Lukas 12:22-40
Onze Heere Jezus beijvert zich hier Zijnen discipelen enige nodige en nuttige lessen in te prenten, die Hij hun tevoren reeds geleerd had, en waarop Hij later gelegenheid zal hebben nogmaals aan te dringen, want zij hebben gebod op gebod en regel op regel nodig. "Daarom", wijl er zo velen zijn, die door gierigheid ten ondergang worden gebracht en door een buitensporige liefde voor den rijkdom dezer wereld, zeg Ik u, Mijne discipelen, wacht u er voor. Gij, o mens Gods! vlied deze dingen, zowel als gij, o mens van de wereld, 1 Timotheus 6:11.
I. Hij gebiedt hun zich niet te kwellen met ontrustende, in verwarring brengende bezorgdheid voor het nodige levensonderhoud: Zijt niet bezorgd voor uw leven, vers 22. In de voorafgaande gelijkenis had Hij ons gewaarschuwd tegen de soort van gierigheid, waaraan de rijken het meest onderhevig zijn, en die bestaat in een vleselijk behagen-scheppen in den overvloed van het goed dezer wereld. Nu zouden de discipelen kunnen denken dat zij hiervan niet in gevaar waren, want zij hadden geen overvloed of verscheidenheid van goederen om in te roemen, en daarom waarschuwt Hij hen tegen een andere soort van gierigheid, waarmee zij het meest verzocht worden, die slechts weinig in de wereld bezitten, hetgeen het geval was m et de discipelen, zelfs in hun besten tijd van voorspoed, maar nog veel meer thans, nu zij alles hadden verlaten om Christus te volgen. Deze openbaart zich in een angstig bezorgd zijn omtrent het nodige levensonderhoud: Zijt niet bezorgd voor uw leven, hetzij voor de bewaring er van, als het in gevaar is, of voor de voorziening, die er voor gemaakt moet worden, voor voedsel of kleding, wat gij eten zult, of waarmee gij u kleden zult. Dit is de waarschuwing, waarop Hij zeer had aangedrongen, Mattheus 6:25 en verder., en de argumenten, hier gebruikt, zijn tamelijk gelijk, zij zijn bedoeld om ons aan te moedigen om al onze zorgen op God te werpen, hetgeen het rechte middel is om ons rust te verschaffen. Aanmerkt dan:
1. Dat wij op God, die het meerdere voor ons gedaan heeft, kunnen rekenen ook voor het mindere. Hij heeft, zonder enige zorg of overleg onzerzijds. ons het leven en een lichaam gegeven, en daarom kunnen wij het Hem ook gerust overlaten om ons van spijs te voorzien voor het onderhoud van dat leven, en van kleding ter bescherming van dat lichaam.
2. Dat wij op God, die voor de mindere schepselen zorgt, gerust kunnen steunen om voor goede Christenen te voorzien. Betrouwt op God voor spijze, want Hij voedt de raven, vers 24, zij zaaien, noch maaien, zij geven zich geen zorg en doen geen moeite om vooruit in het nodige voor zich te voorzien, en toch worden zij gevoed, komen zij niet om van gebrek. Bedenkt dan nu hoeveel gij de vogelen, de raven, te boven gaat. Betrouwt op God voor kleding, want Hij bekleedt de lelies, vers 27, 28. Zij bereiden niets voor hun kleding, zij arbeiden niet, zij spinnen niet. De wortel in den grond is een naakt ding en zonder versiersel, en toch, als de bloem opwast, is zij wonderschoon. Indien nu God de bloemen, die verwelkende dingen zijn, aldus bekleed heeft, zal Hij dan niet veel meer u bekleden met zodanige kleding als geschikt voor u is, even gepast is voor uwe natuur als de hare voor haar. Toen God Israël spijzigde met manna in de woestijn, heeft Hij ook zorg gedragen voor hun kleding, want, hoewel Hij hen niet voorzag van nieuwe klederen, heeft Hij toch er in voorzien, dat die zij hadden niet aan hen verouderd zijn, Deuteronomium 8:4, hetgeen dus op hetzelfde neerkomt. Aldus zal Hij Zijn geestelijk Israël bekleden, maar dan moeten zij ook niet ongelovig zijn. Ons overmatig zorgen komt voort uit de zwakheid van ons geloof, want een krachtig, praktisch geloof in de algenoegzaamheid Gods, in Zijne verbondsbetrekking tot ons als Vader, en inzonderheid in Zijn dierbare beloften, die betrekking hebben zowel op dit leven als op het toekomende, zou door God machtig zijn om de sterkten van deze ontrustende en ontroerende voorstellingen onzer verbeelding neer te werpen.
