Leviticus 27:1-13
Dit is een deel van de wet betreffende geloften van afzondering, buitengewone, waarop God wel niet uitdrukkelijk heeft aangedrongen, maar waarin Hij-indien zij bestaanbaar en overeenkomstig de algemene geboden waren-toch een welbehagen had. Wij behoren niet slechts te vragen wat wij doen moeten, maar ook wat wij doen mogen tot eer en heerlijkheid van God. Gelijk de milddadige milddadigheden beraadslaagt, Jesaja 32:8, Zo beraadslaagt de Godvruchtige Godvruchtige dingen, en het verruimde hart zou gaarne iets buitengewoons doen in de dienst van zo'n goede Meester als God is. Als wij een buitengemenen zegen ontvangen of verwachten, dan is het goed om God te eren met een buitengemene gelofte.
I. Het geval wordt hier gesteld voor personen, die door een buitengewone gelofte aan God gewijd zijn, vers 2. Als een man zichzelf of een kind, aan de dienst van de tabernakel wijdde, om er het een of ander geringere werk te verrichten, zoals: de vloer te vegen, de as weg te brengen, boodschappen te doen, of dergelijke zaken meer, dan zal de persoon die aldus gewijd is, des Heeren zijn, dat is "God zal genadiglijk de goeden wil aannemen" dat is: "Gij hebt" "wel gedaan, dat het in uw hart geweest is," 2 Kronieken 6:8, daar Hij echter hun dienst voor de tabernakel niet nodig had omdat een gehele stam er voor was aangewezen, moesten zij, die aldus door een gelofte de Heere gewijd waren, gelost worden, en hun losgeld werd gebruikt voor het onderhoud van het heiligdom, of voor een andere dienst er van, zoals blijkt uit 2 Koningen 12:4, waar het "des" "mans geld van de zielen van zijn schatting" genoemd wordt.
Dientengevolge worden hier de prijzen vastgesteld, waarnaar de priesters hun schattingen moesten doen. Hier is:
1. De prijs voor iemand van middelbare leeftijd, tussen twintig en zestig jaren, voor deze was de schatting het hoogst, omdat zij de meeste dienst konden bewijzen, voor een man moest vijftig sikkels en voor een vrouw dertig sikkels betaald worden, vers 3, 4. De vrouwen werden toen minder geschat, maar in Christus niet, want "in Christus Jezus is geen man en vrouw," Galaten 3:28. Zij, die in de bloei van hun jaren zijn, moeten zich verplicht achten meer te doen in de dienst van God en hun geslacht, dan verwacht kan worden van minderjarigen, die nog niet tot hun bruikbaarheid zijn gekomen, of van grijsaards, die haar overleefd hebben.
2. De prijs voor de jeugdigen, tussen vijf jaren en twintig jaren, was lager, omdat zij dan tot mindere dienst instaat waren, vers 5.
3. Kinderen beneden vijf jaren konden wel door hun ouders aan God gewijd worden zelfs vóór hun geboorte, zoals Samuël, maar niet voorgesteld en gelost vóór zij een maand oud waren, opdat, gelijk er een sabbat over heenging, eer zij besneden werden, er evenzo een maan over hen heen zou gaan, eer zij geschat werden, en hun schatting was slechts gering, vers 6. Samuël, die aldus aan God gewijd was, werd niet gelost, omdat hij een Leviet was, en een bijzonder gunstgenoot, en daarom werd hij in zijn kindsheid gebruikt in de dienst van de tabernakel.
4. De ouden van dagen waren lager geschat dan de jongen, maar hoger dan kinderen, vers 7. En de Hebreeën merken op, dat de prijs van een oude vrouw op die leeftijd het naastbij komt aan de prijs van een man waaruit het gezegde (aangehaald door bisschop Patrick) onder hen ontstaan is: Een oude vrouw in een huis is een schat in een huis. Paulus stelt de bejaarde vrouw op hogen prijs, als hij ze tot "leraressen" maakt "van het goede," Titus 2:3. 5. De armen zullen geschat worden naar hun vermogen, vers 8. Iets moeten zij betalen, opdat zij leren niet onbedacht te zijn in hun geloften aan God, want Hij "heeft geen lust aan zotten," Prediker 5:3. Maar niet boven hun vermogen maar secundum tenementum-naar hetgeen zij bezitten, opdat zij door hun ijver zichzelf en hun gezin niet aan gebrek blootstellen. God verwacht en eist van de mensen naar hetgeen zij hebben, niet naar hetgeen zij niet hebben, 2 Corinthiërs 8:12.
II. Het geval wordt gesteld voor dieren, die door een gelofte aan God gewild zijn.
1. Indien het een rein dier was, zoals die welke als offerande aan de Heere geofferd werden, dan moet het niet gelost worden, noch voor iets evenwaardige worden geruild, het zal heilig zijn, vers 9, 10. Nadat het de Heere gewijd was, mocht het tot geen gewoon gebruik worden aangewend, noch-bij nader bedenken- worden geruild, het moet of op het altaar worden geofferd, of, zo het door het een of ander gebrek niet geschikt was om geofferd te worden dan moet hij, die het de Heere gewijd heeft, daar zijn voordeel niet mee doen, maar het moet de priesters voor hun eigen gebruik gegeven worden, (want zij waren Gods ontvangers) of het moest verkocht worden ten voordele van het heiligdom. Dit leert voorzichtigheid in het doen van geloften, en trouw in het houden ervan, als zij gedaan zijn, want "het is een strik des mensen, dat hij het heilige verslindt, en na" "gedane geloften onderzoek te doen," Spreuken 20:25. En hierop schijnt een toespeling te zijn in die regel van de barmhartigheid. "Een ieder doe gelijk hij in zijn hart voorneemt," 2 Corinthiërs 9:7.
2. Indien het een onrein beest was, dan moet het ten gebruike van de priester worden gegeven en naar de schatting van de priester werd de prijs er van bepaald, maar zo hij, die de gelofte gedaan had het wenste te lossen dan moest hij de prijs in geld betalen, en er nog een vijfde deel aan toevoegen, vers 11-13. Het was behoorlijk dat de mensen boetten voor hun onstandvastigheid. God heeft ons Zijn wil doen kennen betreffende Zijn dienst, en het behaagt Hem niet, dat wij niet weten wat wij zelf willen. God verwacht dat zij die met Hem handelen, zullen weten wat zij zeggen, en wat zij zeggen zullen doen.