Leviticus 18:19-30
Hier is:
I. Een wet om de eer van het huwelijksbed te bewaren, opdat het niet ontijdig gebruikt worde, vers 19, of inbreuk erop worde gemaakt door een overspeler, vers 20.
II. Een wet tegen hetgeen de meest onnatuurlijke afgoderij was: hun kinderen door het vuur te doen gaan voor de Moloch, vers 21.
Sommigen denken dat de Moloch een afgod was waarin en waardoor zij de zon aanbaden, het grote vuur van de wereld, en daarom maakten zij er hun kinderen òf tot slachtoffers van, door ze er voor te verbranden, òf zij wijdden die er aan toe, door ze naar sommigen denken, tussen twee vuren te doen doorgaan, of ze, ter ere van de valse god, in één er van te werpen, zich verbeeldende, dat, zo zij slechts één van hun kinderen op deze wijze aan de Moloch offerden, dit voor al hun overige kinderen geluk zou aanbrengen. Hebben afgodendienaars aldus hun eigen kinderen aan valse goden gewijd, en zullen wij dan iets te dierbaar achten om aan de ware God te wijden, of voor Hem af te staan? Zie hoe deze zonde van Israël (waaraan zij zich later, in weerwil van deze wet, hebben schuldig gemaakt) verzwaard werd door de betrekking, waarin zij en hun kinderen tot God stonden, Ezechiël 16:20. "Gij hebt uw zonen en uw" "dochteren, die gij Mij gebaard hadt, genomen en hebt ze geofferd." Daarom wordt het hier genoemd een ontheiligen van de naam van hun God, want het was alsof zij dachten onder grotere verplichtingen te zijn aan Moloch dan aan JHWH, want Hem offerden zij alleen hun vee, maar aan Moloch hun kinderen.
III. Een wet tegen onnatuurlijke lusten, sodomie, en beestachtigheid, zonden, die niet genoemd, of waaraan niet gedacht moet worden, dan met de uitersten afschuw, vers 22, 23. Andere zonden maken de mens gelijk aan de beesten, maar deze doen hem beneden het dier zinken. Dat het ooit nodig was deze wetten te maken, en dat zij, nadat zij uitgevaardigd waren, ooit overtreden werden, is de eeuwige smaad en schande van de menselijke natuur. Dat de mensen aan deze hun lage lusten werden overgegeven, was dikwijls de straf voor hun afgoderij, zoals de apostel aantoont in Romeinen 1:24.
IV. Argumenten tegen deze en dergelijke afschuwelijke goddeloosheden. Hij, die een onbetwistbaar recht heeft om ons te gebieden, wil toch met ons handelen als mensen, en ons met mensenzelen trekken, en daarom verwaardigt Hij zich om met ons te redeneren.
1. Zondaren verontreinigen zich met deze verfoeiselen, vers 24. Verontreinigt u niet met enige van deze. Alle zonde is verontreinigend voor het geweten, maar in deze zonde is een zeer bijzondere schandelijkheid gelegen. In vriendelijkheid voor ons eist onze hemelse Vader, dat wij ons rein houden en ons niet in het slijk rondwentelen.
2. Wie enige van deze gruwelen doen zal die zielen, die ze doen, zullen uit het midden van haar volk uitgeroeid worden, vers 29. En terecht, want: Zo iemand de tempel Gods schendt, die zal God schenden, 1 Corinthiërs 3:17 :Vleselijke lusten voeren strijd tegen de ziel, en zullen er voorzeker het verderf van wezen, indien Gods goedertierenheid en genade het niet voorkomen. 3. Het land is onrein, vers 25. Indien zulke goddeloosheden gedaan en door de vingers gezien worden, wordt het land ongeschikt gemaakt om er Gods tabernakel in te hebben, en de reine en heilige God zal er de tekenen van Zijn genadige tegenwoordigheid aan onttrekken. Het wordt ook ongezond gemaakt voor de inwoners, die er door besmet worden met zonde, en blootgesteld aan kwalen, en het is wezenlijk walglijk en weerzinwekkend voor alle Godvruchtigen, die er in zijn, zoals de goddeloosheid van Sodom het was voor de ziel van de rechtvaardigen Lot.
4. Al deze gruwelen hebben de vorige inwoners gedaan, vers 24, 27. Daarom was het nodig, dat deze wetten gemaakt zouden worden, zoals tegengiften en voorbehoedmiddelen tegen de pest nodig zijn, als wij ons naar een plaats begeven waar zij heerst. En zij moeten geen van deze dingen doen, omdat de volken, die ze gedaan hebben, nu onder de vloek Gods lagen, en weldra onder het zwaard van Israël vallen zouden. Zij konden er niet onbewust van zijn hoe hatelijk deze volken zich hadden gemaakt, die zich in dit slijk rondwentelden, en hoe stinkend zij waren in de neusgaten van alle goede mensen, en zal dan een volk, geheiligd en verwaardigd als Israël was, zich aldus laag en gemeen maken? Als wij bemerken, hoe kwaad ons de zonde toeschijnt in anderen, dan moet dit voor ons een reden wezen, om met de uiterste zorg en voorzichtigheid onze reinheid te bewaren.
