Klaagliederen 1:1-11
Men zou haast zeggen, dat al wiens hart enigszins gestemd is om te wenen met de wenenden, nauwelijks in staat kan zijn, zijn tranen te weerhouden bij het lezen van deze verzen, zo aandoenlijk zijn deze Klaagliederen.
I. De jammer van Jeruzalem wordt hier beklaagd als zeer drukkend en door vele omstandigheden aanmerkelijk verzwaard. Laat ons deze jammer bezien.
1. Ten opzichte van hun burgerlijken staat.
a. De stad, die bevolkt was, is nu ontvolkt, vers 1. Er wordt van gesproken met verbazing. Wie zou gedacht hebben, dat het ooit hiertoe komen zou! Vragenderwijs-Wat is de oorzaak, dat het zover gekomen is? Of bij wijze van beklag-Helaas helaas! hoe zit die stad zo eenzaam, die vol volk was! Zij was vol van haar eigen volk, dat haar vervulde, en vol van lieden van andere volken, die in haar samenstroomden, met wie zij een voordelige handel en een aangenaam verkeer had, maar nu is haar eigen volk in gevangenschap gevoerd, en geen vreemdeling maakt haar meer het hof: "zij zit eenzaam". "De voornaamste plaatsen van de stad zijn niet meer als vroeger, plaatsen van samenkomst, waar de wijsheid luide riep," Spreuken 1:20, 21, en te recht worden zij niet meer bezocht, omdat het roepen van de wijsheid er niet meer gehoord wordt. Die sterk vermeerderd zijn, kan God spoedig verminderen. "Zij is als een weduwe geworden Haar koning, die haar man was, of had moeten zijn, is afgesneden, en weg, haar God is van haar weggegaan, en heeft haar een scheidbrief gegeven, zij is zonder kinderen, eenzaam en vol smart, als een weduwe. Laat geen familie, geen staat, noch Jeruzalem noch Babel zelf, zeker zijn, en zeggen: "Ik zal koningin zijn, en ik zal niet als weduwe zitten" Jesaja 47:8. Zie ook Openbaring 18:7.
b. Een stad die heerschappij had, is nu in onderwerping. "Zij was groot geweest onder de heidenen, zeer geliefd bij sommigen, zeer gevreesd bij anderen, in grote achting bij en gehoorzaamd door beide, sommigen brachten haar geschenken, en anderen betaalden haar schatting, zodat zij in werkelijkheid een vorstin onder de landschappen was, en iedere schoof voor de hare boog, zelfs de vorsten van het volk dongen naar haar gunst". Maar nu is alles veranderd, zij heeft niet alleen haar vrienden verloren en zit eenzaam, maar zij heeft ook haar vrijheid verloren en is cijnsbaar, geworden, eerst betaalde zij schatting aan Egypte en nu aan Babel. Zonde brengt een volk niet slechts tot vereenzaming maar tot slavernij.
c. De stad, die altijd vol vrolijkheid was, is nu droefgeestig geworden en in ieder opzicht vol van smart. Jeruzalem was een vrolijke stad geweest, waarheen de stammen opgingen, om zich te verblijden voor de Heere, zij was de "vreugde van de gehele aarde, maar nu weent zij steeds, haar gelach is veranderd in wening haar plechtige feesten zijn alle opgehouden, zij weent des nachts, zoals zij, die werkelijk treuren, in stilte treuren, in `t geheim, in eenzaamheid, des nachts, als anderen zich neervleien om te rusten, haar gedachten zijn enkel bezig met haar jammer, en de smart beheerst haar". Wat het hoofd van de profeet was om haar, toen zij er geen acht op gaf, is haar hoofd nu, water, en "haar oog is een springader van tranen, zodat zij dag en nacht weent, haar tranen lopen voortdurend over haar wangen." Hoewel niets vlugger droogt dan een traan, zo ontlokt toch nieuwe smart nieuwe tranen, zodat haar wangen altijd nat zijn. Er is niets meer gewoons onder de zon, dan "de tranen van de verdrukten, Spreuken 4:2, die als de wolken wederkomen na de regen," Spreuken 12:2. d. Die van de heidenen afgezonderd was, woont nu onder de heidenen, zij, die een bijzonder volk waren, zijn nu een vermengd volk, vers 3. Juda is in gevangenis gegaan, uit zijn eigen land naar het land van zijn vijanden, en daar blijft hij, en zal hij waarschijnlijk blijven, onder hen die vreemdelingen zijn van God en de verbonden van de belofte, bij wie hij geen rust vindt, geen voldoening voor zijn gemoed, en geen vaste woonplaats, maar wordt voortdurend verjaagd van de ene plaats naar de andere, naar de willekeur van de heerszuchtige tyrannen, die hem overwonnen hebben. En wederom, vers 5 :Haar kinderen gaan henen in de gevangenis voor het aangezicht des tegenpartijders, die het zaad van het volgende geslacht hadden moeten zijn, zijn weggevoerd, zodat het land dat nu verlaten is, waarschijnlijk verlaten zei blijven en verloren gaan bij gebrek aan erfgenamen. Die onder hun eigen volk wonen, en nog wel een vrij volk, en in hun eigen land, zouden dankbaarder zijn voor de gunsten, die zij genieten, als zij maar aan de rampen dachten van hen, die naar vreemde landen verdreven zijn.
