Jozua 9:3-14
De Gibeonieten, verschrikt zijnde door het bericht, dat zij hoorden van de verwoesting van Jericho, begeerden vrede te maken met Israël. Andere volken hoorden deze tijdingen, en werden er door geprikkeld tot oorlog met Israël, maar de Gibeonieten hoorden ze, en werden er door bewogen om vrede met Israël te begeren. Zo is de ontdekking van de heerlijkheid en de genade Gods in het Evangelie voor sommigen "een reuk des levens ten leven, maar voor anderer een reuk des doods ten dode," 2 Corinthiers 2:16. Dezelfde zon verzacht was en verhardt leem. Ik herinner mij niet dat wij ergens van een koning van Gibeon lezen. Ware hun regering toen in de handen geweest van een enkel persoon, zijn hart zou wellicht te hoog zijn geweest om zich aan Israël te onderwerpen, en hij zou zich bij de overige koningen gevoegd hebben tegen Israël. Maar deze vier verenigde steden, vermeld in vers 17, schijnen geregeerd te zijn geworden door oudsten, of senatoren, vers 11, die meer te rade gingen met de gemene veiligheid, dan met hun persoonlijke waardigheid. De inwoners van Gibea hebben wijs gehandeld. Nu zien wij:
1. Hoe zij hiervoor te werk zijn gegaan. Zij wisten dat al de inwoners van Kanaän uitgeroeid moesten worden, misschien hebben zij verspieders gehad in de vergadering op de berg Ebal, toen de wet gelezen werd, die het bevel hadden opgemerkt, gegeven aan Israël, Deuteronomium 7:13 (en het aan hun volk hadden overgebracht) dat zij geen genade moesten bewijzen aan de Kanaänieten, hun geen lijfsgenade moesten verlenen in de strijd, waardoor zij bevreesd waren om strijd tegen hen te voeren, en dat zij geen verbond met hen moesten maken, hetgeen hen deed wanhopen om enigerlei goed te verkrijgen door met hen te onderhandelen, en zo bleef hun geen ander middel over om hun leven van Israëls zwaard te redden, dan door zich te vermommen en aan Jozua te doen geloven, dat zij van een zeer ver land kwamen, waarmee het de Israëlieten niet bevolen was oorlog te voeren, noch verboden was vrede te sluiten, integendeel het was hun uitdrukkelijk geboden hun "de vrede toe te roepen", Deuteronomium 20:10, 15. Dit dachten zij dus het enige middel te zijn om aan het lot van Jericho en Ai te ontkomen. Hoewel de naburige vorsten wisten dat al de mannen van Gibeon sterk waren, Hoofdstuk 10:2, en zij het zelf ook wisten durfden zij toch niet strijden tegen Israël, dat de almachtige God aan zijn zijde had. Dat is dus de rol, die zij hebben te spelen, en zij hebben haar met veel kunst en behendigheid gespeeld.
1. Zij doen zich voor als gezanten van een vreemde staat, daar zij dachten dat het aan de oversten Israëls welgevallig zou zijn, dat hun de eer werd aangedaan om door veraf gelegen landen tot de vrede te worden aangezocht. Hizkia was zeer ingenomen met hen, die uit verre landen tot hem gekomen waren, Jesaja 39:3.
