Richteren 6:25-32
I. Hier worden aan Gideon orders gegeven om zijn regering te beginnen met de reformatie van het huis van zijn vader, vers 25, 26. Een gemeenschap gevestigd zijnde tussen God en Gideon door de Engel, die hem verschenen was, werd die nu op een andere wijze onderhouden. In dezelfde nacht nadat hij God gezien had, toen zijn hart vol was van gedachten betreffende hetgeen voorgevallen was, hetgeen hij waarschijnlijk nog aan niemand had meegedeeld, zei de Heere tot hem in een droom: Handel zo en zo. Als Gods bezoeken met dankbaarheid worden ontvangen, zullen zij genadiglijk worden herhaald. Heet God welkom, en Hij zal weerkomen. Gideon krijgt bevel:
1. Om het altaar van Baäl af te breken, dat zijn vader schijnt gehad te hebben, hetzij voor zijn eigen huisgezin, of voor de gehele stad. Zie de macht van Gods genade, dat Hij een hervormer kon verwekken, en de nederbuigendheid van Zijn genade, dat Hij een verlosser wilde verwekken uit het gezin van iemand, die een voorganger was in afgoderij. Maar Gideon moet het nu niet genoeg achten, dat hij aan dat altaar niet aanbad, hetgeen hij, naar wij in liefde hopen, niet gedaan heeft, maar hij moet het afbreken, niet hetzelfde altaar aan God wijden (zoals bisschop Hall opmerkt) maar het moet afbreken en vernietigen. Eerst gebiedt God de monumenten van het bijgeloof neer te werpen, en dan legt Hij Zijn eigen dienst op. Hij moet ook het bos omhakken, dat daarbij is, de plantage van jonge bomen, bestemd voor verfraaiing van de plaats. De geleerde bisschop Patrick verstaat onder het bos het beeld, opgericht in dat bos, waarschijnlijk het beeld van Astaroth, (want het woord voor bos is asherah) dat op of dicht bij het altaar stond.
2. Een altaar op te richten aan God, aan JHWHh zijn God, dat waarschijnlijk aangeduid moest worden door een opschrift van die strekking, aan JAHWEH, Gideons, of Israëls, God. Het zou onbetamelijk geweest zijn in hem, om een altaar te bouwen, zelfs aan de God Israëls inzonderheid voor brandofferen en slachtofferen, en zou verklaard zijn te zijn opgericht in minachting van het altaar te Silo, indien God, die zich niet aan Zijn eigen wetten heeft gebonden, hem niet bevolen had het te doen. Maar nu was het zijn plicht en zijn eer om er voor gebruikt te worden. God wijst hem de plaats aan waar hij het moet bouwen, op de hoogte van deze sterkte, of van deze rots, misschien op dezelfde plaats, waar de Engel hem verschenen was nabij het altaar, dat hij had gebouwd, en hij moet het niet in van de haast doen, maar met de betamelijkheid, die voegt bij een Godsdienstige handeling, met ordening, zoals het in de kanttekening (op de Statenbijbel) heet, overeenkomstig de oude wet voor altaren, die bij een gelegenheid worden opgericht, namelijk dat zij van aarde moeten zijn, en niet van steen. Dit altaar moest opgericht worden op de sterkte of het fort, dat, naar sommigen denken, gebouwd was ter bescherming tegen de Midianieten. Indien dit zo is, dan was het geen beveiliging zolang het altaar van Baäl er zo dicht bij was, maar het werd een wezenlijke sterkte, toen een altaar des Heeren op zijn hoogte gebouwd was, want dat is onze beste beschutting. Op dit altaar:
A. Moest hij brandoffers offeren. Twee varren moest hij offeren, de var van zijn vader, en de tweede var van zeven jaren, zo behoort het gelezen te worden, en niet zoals in onze overzetting een var, te weten de tweede var van zeven jaren. De eerste moest hij, naar wij kunnen veronderstellen, voor zichzelf offeren, de tweede voor de zonden van zijn volk, dat hij moest verlossen. Het was nodig, dat hij aldus vrede zou maken met God, eer hij oorlog ging voeren tegen Midian. Voordat de zonde vergeven is door het grote offer is niets goeds te verwachten. Men onderstelt dat deze varren bestemd waren, om op Baäls altaar geofferd te worden, maar nu werden aangewend tot een beter gebruik. Aldus zal, wanneer de sterk bewapende overwonnen en uit de bezitting gestoten is, de sterkere dan hij de roof uitdelen, datgene voor zich nemen, wat zij voor Baäl bereid hadden, laat Hem komen die er recht op heeft, en geef het Hem.