e. Die gewoon waren in hun oorlogen te overwinnen, zijn nu zelf overwonnen, en men juicht over haar: alle haar vervolgers achterhalen ze tussen de engten, vers 3, zij verkregen alle mogelijke voordelen op haar, zodat hun volk onvermijdelijk door de hand des tegenstanders valt, want er is geen weg ter ontkoming, vers 7, zij waren aan alle zijden ingesloten, en waarheen zij ook trachtten te vluchten, vonden zij de weg afgesneden. Als zij hun best deden om weg te komen, waren zij er niet toe in staat, maar werden achterhaald en overwonnen, zodat overal haar tegenpartijders ten hoofd en haar vijanden gerust zijn, vers 5, waarheen hun zwaard zich keert, zijn ze de sterksten. In zulke benauwdheid brengen de mensen zich door hun zonde. Als wij toestaan, dat wie onze grootste vijand en tegenstander is, heerschappij over ons voert, en ons ten hoofd is, zal naar recht aan onze andere vijanden toegelaten worden, heerschappij over ons te voeren.
f. Die zich als volk niet alleen onderscheiden, maar tot een zekere waardigheid verheven hadden, wie God ere aangedaan en hun naburen eer bewezen hadden, zijn nu tot verachting geworden, vers 8. Allen, die haar vroeger eerder, achten haar onwaard, die haar bondgenootschap zochten, hechten er nu geen waarde meer aan, die haar vleiden, toen zij rijk en voorspoedig was, veronachtzamen haar nu zij rampspoedig is, dewijl zij haar naaktheid gezien hebben. Door het overwicht van de vijanden over haar, bemerken zij haar zwakheid, en dat zij niet zo'n sterk volk is, als men dacht, dat zij was, en door de overmacht van Gods oordelen over haar, bemerken zij haar goddeloosheid, die nu aan het licht komt, en overal besproken wordt. Nu blijkt het, hoe zij zich door hun zonden verlaagd hebben. De vijand maakt zich groot tegen hen, vers 9, zij vertreden hen en juichen over hen, in hun ogen is zij omlaaggedaald, het achterste van de volken, hoewel zij eens het hoofd was. De zonde is een schandvlek van de natiën.
g. Die in een vruchtbaar land woonden, waren op het punt van om te komen, en velen van hen kwamen om, bij gebrek aan het noodzakelijkste voedsel, vers 11. Al haar volk zucht in wanhoop en moedeloosheid, zij zijn op het punt te bezwijken, er is geen geest meer in hen, en daarom zuchten zij, brood zoekende, want zij zoeken tevergeefs. Tenslotte kwam het zover met hen, "dat het volk des lands geen brood had," Jeremia 52:6, en in hun gevangenschap hadden zij veel moeite om aan brood te komen, Hoofdstuk 5:6. Zij hebben hun gewenste dingen, hun juwelen, en schilderijen, en al het meubilair van pronkkamers, waarmee zij zich vermaakten, als zij er naar zagen, zij hebben die verkocht om er brood voor te kopen voor zich zelf en hun gezinnen, zij hebben er afstand van gedaan "voor spijze om de ziele te verkwikken, of (zoals in de kanttekening staat) om hun ziel weer tot hen te doen komen," wanneer zij op het punt waren te bezwijken. Zij verlangden geen andere hartsterking dan spijze. "Al wat iemand heeft, zal hij geven voor zijn leven, en voor brood, dat de staf des levens is". Die overvloed hebben van kostelijke dingen moeten daar niet trots op zijn, noch verzot, want er kan een tijd komen, dat zij blij zullen zijn, er noodzakelijke dingen voor te kunnen krijgen. En laat hen, die toereikend voedsel hebben, om hun ziel te verkwikken, daar tevreden mee zijn en dankbaar, al hebben zij geen kostelijke dingen.