3. Onze bezorgdheid is vruchteloos, ijdel en onbeduidend, en daarom is het dwaasheid om er aan toe te geven. Zij zal ons onze wensen niet doen verkrijgen, en daarom behoort zij ook onze rust niet te verstoren, vers 25. Wie toch van u kan, met bezorgd te zijn, ene el tot zijne lengte toedoen, of ook maar een duim, kan een jaar toedoen tot zijn leven, of ook maar een uur ? Indien gij nu niet instaat zijt te doen wat het minste is, indien het niet in uwe macht is uw statuur te veranderen, waarom zoudt gij voor de andere dingen bezorgd zijn, die evenzeer buiten uwe macht zijn, en waaromtrent het even nodig is om ons op de voorzienigheid Gods te verlaten? Gelijk het is met onze statuur, zo is het ook met onzen staat, het is onze wijsheid, om hem te nemen zoals hij is, en er zoveel mogelijk ons voordeel mede te doen, want door te tobben en ons te kwellen zullen wij hem niet beter maken.
4. Een overmatig najagen en zoeken van de dingen dezer wereld, zelfs van de nodige dingen, is zeer weinig voegzaam of betamelijk voor de discipelen van Christus, vers 29, 30. Wàt anderen ook mogen doen, "vraagt gijlieden niet, wat gij eten of wat gij drinken zult", kwelt uzelven niet met knagende zorg, en vermoeit u niet met onophoudelijk zwoegen, loopt niet haastig her- en derwaarts met de vraag wat gij eten zult en drinken, zoals David's vijanden, die omzweven om spijs, Psalm 59:16, of gelijk de arend, die van verre de spijze speurt, Job 39:31. Laat de discipelen van Christus niet aldus hun voedsel zoeken, weest niet wankelmoedig, mê meteoorizesthe -weest niet als meteoren in de lucht, die met iedere wind heren derwaarts gedreven worden, gij moet niet, evenals zij, u verheffen en vallen, maar blijft uzelven gelijk, weest kalm en gelijkmoedig, laat uw hart vast en bereid zijn, leeft niet in zorgvolle spanning, laat uw hart niet voortdurend geslingerd worden tussen hoop en vrees. Laat de kinderen Gods niet ongerust zijn, want
a. Dit zou hen gelijk doen zijn aan de kinderen der wereld: Al deze dingen zoeken de volken der wereld, vers 30. Zij, die slechts zorg dragen voor het lichaam en niet voor de ziel, slechts voor deze wereld en niet voor de andere, zien niet verder dan naar wat zij zullen eten en drinken, en, geen algenoegzamen God hebbende om op te vertrouwen, bezwaren zij zich met angstige zorgen omtrent deze dingen. Maar u betaamt dit niet. Gij, die geroepen zijt uit de wereld, behoort niet aldus der wereld gelijkvormig te worden, en niet te wandelen op den weg dezes volks, Jesaja 8:11, 12. Als overmatige zorgen de overhand in ons krijgen, dan moeten wij denken: "Wat ben ik, een Christen of een heiden? Gedoopt, of niet gedoopt? Indien ik een Christen, een gedoopte ben, zal ik mij dan rangschikken onder de heidenen, en mij bij hen voegen in hun streven?"
b. Het is onnodig voor hen om zich te ontrusten door zorg voor het nodige levensonderhoud, want zij hebben een Vader in den hemel, die voor hen wil en zal zorgen.