2. Zij gaven voor de vermoeienissen te hebben doorstaan van een zeer lange reis, en toonden wat er tot bewijs van kon strekken. Het schijnt dat het toen voor hen, die een lange reis ondernamen, de gewoonte was, om zich van allerlei levensmiddelen te voorzien, zoals wij ook nu doen, als wij ons voor verre zeereizen bereiden, daar het land niet, zoals thans het onze, voorzien was van herbergen, voor welke gerieflijkheid wij zeer dankbaar moeten zijn, als wij het nodig hebben er gebruik van te maken. Nu gaven zij voor dat hun teerkost toen zij hem van huis medenemen, fris en vers was, maar nu scheen hij oudbakken en droog, terwijl men toch wel kon denken dat zij niet getalmd hadden op de weg, maar zo spoedig mogelijk voortgereisd waren. Hieruit kon dus afgeleid worden dat zij, zoals zij zeiden, uit een zeer ver land kwamen, hun reiszakken waren oud, de wijn, die zij medegenomen hadden, was op, en de lederzakken, waarin hij geweest was, waren gescheurd, hun schoenen en klederen waren slechter dan die van de Israëlieten na hun reis van veertig jaren, hun brood was beschimmeld, vers 4, 5, en nog eens in vers 12, 13. Zo is Gods Israël dikwijls misleid en bedrogen geworden door een vertoon van eerwaardige, hoge oudheid. Maar, zegt bisschop Hall, dwalingen zijn niet ouder of eerwaardiger omdat zij opgelapt zijn en dus oud schijnen, maar zij, die zich aldus door deze Gibeonitische list laten vangen, bewijzen hiermede dat zij de mond des Heeren niet gevraagd hebben. En zo zijn er, die zich arm voordoen met de tekenen van gebrek en ellende, en toch grote rijkdom hebben, Spreuken 13:7, of tenminste geen behoefte hebben aan bijstand, door welk bedrog de liefdadigheid dan verkeerd wordt aangewend, terwijl zij geweigerd wordt aan hen, die wezenlijk in nood zijn.
3. Toen zij bemerkten dat er verdenking tegen hen gekoesterd werd, doordat zij meer nauwkeurig ondervraagd werden omtrent het land vanwaar zij kwamen. hebben zij zeer zorgvuldig vermeden de naam van hun land te noemen, voordat de overeenkomst gemaakt was.
a. De mannen van Israël vermoedden dat er bedrog in het spel was, vers 7. "Misschien woont gijlieden in het midden van ons, en dan mogen, dan moeten wij geen verbond met u maken." Dit zou de Gibeonieten de moed hebben kunnen benemen om met de zaak voort te gaan, hieruit opmakende dat, zo de vrede gesloten werd, de Israëlieten zich niet verplicht zouden achten om hem te houden daar zij er zo plechtig tegen geprotesteerd hadden, ingeval zij in het midden van hen woonden. Maar wetende dat er volstrekt geen hoop voor hen zijn zou indien zij zich nu terugtrokken, waagden zij kloekmoedig een onderwerping. "Wie weet of het volk van Israël ons niet het leven zal sparen al hebben wij hen op listige wijze tot het doen van een belofte verlokt, en als wij hun eindelijk zeggen moeten hoe de zaak gelegen is, welnu, wij kunnen niet meer doen dan sterven."
b. Jozua stelde hun nu de vraag: "Wie zijt gijlieden en vanwaar komt gij?" Hij vindt zich genoodzaakt om op zijn hoede te zijn tegen bedrog in het verborgen zowel als tegen geweld in het openbaar. In onze geestelijke strijd moeten wij "staan tegen de listige omleidingen des duivels, gedenkende dat hij een listige slang is, zowel als een briesende leeuw". In alle verbonden van vriendschap en vrede moeten wij eerst onderzoeken en dan vertrouwen, opdat wij de overeenkomst, gesloten in van de haast, niet behoeven te betreuren, als de tijd tot nadenken is gekomen.
c. Zij wilden niet zeggen vanwaar zij kwamen, maar herhalen nog hun voorgeven: "wij zijn uit een zeer ver land gekomen," vers 9. Zij willen doen denken dat het een land is waar de Israëlieten niets van weten, noch ooit van gehoord hebben, en dus er niet wijzer om zouden zijn, al zouden zij hun de naam van hun land ook noemen.
4 Zij betuigen eerbied voorden God Israëls, teneinde zich hierdoor nog meer in Jozua's gunst te dringen, en in liefde geloven wij dat zij oprecht waren in hun betuiging. "Wij zijn gekomen om de naam des Heeren, uws Gods, vers 9, om hetgeen wij gehoord hebben van die naam, hetgeen ons overtuigd heeft dat hij boven allen naam is, en omdat wij begeerte hebben naar die naam, en de gedachtenis er van, en omdat wij gaarne onder de bescherming er van zouden willen komen".