2. Wij hebben hier het verhaal van de rampen van hun geestelijken staat, de vernietiging van hun heilige bezittingen, die veel meer te betreuren was dan die van hun tijdelijke bezittingen.
a. Hun godsdienstige feesten werden niet meer waargenomen en bezocht, vers 4. De wegen Zions treuren, zij zien er droefgeestig uit, zij zijn begroeid met gras en onkruid. Het placht een aangename ontspanning te zijn, onophoudelijk mensen te zien gaan en komen langs de grote weg, die naar de tempel leidde, maar nu kunt gij er staan, zolang gij wilt, zonder iemand te zien, "omdat niemand op het feest komt, een voleindiging is met hen gemaakt door de verwoesting van hetgeen vroeger de stad van onze bijeenkomsten was", Jesaja 33:20. De heilige feesten waren verwaarloosd en ontheiligd, Jesaja 1:11, 12, en daarom is er nu met recht een eind aan gemaakt. Maar wanneer de wegen Zions aldus tot treuren gebracht zijn, kunnen de zonen Zions niet anders doen dan met hen treuren. Het is zeer smartelijk voor goede mensen om de godsdienstige bijeenkomsten te zien ophouden, als de gelovigen verstrooid worden, terwijl het hun, die ze gaarne zouden bijwonen, belet wordt. En, zoals "de wegen Zions treuren, zo zijn ook alle haar poorten geweest," waarin de getrouwe vereerders plachten samen te komen, want er is niemand meer. Eens was er een tijd, dat "de Heere de poorten Zions beminde boven alle woningen Jakobs," maar nu heeft Hij hen verlaten, en is getergd om Zich aan hen te onttrekken, en daarom kan het hun niet anders gaan, dan de tempel, toen Christus die verliet. "Ziet, uw huis wordt u woest gelaten," Mattheus 23:38.
b. Hun gewijde personen waren totaal onmachtig om hun gewone diensten te verrichten, zij waren volkomen moedeloos. "Haar priesters zuchten, om de verwoesting van de tempel, hun liederen zijn in zuchten verkeerd, zij zuchten, want zij hebben niets te doen, en daarom kunnen zij niets krijgen, zij zuchten, als het volk, brood zoekende, omdat de Heere niet geofferd werd, want daarvan moesten zij leven". Het is tijd om te zuchten, als de priesters, de dienaars des Heeren, zuchten. "Ook haar jonkvrouwen, die gewoon waren met muziek en dans, hun plechtige feesten op te luisteren, zijn bedroefd, en zij zelf is in bitterheid. Men lette op haar diensten ten dage van Zions voorspoed," Psalm 68:25 :"In het midden gingen de trommelende maagden, en daarom wordt nu ook opgemerkt, dat zij er niet zijn. Haar jonkvrouwen zijn bedroefd en daarom is zij in bitterheid, dat wil zeggen, dat al de inwoners van Zion het zijn, wier karakter zo is, dat zij bedroefden zijn om van de bijeenkomst wille en, dat de schimping, die een last op haar is, dat ook op hen is," Zeph. 3:18.