Uw Vader weet dat gij deze dingen behoeft, Hij denkt hieraan, en zal voorzien in uwe nooddruft naar Zijn rijkdom in heerlijkheid, want Hij is uw Vader, die u onderworpen heeft aan deze nooddruft, en daarom zal Hij er Zijn mededogen naar richten, uw Vader, die u onderhoudt en een erfdeel voor u weglegt, en daarom zal Hij er voor zorgen dat gij geen gebrek hebt aan enig goed.
c. Zij hebben betere dingen te doen, vers 31. Maar zoekt het koninkrijk Gods, en geeft hier acht op, gij, Mijne discipelen, die het koninkrijk Gods zult hebben te prediken. Laat uw hart in uw werk zijn, en laat het uw grote zorg zijn om dat goed te doen, dan zal dit uwe gedachten voor goed afleiden van de buitensporige zorg over de dingen dezer wereld. En laat allen, die een ziel hebben, welke behouden moet worden, het koninkrijk Gods zoeken, waarin zij alleen veilig en behouden kunnen zijn. Zoekt er toegang in, zoekt er bevordering in, zoekt het koninkrijk der genade, zoekt daar onderdanen van te zijn, het koninkrijk der heerlijkheid, om daar vorsten in te zijn, en dan zullen al deze dingen u toegeworpen worden. Behartigt de zaken uwer ziel met naarstigheid en zorg, en vertrouwt dan op God voor al uw andere zaken.
d. Zij hebben betere dingen te verwachten, want Vrees niet, gij klein kuddeken! Om overmatige zorgen uit ons hart te verbannen, is het nodig dat vrees en angst onderdrukt worden. Als wij ons angstig maken met vrees voor komend kwaad, dan brengen wij ons tot het uiterste van zorg om het te vermijden, terwijl het met dat al toch wellicht slechts een schepsel onzer verbeelding zal blijken te zijn. Daarom, vrees niet, gij klein kuddeken, maar hoop ten einde toe, want het is uws Vaders welbehagen, ulieden het koninkrijk te geven. Dat troostrijk woord hebben wij niet in Mattheus gehad. Christus' kudde in deze wereld is klein, Zijne schapen zijn weinig talrijk, en zwak. De kerk is een wijngaard, een hof, een kleine plek, vergeleken met de woestijn dezer wereld, gelijk Israël, 1 Koningen 20:27, die als twee blote geitenkudden waren, toen de Syriërs het land vervulden. Hoewel het een klein kuddeken is, door anderen ver overtroffen in aantal, en daarom ook in gevaar van overstelpt en overmeesterd te worden door zijne vijanden, is het toch de wil van Christus dat zij niet zullen vrezen. Vrees niet, gij klein kuddeken, maar beschouw uzelf als veilig onder de bescherming en het geleide van den groten en goeden Herder, en wees gerust." God heeft een koninkrijk weggelegd voor allen, die tot Christus' klein kuddeken behoren, een kroon der heerlijkheid, 1 Petrus 5:4, een troon, Openbaring 3:21, onnaspeurlijke rijkdommen, de bijzondere schatten van koningen en landen. De schapen ter rechterhand worden geroepen om te komen en het koninkrijk te beërven, het is hunner tot in eeuwigheid, een koninkrijk voor ieder. Het koninkrijk wordt gegeven overeenkomstig het welbehagen des Vaders, het wordt gegeven, niet als afdoening ener schuld, maar uit genade, ja Vader, want alzo is geweest het welbehagen voor U. Het koninkrijk behoort Hem, en mag Hij met het Zijne niet doen wat Hij wil? De gelovige hoop en vooruitzichten van het koninkrijk moeten de vrees van Christus' klein kuddeken in deze wereld tot zwijgen brengen. "Vrees geen droefheid, want al zou die ook komen, zij zou toch gene scheiding maken tussen u en het koninkrijk, dat is zeker, dat is nabij." Het is geen kwaad, waarvoor men behoeft te sidderen, als de gedachte er aan ons niet kan scheiden van de liefde Gods. "Vrees geen gebrek aan iets, dat goed voor u is, want indien het uws Vaders welbehagen is, u het koninkrijk te geven, dan behoeft gij er niet aan te twijfelen, dat Hij de kosten op weg er heen voor u dragen zal."
II. Hij beveelt hun om hun roeping en verkiezing vast te maken door hun schat in den hemel op te leggen, vers 33, 34. Zij, die dit gedaan hebben, kunnen voor alle gebeurtenissen van den tijd volkomen gerust zijn.