5. Wegens deze en dergelijke zonden moesten de Kanaänieten uitgeroeid worden, deze hebben de maat van de ongerechtigheid van de Amorieten vol doen worden, Genesis 15:16, en de verwoesting teweeggebracht van zovele volkrijke koninkrijken, waarvan de Israëlieten weldra niet alleen de toeschouwers zullen zijn maar waarvan zij de werktuigen zullen wezen, het land is onrein, en Ik bezoek over hetzelve zijn ongerechtigheid, vers 25. De ontzettende oordelen Gods over hen, die op drieste wijze onheilig en atheïstisch zijn, zijn bedoeld als waarschuwingen voor hen, die de Godsdienst belijden, om zich te wachten voor alles wat maar de minsten schijn heeft van of een strekking heeft tot onheiligheid en atheïsme. Het verderf van de Kanaänieten is een vermaning aan de Israëlieten, om niet te doen gelijk zij gedaan hebben. Ja meer: om aan te tonen dat niet slechts de Schepper getergd is door zulke gruwelen, maar dat zij voorde schepping een last zijn, wordt er bijgevoegd, vers 25, zodat het land zijn inwoners uitspuwt. Tot zelfs de grond, waarop zij liepen, zuchtte als het ware onder hen, walgde van hen, en kwam niet tot rust vóór hij zich ontdaan had van deze "tegenstanders van de Heere," Jesaja 1:24. Dit duidt de uiterste walglijkheid aan van de zonde, de zondige mens drinkt het onrecht in als water, maar het schuldeloze deel van de schepping zwoegt er onder en verheft er zich tegen. Menig huis en menige stad hebben de goddeloze inwoners, als het ware, met afgrijzen uitgespuwd, Openbaring 3:1-6. Hoedt u daarom zegt God, dat u het land niet uitspuwe, vers 28. Het was hun verzekerd, hun en hun nakomelingen, maar zij moeten verwachten dat, zo zij de ondeugden van de Kanaänieten overnamen, hun ook een gelijk lot zou wedervaren. Slechte Israëlieten zijn even verfoeilijk voor God als slechte Kanaänieten, ja nog meer, en zullen even spoedig, of nog spoediger, uitgespuwd worden. Een waarschuwing, als hier aan de Israëlieten gegeven is, wordt door de apostel gegeven aan de bekeerlingen uit de heidenen, met betrekking tot de verworpen Joden, in wier plaats zij gekomen zijn, Romeinen 11:19 en verv. Zij moeten zich wachten van "in hetzelfde voorbeeld van ongelovigheid te" "vallen," Hebreeën 4:11. Pas dit meer in het algemeen toe, en laat het ons krachtdadiglijk terughouden van elke zondige weg, dat zovelen er hun verderf op gevonden hebben. Leg het oor van het geloof te luisteren aan de poort van de bodemloze afgrond, en hoor de treurige kreten van de veroordeelde zondaren, die door de aarde werden uitgespuwd, en door de hel werden verzwolgen, die nu verloren zijn, voor eeuwig verloren, door de zonde, en beef er voor, dat dit ten slotte ook uw lot zal zijn. Gods bedreigingen en oordelen moeten ons afschrikken van de zonde.
Eindelijk. Het slot van het hoofdstuk is een tegengift, een voorbehoedmiddel tegen deze besmetting. Daarom zult gij Mijn bevel onderhouden, dat gij niets doet van die gruwelijke inzettingen. Dit is het voorgeschreven geneesmiddel. Zondige inzettingen zijn gruwelijke inzettingen, en dat zij in zwang zijn, algemeen worden aangenomen, maakt ze volstrekt niet minder gruwelijk, en wij moeten ze ook niet minder, maar juist nog meer om verafschuwen, want hoe meer algemeen zij zijn aangenomen hoe gevaarlijker zij zijn. Het heeft verderflijke gevolgen om ook maar een enkele van die zondige gewoonten of inzettingen toe te laten, want één baant de weg voor velen. Ufno absurdo dato, mille secuuntur-Laat één ongerijmdheid toe, en gij nodigt er duizend. De weg van de zonde loopt bergafwaarts. Een nauwgezet en standvastig blijven bij Gods inzettingen is het krachtigste voorbehoedmiddel tegen de besmetting van grove zonde. Hoe meer wij de lieflijkheid smaken en de kracht gevoelen van heilige inzettingen, hoe minder gehechtheid wij zullen hebben aan de verboden genoegens van de gruwelijke inzettingen van de zondaren. Het is alleen Gods genade, die ons zal beveiligen, en die genade kan alleen verwacht worden in het gebruik van de genademiddelen. En nooit laat God de mensen over aan de lusten en begeerten van hun hart, voordat zij eerst Hem en Zijn inzettingen hebben verlaten.