Leviticus 27:14-25
Hier is de wet op onroerende goederen, die door een buitengewone gelofte de Heere geheiligd zijn.
I. Gesteld dat iemand in zijn ijver voor de eer van Gods, Hem zijn huis geheiligd heeft, vers 14, dan moet dat huis door de priester geschat worden, en het geld, dat het bij verkoop heeft opgebracht, aangewend worden ten nutte van het heiligdom, dat langzamerhand grotelijks verrijkt werd door "geheiligde dingen," 1 Koningen 15:15. Maar als de eigenaar het wilde lossen dan moest hij het niet zo goedkoop verkrijgen als een ander, maar aan de prijs een vijfde deel toevoegen, want hij had moeten nadenken eer hij zijn gelofte deed, vers 15. Voor de arme zal God de schatting verminderen, vers 8, maar voor de wispelturige, voor hem, die bij nader bedenken meer naar de wereld en zijn wereldlijke belangen neigt, dan in het eerst, zal God de prijs verhogen. Geloofd zij God, er is een weg om onze huizen de Heere heilig te doen zijn zonder ze te verkopen of te kopen. Als wij en ons huis de Heere dienen, als de Godsdienst heerst in ons huis, als wij er ondeugd verre van wegdoen, en een kerk in ons huis hebben, dan is er heiligheid des Heeren op geschreven, het is van Hem, en Hij zal er met ons in wonen.
II. Gesteld dat iemand een deel van zijn akker de Heere heiligt, het gevende voor werken van Godsvrucht, dan moet er geschil gemaakt worden tussen land, dat de gever door erfrecht toeviel, en land, dat door hem gekocht werd, en daarnaar kwam er dan verandering in de zaak.
1. Als het tot het erfdeel van ziin vaderen behoorde, hier genoemd: de akker van zijn bezitting, dat van de eerste verdeling van Kanaän aan zijn geslacht heeft behoord, dan mocht hij niet alles geven, neen, zelfs niet aan het heiligdom, God wilde zo'n mate van ijver niet toelaten, als waardoor iemands gezin tot armoede verviel. Maar wèl mocht hij er een deel van heiligen, of de Heere toewijden, vers 16. in zo'n geval:
a. Moest het land geschat worden naar de wijze, volgens welke ook onze landlieden de waarde van land berekenen namelijk naar de hoeveelheid van de hoeveelheid zaad, die er in gezaaid konden worden. Een stuk land, waarop een homer gerstezaad gezaaid kan worden, een homer bevattende tien efa's, Ezechiël 45:11, (en niet zoals sommigen bij vergissing stellen, een gomer, die slechts het tiende deel van een efa is, Exodus 16:36) werd geschat op vijftig zilveren sikkels, een matige prijs, vers 16, en wel, als het gewijd of geheiligd werd terstond na het jubeljaar, vers 17. Maar indien het enige jaren later was, dan werd de prijs dienovereenkomstig verminderd, vers 18. En :
b. Als de waarde vastgesteld was, dan mocht de schenker, indien het hem behaagde, het lossen voor zestig sikkels, dat is voor de homer van het gezaaide met bijvoeging van een vijfde deel. Het geld kwam dan ten bate van het heiligdom, en het land keerde terug in het bezit van hem, die het geheiligd had, vers 19 Maar indien hij het niet wilde lossen, en de priester het aan iemand anders verkocht, dan kwam het land in het jubeljaar-want voor langere tijd mocht het niet verkocht worden-weer in het bezit van de priesters, wier eigendom het nu voortaan blijven zou, vers 20, 21. Wat aan de Heere gegeven wordt, behoort niet gegeven te worden met macht van herroeping, wat de Heere gewijd is moet door een eeuwig verbond altijd het Zijne blijven.
2. Indien het land door hemzelf gekocht was, en hem niet door erfenis van zijn voorouders ten deel was gevallen, dan moest niet het land zelf, maar de waarde er van in geld aan de priesters gegeven worden tot Godvruchtige doeleinden, vers 22-24. Er werd verondersteld dat zij, die door de zegen van God zo rijk waren geworden, dat zij land konden kopen, zich verplicht zouden achten, om uit dankbaarheid een deel van het gekochte tenminste (en hierin waren zij niet beperkt, maar mochten, als zij wilden, het alles heiligen) aan de dienst van God te wijden. Want wij behoren te geven, "naar dat wij" "welvaren verkregen hebben," 1 Corinthiërs 16:2. Kopers zijn op zeer bijzondere wijze gehouden en verplicht om liefdadig te zijn. Daar nu gekocht land volgens een vorige wet met het jubeljaar weer in het bezit moest komen van de familie, van welke zij het gekocht hadden, wilde God die wet en de bedoelingen er van niet teniet laten doen, door het korban, een gave te maken, Markus 7:11. Maar de waarde van het land moest berekend worden naar het getal van de jaren, die er waren van de gelofte tot aan het jubeljaar, want slechts zolang was het zijn eigendom, want God haat de roof in het brandoffer, en nooit kunnen wij Gode welbehaaglijk dienen met hetgeen waarmee wij onze naaste benadeeld hebben. En dit geld moest hij betalen, en het land in bezit houden tot aan het jubeljaar, wanneer het vrij van alle lasten, zelfs van die van de wijding, of heiliging, teruggegeven moest worden aan hem, van wie het gekocht was. De waarde van de sikkel, waarnaar al deze schattingen gemaakt moesten worden, wordt hier vastgesteld, vers 25, "de" "sikkel zal zijn van twintig gera," en iedere gera was zestien gerstekorrels. Dit was tevoren bepaald. Exodus 30:13, en naardien er enige veranderingen gekomen zijn, is het opnieuw vastgesteld in de wetten van de tempel in Ezechiëls visioen, Ezechiël 45:12, om aan te dulden dat het Evangelie de dingen tot hun oude standaard terug zal brengen.