1. Weest los van de wereld en van al uwe bezittingen er in: Verkoopt hetgeen gij hebt, en geeft aalmoes, dat is: "veeleer dan niet te hebben wat nodig is om de wezenlijk-nooddruftigen bij te staan, verkoopt wat gij overtolligs hebt, al wat gij missen kunt van hetgeen dient tot uw onderhoud en dat van uw gezin, en geeft het den armen." Verkoopt wat gij hebt, indien gij bevindt dat het u hinderlijk of bezwarend is in den dienst van Christus. Denkt niet dat gij in het verderf gestort zijt, indien gij, om het getuigenis van Jezus, beboet, in de gevangenis geworpen of verbannen wordt, en daardoor genoodzaakt zijt uwe bezittingen te verkopen, al zijn zij ook het erfdeel uwer vaderen. Verkoopt niet om geld bijeen te schrapen of op te hopen, of omdat gij er door woeker meer mede kunt winnen, maar verkoopt en geeft aalmoes. Wat op de rechte wijze in aalmoezen gegeven wordt, wordt op de beste interest gezet, en onder de beste waarborgen van soliditeit.
2. Zet uw hart op de andere wereld, en hebt van die wereld uwe verwachtingen. Maakt uzelven buidels, die niet verouden, die niet ledig raken, niet van goud, maar van genade in het hart en goede werken in het leven, dat zijn buidels, die niet verouden. Genade zal met ons mede gaan in de andere wereld, want zij is ingeweven in de ziel, en onze goede werken zullen ons volgen, want God is niet onrechtvaardig, dat Hij ze zou vergeten. Dat zullen de schatten zijn in den hemel, die ons voor de eeuwigheid zullen verrijken.
a. Het is een schat, die nooit uitgeput zal zijn, wij kunnen er voor de eeuwigheid op teren, er is geen gevaar van er ooit den bodem van te zullen zien.
b. Het is een schat, waarvan wij geen gevaar lopen beroofd te zullen worden, want geen dief kan er bij komen, wat opgelegd is in den hemel, is buiten het bereik der vijanden.
c. Het is een schat, die niet zal bederven, de mot verderft hem niet, zoals zij de klederen verderft, die wij nu dragen. Nu zal het hieruit blijken of wij onzen schat hebben in den hemel, als ons hart daar is, terwijl wij nog hier zijn, vers 34, indien wij veel aan den hemel denken en er ons oog op gevestigd houden, indien wij ons verlevendigen door de hoop op dien schat, en ons in bedwang houden door de vrees van hem te verliezen. Maar indien uw hart gezet is op de aarde en de dingen der aarde, dan is het te vrezen dat gij daar uw schat e n deel in hebt, en dus in het verderf zult gestort zijn als gij haar verlaat.
III. Hij gebiedt hun bereid te zijn en zich bereid te houden voor de komst van Christus, wanneer allen, die hun schat opgelegd hebben in den hemel, in het genot er van zullen komen, vers 35 en verder.
1. Christus is onze Meester, en wij zijn Zijne dienstknechten, niet slechts werkende dienstknechten, maar opwachtende dienstknechten, dienstknechten, die Hem ere doen, Hem vergezellen en op Zijne wenken letten. Zo iemand Mij dient, die volge Mij. Zij volgen het Lam, waar het ook heengaat. Maar dat is niet alles. Zij moeten Hem ook eren door op Hem te wachten, Zijne wederkomst te verwachten. Wij moeten wezen als mensen, die op hun heer wachten, die laat opzitten, omdat hij laat uitblijft, ten einde gereed te zijn om Hem te ontvangen.
2. Christus, onze Meester, zal, ofschoon Hij thans van ons is weggegaan, wederkomen, terugkeren van de bruiloft, van het vieren der bruiloft daar buiten, om haar tehuis te voltooien. Christus' dienstknechten bevinden zich nu in een staat van verwachting, uitziende naar de heerlijke verschijning huns Meesters, alles doende met het oog hierop. Hij zal komen om kennis te nemen van Zijne dienstknechten, en daar dit dan de dag der toetsing is, zullen zij, al naar zij bevonden worden, of bij Hem blijven, of ter deur uit verwezen worden.
