Leviticus 7:1-10
1. Hier is op te merken, dat het schuldoffer, dat van ongeveer gelijke aard is als het zondoffer, ook onder dezelfde regeling gebracht werd, vers 6. Als het bloed en het vet aan God geofferd waren, om verzoening te doen, dan moesten de priesters het vlees, evenals dat van het zondoffer, eten in de heilige plaats. De Joden hebben een overlevering (die ons door de geleerde bisschop Patrick wordt meegedeeld) betreffende het sprengen van het bloed van het schuldoffer rondom op het altaar namelijk: "Dat er een scharlaken lijn juist in het midden rondom het altaar liep, en dat het bloed van de brandoffers rondom gesprengd werd boven deze lijn, maar dat van de schuldoffers en van de dankoffers beneden die lijn." Wat aangaat het vlees van het schuldoffer, het recht hierop behoorde aan de priester, die het offerde, vers 7. Hij, die het werk deed, moest het loon ontvangen, dit was een aanmoediging voor de priesters om de dienst van het altaar naarstig waar te nemen. Hoe bereidvaardiger zij waren en hoe drukker zij het hadden, hoe meer zij verkregen. Hoe naarstiger wij zijn in de dienst van God, hoe meer voordeel wij er van zullen oogsten. Maar ieder uit de priesters en de mannelijke leden van hun gezin mochten door hem, aan wie het behoorde, uitgenodigd worden, om het met hem te komen delen, vers 6. Al wat mannelijk is onder de priesters zal daarvan eten, dat is: mag hiervan eten, in de heilige plaats. En ongetwijfeld was het het gebruik onder hen, om elkaar te onthalen op deze emolumenten van hun ambt, waardoor vriendschap en gemeenschap onder de priesters werden onderhouden. Om niet hadden zij ontvangen, en om niet moesten zij geven. Het schijnt dat hij, die het offer bracht, zelf geen deel kreeg van zijn schuldoffer, zoals hij het wèl kreeg van zijn dankoffer, maar dat het geheel verdeeld werd tussen het altaar en de priester. Zij offerden dankoffers uit erkentelijkheid voor ontvangen zegeningen, en dan was het passend om maaltijd te houden, maar zij offerden schuldoffers in droefheid om zonde, en dan was vasten meer gepast ten teken van een heilig treuren en een vast besluit om af te laten van de zonde.
2. Betreffende het brandoffer wordt hier bepaald dat de priester, die het offerde, de huid zal hebben, vers 8, die hij ongetwijfeld voor geld mocht verkopen. "Dit" (zeggen de Joden) "was alleen bedoeld voor de brandoffers, die door particulieren geofferd werden, want de opbrengst van de huiden van de dagelijkse brandoffers voor de gehele vergadering was bestemd om de onkosten voor de reparatie van het heiligdom te bestrijden." Sommigen opperen het denkbeeld dat deze bepaling ons helpt om Gods kleden van onze eerste ouders in rokken van vellen te begrijpen, Genesis 3:21. Waarschijnlijk zijn de dieren, waarvan de huiden waren als gehele brandoffers geofferd, en is Adam de priester geweest, die ze geofferd heeft, en toen gaf God hem de huiden voor zijn loon, om er voor zich en zijn huisvrouw kleren van te maken. Ter herinnering hieraan waren de huiden altijd daarna het deel van de priesters. Zie Genesis 27:16. 3. Wat het spijsoffer aangaat: indien het bereid was, dan kon het onmiddellijk gegeten worden, en daarom was het voor de priester, die het offerde, vers 9. Indien het droog was dan was het minder nodig om haast te maken met het gebruik er van, en daarom kon het dan onder al de dienstdoende priesters verdeeld worden, vers 10.