c. Hun godsdienstige plaatsen waren ontheiligd, vers 10. De heidenen gingen in haar heiligdom, in de tempel zelf, waarin geen Israëliet mocht binnentreden, met hoeveel eerbied en vroomheid ook, maar de priesters alleen. De vreemde, die daar bij komt, al was het om te aanbidden, zal gedood worden. Daar stromen de heidenen nu gauw naar binnen, niet om te aanbidden, maar om te plunderen. God had bevolen, "dat de heidenen in de gemeente niet zouden komen, noch in het volk van de Joden ingelijfd worden", Deuteronomium 23:3, toch gingen zij nu in het heiligdom, zonder dat het hun belet werd. Niets is smartelijker voor hen, die waarlijk belangstellen in de ere Gods, en niets wordt door hen meer betreurd, dan de schending van Gods wet, en de verachting, waaraan de heilige dingen ten prooi zijn. In Psalm 74:3 wordt geklaagd, "dat de vijand alles in het heiligdom verdorven heeft". d. Hun godsdienstige gereedschappen en alle kostelijke dingen, waarmee de tempel versierd en verfraaid was, en waarvan gebruik werd gemaakt in de dienst van God, waren een prooi voor de vijand, vers 10. De tegenpartijder heeft zijn hand aan alle haar gewenste dingen uitgebreid, heeft op alles de hand gelegd en voor zich zelf in bezit genomen. Wat deze gewenste dingen waren, kunnen wij lezen in Jesaja 64:11, waar aan de klacht over het verbranden van de tempel wordt toegevoegd: "Alle onze gewenste dingen zijn tot woestheid geworden, " de ark en het altaar, en alle andere tekenen van Gods tegenwoordigheid onder hen, dat waren de dingen, die door hen boven alle andere dingen gewenst werden, en die waren nu in stukken gebroken en weggevoerd. Zo is van de dochter Zions al haar sieraad weggegaan, vers 6. De heilige sieraden waren het sieraad van de dochter Zions, toen de tempel, dat heilige en schone huis, verwoest was, was haar schoonheid weg, dat was het verbreken van de stok liefelijkheid, de wegneming van de tekenen en zegelen van het verbond. Zacheria 11:10. Hun rustdagen werden bespot, vers 7. De tegenstanders zien haar aan, zij spotten met haar rustdagen. Zij lachten hen uit, omdat zij een van de zeven dagen waarnamen als rustdag van hun wereldse bezigheden. Juvenalis, een heidens dichter, maakt de Joden van zijn tijd bespottelijk, omdat zij een zevende deel van hun tijd verloren laten gaan: "Cui septime quaeque fuit lix Ignava et vitae partem non attigit ullam." Een dag ten sabbat zich te kiezen is van de zeven een verliezen. terwijl toch de sabbath, als hij geheiligd wordt, zoals het behoort, beter besteed zal worden, dan al de andere dagen van de week. En terwijl de Joden beleden, dat zij het deden in gehoorzaamheid aan hun God en tot Zijn eer, vroegen hun tegenstanders hun: "Wat wint gij er bij? Welk voordeel hebt gij er van, dat gij Gods ordinantiën houdt, die u nu in uw ellende in de steek laat?" Het is een grote smart voor allen, die God liefhebben, te horen, dat Zijn ordinantiën bespot worden, en in `t bijzonder de sabbath. Zion noemt ze Zijn sabbatten, want de sabbath was gemaakt voor de mensen, het is Zijn instelling, maar het is haar voorrecht, en de oneer, de sabbath aangedaan, beschouwen alle zonen van Zion als hun aangedaan, en nemen ze, in overeenstemming daarmee, ter harte, ook zullen zij de sabbath of enige andere goddelijke ordinantie niet als minder eerbiedwaardig beschouwen, of minder waarderen, omdat hij bespot wordt.
e. Wat al deze smarten grotelijks verzwaarde, was, dat hun toestand op `t ogenblik juist het omgekeerde was van wat hij vroeger geweest was, vers 7. Nu, in de dagen harer ellende en harer ballingschap, nu alles donker en somber is, is zij indachtig aan alle haar gewenste dingen, die zij van oude dagen af gehad heeft, en nu weet zij ze beter te waarderen dan vroeger, toen zij er het volle genot van had. God leert ons dikwijls de waarde van gunsten kennen door ze ons te doen missen, en tegenspoed is het zwaard te dragen voor hen, die er in vervallen zijn van het toppunt van voorspoed. Dit krenkte Davids hart toen hij verbannen was van Gods geboden, dat hij er aan gedacht, "hoe hij heenging onder de schare naar Gods huis," Psalm 42:5.
II. Hier wordt geklaagd over de zonden van Jeruzalem als de aanleidende oorzaak van al deze rampen, die zij uitgelokt hadden. Wie ook de werktuigen zijn, God is de auteur van al deze jammer, het is de Heere, die haar bedroefd heeft, vers 5, en Hij heeft het gedaan als een rechtvaardig Rechter, want zij heeft gezondigd.