3. De tijd der wederkomst onzes Meesters is onzeker. Het zal in den nacht wezen, ver in den nacht, als Hij Zijne komst lang zal hebben uitgesteld, en velen zullen hebben opgehouden van naar Hem uit te zien, in de tweede nachtwake, even voor middernacht, of in de derde nachtwake, terstond na middernacht, vers 38. Zijn komen tot ons bij onzen dood is onzeker, en voor velen zal het zeer onverwacht zijn, want in welke ure gij het niet meent, zal de Zoon des mensen komen, zonder voorafgaande waarschuwing. Dit duidt niet slechts de onzekerheid aan van den tijd Zijner komst, maar de heersende gerustheid bij het grootste deel van het mensdom, die onnadenkend zijn, en volstrekt geen achtslaan op de waarschuwingen, die hun gegeven zijn, zodat, wanneer Hij ook komt, het in een ure zal zijn, in welke zij het niet menen.
4. Wat Hij eist en verwacht van Zijne dienstknechten is, dat zij bereid zullen zijn om Hem, wanneer Hij ook komt, terstond open te doen, vers 36, dat is: dat zij in een gemoedsstemming zullen zijn om Hem te ontvangen, of liever, om door Hem ontvangen te worden, dat zij bevonden worden als Zijne dienstknechten, in de houding die hun betaamt, hun lenden om- gord, ene toespeling op de dienstknechten, die gereed en bereid zijn om te gaan, waar hun meester hen heenzendt, hun lange klederen opgeschort (díe hen anders bij het gaan zouden hinderen) en hun kaarsen brandende, waarmee zij hun meester moeten bijlichten om in het huis en op zijne kamer komen.
5. Die dienstknechten zullen gelukkig, zalig zijn, die bereid bevonden worden en in een goede gemoedsstemming, als hun Heere komen zal, vers 37. Zalig zijn die dienstknechten, die, na lang gewacht te hebben, in den toestand blijven van wachten tot aan de ure, wanneer hun Heere komt, en dan wakker bevonden worden en zich bewust van Zijne nadering, van Zijn eerste kloppen. En wederom: vers 38, Zalig zijn die dienstknechten, want dan zal het de tijd wezen van hun bevordering. Hier wordt hun een eer aangedaan, als waarvan men nauwelijks een voorbeeld zal vinden onder de mensen: Hij zal hen doen aanzitten, en bijkomende, zal Hij hen dienen. Want dat de bruidegom aan tafel bedient, is niets ongewoons, maar zijne dienstknechten te dienen, dat is niet naar de wijze der mensen. Maar Jezus Christus was onder Zijne discipelen als een die dient, en om Zijne neerbuigendheid te tonen, heeft Hij eens zich zelven omgord en hen gediend, toen Hij hun de voeten heeft gewassen, Johannes 13:4, 5. Het betekende de blijdschap, waarmee zij ontvangen zullen worden door den Heere Jezus in de andere wereld, waar Hij hun is voorgegaan om hun plaats te bereiden, en Hij heeft hun gezegd dat Zijn Vader hen zal eren, Johannes 12:26.
6. Wij zijn daarom in onzekerheid gelaten betreffende den juisten tijd Zijner komst, opdat wij steeds bereid zullen zijn, want er is geen grote verdienste in gelegen, dat iemand zich bereidt op een aanval wanneer hij van tevoren het juiste ogenblik weet, wanneer die aanval zal plaatshebben. Indien de heer des huizes geweten had, in welke ure de dief komen zou, hij zou gewaakt hebben, al was hij anders ook nog zulk een zorgeloos mens. Hij zou gewaakt en de dieven weggeschrikt hebben, vers 39. Maar wij weten niet in welke ure ons het alarmsein gegeven zal worden, en daarom moeten wij steeds wakende en op onze hoede zijn. Of wel, dit kan den rampzaligen toestand aanduiden van hen, die te dezen opzichte zorgeloos en ongelovig zijn. Indien den heer des huizes bericht ware gegeven van zijn gevaar dat hij in dien nacht beroofd zou worden, hij zou zijn opgebleven om zijn huis te beveiligen, maar ons is kennis gegeven van den dag van des Heeren komst, dat zij zal wezen als van een dief in den nacht, ter beschaming en ten verderve van alle geruste zondaren, en toch waken wij niet. Indien de mensen zulk een zorg dragen voor hun huizen, o laat ons dan toch wijs zijn in zorg voor onze zielen: Gij dan, zijt ook bereid, even bereid als die heer des huizes zou zijn, indien hij wist in welke ure de dief komen zou.