5. Zij zeggen ook bewogen te zijn door hetgeen enige tijd tevoren onder de regering van Mozes is geschied, daar men licht kon onderstellen dat het bericht hiervan reeds vroeger tot verre landen is doorgedrongen: de plagen van Egypte, en het verderf van Sihon en Og, vers 9, 10, maar zeer voorzichtig zwijgen zij van de verwoesting van Jericho en Ai (hoewel die de eigenlijke reden was, die hen bewogen had te komen, vers omdat zij willen doen geloven, dat zij van huis waren gegaan, lang voordat deze steden veroverd waren. Wij behoeven niet lang te zoeken naar redenen waarom wij ons aan de God van Israël moeten onderwerpen, wij kunnen er nieuwe en oude voor vinden, welke wij maar willen.
6. Zij onderwierpen zich ten volle. Wij zijn uw knechten, en verzoeken nederig om een algemene overeenkomst, "zo maakt nu een verbond met ons," vers 11. Zij noemen geen voorwaarden, maar willen gaarne vrede hebben op elke voorwaarde. De zaak kan ook geen uitstel lijden, want dan zou het bedrog ontdekt kunnen worden. Gaarne zouden zij willen dat de zaak maar terstond afgedaan zal worden dat Jozua dadelijk een verbond met hen zal aangaan, dan hebben zij alles waarvoor zij gekomen zijn, en zij hopen dat hun haveloze klederen en bevlekte schoenen daar geen beletsel voor zouden zijn. God en Israël wijzen toch niemand af vanwege armoede of ellende.
Nu kan hun leugen niet gerechtvaardigd of tot precedent gesteld worden. Wij moeten geen kwaad doen om er goed uit te laten voortkomen. Indien zij bekend hadden uit welke landstreek zij kwamen, maar de afgoderij er van hadden verzaakt, er het bezit aan Israël van hadden afgestaan, en zichzelf aan de God van Israël hadden overgegeven, dan hebben wij reden te geloven, dat God Jozua bevolen zou hebben hun leven te sparen, en dan hadden zij met geen valse voorgevens behoeven aan te komen. Het is opmerkelijk dat zij, eenmaal gezegd hebbende: "Wij zijn uit een ver land gekomen," vers 6, zich in de noodzakelijkheid bevonden, om het nog eens te zeggen, vers 9, en te zeggen wat volstrekt onwaar was betreffende hun brood, hun lederzakken, hun klederen, vers 12, 13, want de ene leugen brengt de andere voort, en deze leidt dan tot een derde leugen, enz. De weg van die zonde gaat bergafwaarts.
Maar hun geloof en hun voorzichtigheid zijn zeer prijzenswaardig. Onze Heere heeft zelfs de onrechtvaardige rentmeester geprezen, omdat hij voorzichtiglijk gedaan had Lukas 16:8. Door zich aan Israël te onderwerpen, onderwierpen zij zich aan de God van Israël, waarin een verzaking lag opgesloten van de god, die zij gediend hadden, en onderwerping aan de wetten van de ware Godsdienst. Zij hadden genoeg gehoord om overtuigd te zijn van de oneindige macht van de God Israëls, en hieruit konden zij ook Zijn wijsheid en goedheid afleiden. En hoe kunnen wij beter voor onszelf handelen, dan door ons te werpen op de genade van een God van oneindige goedheid? De onderwerping van deze Gibeonieten was te meer prijzenswaardig, omdat zij:
a. Zeldzaam was. Hun naburen hebben geheel anders gedaan, en verwachtten dat zij zich bij hen zouden voegen.
b. Snel was. Zij hebben niet gewacht totdat Israël hun steden belegerde, dan zou het te laat zijn geweest om te capituleren, maar toen zij nog op een afstand waren, hebben zij al vredesvoorwaarden begeerd. Het middel om aan een oordeel te ontkomen is het tegen te komen met berouw en bekering. Laat ons deze Gibeonieten navolgen, en ons met God verzoenen in de lompen van onze verootmoediging, droefheid naar God en doding van het vlees, dan zal onze ongerechtigheid ons niet tot een aanstoot worden. Laat ons knechten wezen van Jezus, onze gezegende Jozua, en een verbond maken met Hem en het Israël Gods, dan zullen wij leven.