1. Wat `t getal betreft, zijn haar zonden ontelbaar. Zijn haar smarten vele? Hare zonden zijn nog veel talrijker. "Het is, omdat haar zonden machtig vele zijn, dat de Heere haar bedroefd heeft". Zie Jeremia 30:14. Als een volk de overtredingen vermenigvuldigt, kunnen wij niet zeggen, zoals Job in zijn geval deed, dat God "hun wonden vermenigvuldigt zonder oorzaak", Job 9:17. 2. Wat de aard betreft, zijn zij uiterst snood, vers 8 : Jeruzalem heeft zwaarlijk gezondigd, heeft zonde gezondigd (staat er eigenlijk), heeft met volle bewustheid, opzettelijk gezondigd, heeft die zonde gezondigd, die boven alle andere zonden door de Heere gehaat wordt, de zonde van de afgoderij. De zonden van Jeruzalem, dat zulk een schone belijdenis heeft, en zulke schone voorrechten geniet zijn van alle zonden de ergste. Zij heeft zwaarlijk gezondigd, vers 8, en daarom, vers 9, is zij wonderbaarlijk omlaag gedaald. Erge zonden veroorzaken een wonderbaarlijk verderf, sommige werkers van de ongerechtigheid ontvangen een vreemde straf, Job 31:3. Er zijn zonden, die men duidelijk herkent aan de straf.
a. Zij hebben zelf met hardheid verdrukt en worden daarom zelf naar recht, verdrukt, vers 3 :Juda is in gevangenis gegaan, en dat vanwege de ellende, vanwege de veelheid van de dienstbaarheid, omdat de rijken onder hen de armen verdrukten en met hardheid deden dienen, en in `t bijzonder (zoals `t Chaldeeuws het omschrijft, omdat zij hun Hebreeuwse slaven verdrukten, wat hun verweten wordt in Jeremia 34:11. Onderdrukking was een van hun schreiende zonden, Jeremia 6:6, 7, en het is een zonde, die ten hemel schreit. Zij hebben zichzelf verlaagd en worden daarom naar recht verlaagd. Allen achten haar onwaard, vers 8, want haar onreinigheid is in haar zomen, aan haar klederen is te zien, dat zij in het slijk van de zonde gewenteld heeft. Niemand ken onze eer bevlekken, als wij ze zelf niet bezoedelen.
b. Zij zijn zeer zeker geweest, en zijn daarom rechtvaardiglijk verrast door deze ondergang, vers 9 :Zij heeft niet gedacht aan haar uiterste, zij nam de waarschuwing niet ter harte, die haar gegeven werd, om aan haar uiterste te denken, om te bedenken, wat het einde moest zijn van de goddelozen weg, die zij bewandelde, en daarom is zij wonderbaarlijk omlaag gedaald, opdat zij voelen zou, wat zij niet wilde vrezen, daarom zal de Heere haar plagen wonderlijk maken.
III. Hier wordt geklaagd over Jeruzalems vrienden, omdat zij vals en flauwhartig zijn, en zeer onvriendelijk. Zij hebben allen trouwelooslijk met haar gehandeld, vers 2, zodat zij in werkelijkheid haast tot vijanden geworden zijn. Die haar bedriegen hebben haar evenveel kwelling veroorzaakt als haar verstoorders. De stok, die onder ons breekt, kan ons evenveel nadeel doen, als de stok, die ons slaat, Ezra 29:6,7. Haar vorsten, die haar moesten beschermen, hebben geen moed genoeg, om de vijand het hoofd te bieden tot hun eigen bescherming, zij zijn als de herten, die bij het eerste alarm de vlucht nemen, zonder een poging te doen tot verdediging, ja, zij zijn als de herten, die verhongeren, omdat zij geen weide vinden en gaan daarom krachteloos henen voor het aangezicht des vervolgers, en omdat zij geen kracht hebben om te vluchten, worden zij spoedig ingehaald en vallen als een weerloze prooi de vijand in handen. Hare naburen zijn niet hulpvaardig, want,
1. Zij heeft geen helper, vers 7, zij konden niet of zij wilden niet, ja,
2. Zij heeft geen trooster, niemand, die medelijden met haar heeft, of een middel aangeeft om haar smarten te verlichten, vers 7, 9. Zoals Jobs vrienden zagen zij, dat het nergens toe diende, zo groot was haar jammer, en moeilijke vertroosters zijn allen in zulk een geval.
IV. Over dit alles wordt geklaagd bij Jeruzalems God en alles wordt opgedragen aan Zijn goedertierenheid en ontferming, vers 9 :"Heere zie mijn ellende aan, en neem er kennis van" en, vers 11 :"Zie, Heere en aanschouw, neem Uw maatregelen". De enige manier om onze last rustig te dragen, is die eerst op God te werpen, en het Hem over te laten om met ons te doen, zoals Hem goeddunkt.