B. Baäls bos, of beeld, of wat het dan ook geweest zij, dat de heiligheid en het sieraad was van dit altaar, moet niet verbrand worden maar als brandstof gebruikt worden voor Gods altaar, om te kennen te geven, niet alleen dat alles wat zich tegen God stelt vernietigd zal worden, maar dat de gerechtigheid Gods in deze vernietiging verheerlijkt zal worden. God beval aan Gideon dit te doen:
a. Om zijn ijver voor de Godsdienst op de proef te stellen, het was noodzakelijk dat hij daar bewijzen van zou geven, eer hij te velde trok, om er bewijzen te geven van zijn kloekmoedigheid.
b. Teneinde hierdoor enige stappen te doen die tot Israëls reformatie zouden leiden, en die de weg moesten banen voor hun verlossing. Zonde, de oorzaak, moet weggenomen worden, hoe zou anders de benauwdheid tot een einde komen, die er slechts het gevolg van was? En men mocht hopen dat dit voorbeeld van Gideon die weldra zo groot een man zal blijken te wezen, gevolgd zal worden door de overige steden en stammen, en dat de verwoesting van dit een altaar van Baäl de verwoesting zal wezen van velen.
II. Gideon was het hemelse gezicht gehoorzaam, vers 27. Hij, die over het Israël Gods zal bevelen, moet zonder tegenspreken of twisten onderworpen zijn aan de God van Israël, en als type van Christus, moet hij eerst zijn volk verlossen van hun zonden, en daarna hen verlossen van hun vijanden.
1. Hij had eigen dienstknechten, op wie hij zich kon verlaten, en die, naar wij kunnen onderstellen, evenals hij, hebben vastgehouden aan hun oprechtheid, en de knie niet voor Baäl hadden gebogen, en daarom ijverig waren om hem te helpen het altaar van Baäl af te breken.
2. Hij had geen gewetensbezwaar om de var van zijn vader te nemen, en hem zonder toestemming van zijn vader aan God te offeren, omdat God, die hem uitdrukkelijk bevolen had dit te doen, er meer recht op had dan zijn vader, en het was inderdaad de grootste vriendelijkheid, die hij zijn vader kon bewijzen, om zijn zonde te voorkomen.
3. Hij verwachtte er zich het misnoegen van het huis van zijn vader mee op de hals te zullen halen, en de kwaadwilligheid van zijn naburen, en toch deed hij het, gedenkende hoezeer het tot lof is geweest van Levi, dat hij in de zaak van God tot zijn vader en zijn moeder zei, ik zie hem niet, Deuteronomium 33:9, En daar hij zeker was van de gunst Gods, vreesde hij de toorn van de mensen niet, Hij, die hem bevolen heeft het te doen, zal hem ondersteunen en verdedigen. Maar:
4. Hoewel hij hun toorn niet vreesde als het gedaan was, heeft hij toch om hun tegenstand te voorkomen terwijl hij het deed, wijselijk besloten om het bij nacht te doen, ten einde bij zijn heilige handeling niet gestoord te worden. En sommigen denken dat hij het deed in dezelfde nacht, waarin God hem bevolen heeft het te doen, dat hij, zodra hij de orders ertoe ontvangen had, er zich dadelijk toe heeft begeven om ze uit te voeren, en er vóór de morgen mee klaar was.
