem onderscheiden zag van de anderen. Tijdelijke zegeningen worden verdubbeld en lieflijk voor ons gemaakt, als zij ontvangen worden op het gebed des geloofs, en er voor gedankt wordt door den lof des geloofs.