III. Hij kwam daardoor in levensgevaar, vers 28-30. 1. Het gebeurde was spoedig ontdekt. Toen Gideon die arbeid had verricht, verlangde hij niet dat het verborgen zou blijven, en dat kon ook niet, want de mannen van de stad stonden s' morgens vroeg op, zeker om hun gebeden te doen bij het altaar van Baäl, en aldus de dag te beginnen met hun god, zoals hij dan was, een beschaming voor hen, die zeggen dat de ware God hun God is, en toch geen gebed tot Hem opzenden in de morgen, noch tot Hem opzien.
2. Spoedig werd ontdekt wie het gedaan had. Er werd een nauwkeurig onderzoek ingesteld, men wist dat Gideon afkerig was van de dienst van Baäl, hetgeen hem in verdenking bracht, en het stellige bewijs tegen hem bleef niet uit. "Er is niet aan te twijfelen: Gideon heeft dit stuk gedaan."
3. Deze ontaarde Israëlieten waren tot zo'n diepte van goddeloosheid gezonken, dat zij, toen Gideon schuldig werd bevonden aan deze daad, achtten dat hij volgens de wet deswege moest sterven, en van zijn vader, (die door hun afgoderij te begunstigen, hun maar al te veel reden had gegeven om te verwachten dat hij hun ter wille zou zijn) verlangden, dat hij hem aan hen zou overleveren. Breng uw zoon uit, dat hij sterve. Ontzet u hierover, gij hemelen, en beef, gij aarde! Volgens de wet Gods, moesten de aanbidders van Baäl ter dood gebracht worden, maar deze boze mannen willen de doodstraf toepassen op de aanbidders van de God van Israël. Hoe buitensporig verzot waren zij op hun afgoden! Was het niet genoeg, dat zij de keur van hun varren aan Baäl offerden, moeten zij ook nog de kloekste jongeling uit hun stad doen vallen als een offer aan die drekgod, als zij voorgeven dat hij beledigd was? Hoe spoedig zullen afgodendienaars vervolgers worden!
IV. Hij werd uit de handen van zijn vervolgers gered door zijn vader, vers 31.
1. Sommigen van Gideons vervolgers hebben niet slechts de eis gedaan, dat hij ter dood gebracht zou worden, maar zij bleven er bij dat de doodstraf aan hem voltrokken zou worden. In weerwil van de zware oordelen, die wegens hun afgoderij over hen gekomen waren, wilden zij toch van geen hervorming weten, maar bleven in tegenheid wandelen met God, toen Hij in tegenheid wandelde met hen.
2. Maar nu stelde Joas zich voor hem in de bres. Hij was een van de voornaamste mannen van de stad. Zij, die macht hebben, kunnen zeer veel doen ter bescherming van een eerlijk man en een eerlijke zaak, en als zij op die wijze hun macht gebruiken, dan zijn zij Gods dienaren ten goede. Deze Joas had Baäls altaar begunstigd, maar nu neemt hij hem in bescherming, die het had afgebroken, hetzij:
A. Uit natuurlijke genegenheid voor zijn zoon, en misschien wel uit een bijzondere achting, die hij hem toedroeg, als een deugdzaam, kloekmoedig en in alle opzichten prijzenswaardig jongeling, hem er niet minder om liefhebbende en waarderende, dat hij zich niet met hem in de Baälsdienst had verenigd. Er zijn velen, die de moed niet hebben om zelf in hun oprechtheid te volharden, maar wier geweten hen toch dringt om hen te echten en lief te hebben, die het wel doen. Had Joas al enige genegenheid voor Baäl, dan had hij toch nog grotere genegenheid voor zijn zoon. Of
B. Uit zorg voor het openbare welzijn. Het grauw werd oproerig, en hij vreesde dat het nog oproeriger zou worden, en daarom heeft hij, zoals sommigen denken, zich ingespannen om het tumult tot bedaren te brengen. "Laat de rechters beslissen, het is niet uw zaak, uw roeping vonnis over iemand te vellen, laat hem, die dat beproeft, gedood worden, hij bedoelt, niet gedood worden als een afgodendienaar, maar als een rustverstoorder en oproerverwekker. Op diezelfde wijze werd Paulus te Efeziers gered uit de handen van hen, die even ijverig waren voor Diana als deze hier voor Baäl, Handelingen 19:40. Of:
C. Uit overtuiging, dat Gideon wèl gedaan had. Misschien had zijn zoon de zaken met hem besproken, of misschien heeft God, die alle harten in Zijn hand heeft, een stille maar krachtige invloed op hem geoefend en hem bewogen om tegen de voorstanders van Baäl op te treden, hoewel hij vroeger in hun aanbidding van Baäl had berust. Het is goed om op te treden voor God, als wij hiertoe geroepen zijn, of schoon er geen of weinigen zijn, die ons ondersteunen, want God kan het hart neigen van hen, van wie wij dit weinig verwacht zouden hebben, om ons bij te staan. Laat ons onze plicht doen, en op God vertrouwen voor onze veiligheid. Twee dingen voert Joas aan:
a. Dat het ongerijmd van hen is, om voor Baäl te twisten. "Wilt gij, die Israëlieten zijt de aanbidders van de ene, enig levende en ware God, twisten voor Baäl, een valse god? Wilt gij zo dom, zo onzinnig zijn? Zij, wier vaderen Baäl als god aanbaden, en nooit een andere gekend hebben, zijn meer te verontschuldigen, als zij voor hem twisten, dan gij, die in verbond zijt met JAHWEH en die opgevoed en onderwezen ziet in Zijn kennis. Gij die zo geleden hebt wegens uw aanbidding van Baäl, er al die rampen en benauwdheden mee over u gebracht hebt, zult gij nu voor Baäl gaan twisten?" Het is slecht om zonde te bedrijven, maar het is zeer slecht, een grote goddeloosheid om er voor te twisten, dat is: er voor te pleiten, inzonderheid om te pleiten voor Baäl, de afgod, waarin die dan ook moge bestaan, die de plaats in het hart inneemt, welke alleen aan God toekomt.
b. Dat het nutteloos en overtollig voor hen was, om voor Baäl te twisten of te pleiten, als hij geen god is, dan hadden zij niets voor hem te zeggen, als hij het wèl is, dan is hij instaat om zelf zijn zaak te bepleiten, zelf voor zich te twisten, zoals de God des hemels dikwijls gedaan heeft door vuur van de hemel, of door een ander oordeel over hen, die Hem geminacht hadden. Dit was een gepast tarten van Baäl om hetzij goed of kwaad te doen, en de uitkomst er van overtuigde zijn aanbidders van hun dwaasheid om te bidden tot iemand om hulp, die niet eens instaat was zichzelf te wreken, daarna heeft Gideon merkwaardige voorspoed gehad, en hieruit bleek, hoe onmachtig Baäl was om zijn zaak te handhaven.
Eindelijk. Gideons vader gaf hem hierop een nieuwe naam, vers 32, hij noemde hem Jerubbaäl. "Baäl twiste, laat hij tegen hem twisten zo hij kan, als hij iets voor zichzelf in te brengen heeft tegen zijn verwoester, zo kome hij er mee voor de dag." Deze naam was een blijvende uittarting van Baäl. Nu Gideon de wapens opvatte tegen de Midianieten, die Baäl aanbaden, zo laat hem zijn aanbidders beschermen als hij kan. Dit gaf ook eer aan Gideon, (een gezworen vijand van die grote bedrieger en overweldiger, en die over hem had gezegevierd) en bemoediging aan zijn krijgslieden, wijl zij streden onder iemand, die streed voor God tegen die mededinger naar Zijn troon. Het is de gissing van de geleerden waarin veel waarschijnlijkheid is, dat Jerombalus, van wie Sanchoniathon (een van de oudste van al de heidense schrijvers) spreekt als van een priester van de God Jao (een verbastering van de naam JAHWEH) als van iemand aan wie hij zeer veel kennis te danken had, deze Jerubbaäl geweest is. In 2 Samuël 11:21 wordt hij Jerubbeseth genoemd, Baäl, heer, zeer gepast verkeerd in Beseth, schande.