Deuteronomium 20:10-20
Hier wordt hun gezegd hoe zij moeten handelen met de steden, (die alleen worden genoemd, vers 10, maar ongetwijfeld zijn hiermede ook de legers te velde, en de volken met wie zij te doen hadden, bedoeld) tegen welke zij strijd zullen voeren. Zij moesten geen van hun buren aanvallen, vóór zij hen door een openlijke verklaring, waarin de redenen van hun twist met hen genoemd zijn, gewaarschuwd hadden. Ook tegenover de ergste vijanden moeten de wetten van rechtvaardigheid en eer worden nagekomen, en gelijk het zwaard nooit zonder oorzaak getrokken moet worden, zo moet het ook niet getrokken worden zonder dat de reden er voor blootgelegd wordt.
I. De oorlogsverklaring zelf moet nog met een aanbieding van vrede gepaard gaan, indien zij die op redelijke voorwaarden willen aannemen, dat is: (zeggen de Joodse schrijvers)" op voorwaarde, dat zij de afgoderij verzaken, de God van Israël aanbidden, als proselieten van de poort, die niet besneden waren, aan hun nieuwe meesters een jaarlijkse schatting betalen, en zich aan hun regering onderwerpen," Op deze voorwaarden zullen de krijgsverrichtingen gestaakt worden, en zullen hun overwinnaars hun beschermers worden, vers 10, 11. Sommigen denken, dat zelfs aan de zeven volken van Kanaän deze vredesaanbiedingen gedaan moesten worden, en dat die aanbieding geen scherts of bespotting was, al was het ook van de Heere om hun hart te verstokken, zodat zij de aanbieding niet aannamen, Jozua 11:20. Anderen denken dat zij buitengesloten waren vers 16, niet slechts van het voordeel van deze wet vers 13, die militaire executies alleen tot de mannen beperkte, maar ook van het voordeel van die wet, welke geen oorlog toelaat, voordat het aanbod van vrede was afgewezen. En ik zie niet in hoe zij de vrede konden toeroepen aan hen, die zij ten enenmale moesten verdelgen, aan wie zij geen genade moesten betonen, Hoofdstuk 7:2. Maar ieder ander volk waarmee zij oorlog voerden, hetzij tot uitbreiding van hun landpalen, of om onrecht, dat hun aangedaan was, te wreken, of ter verkrijging van recht, dat hun geweigerd werd, moesten zij eerst de vrede toeroepen. Laat ons hierin zien:
1. Gods genade in Zijn handelen met de zondaren, hoewel Hij hen rechtvaardig en zeer gemakkelijk zou kunnen verdelgen, roept Hij hun toch, terwijl Hij geen lust heeft in hun verderf, de vrede toe, en smeekt hen om zich met Hem te verzoenen, zodat zij, die het meest blootgesteld zijn aan Zijn gerechtigheid, en op het punt zijn om er als slachtoffers van te vallen, zo zij Hem vrede antwoorden, en Hem opendoen op voorwaarde, dat zij Zijn schatplichtigen en dienstknechten zullen zijn, niet slechts gered zullen worden van het verderf maar ingelijfd bij Zijn Israël, als medeburgers met Zijn heiligen.
2. Laat ons hieruit ook leren wat onze plicht is tegenover onze broeders: als er twist ontstaan is, dan moeten wij niet slechts bereid zijn naar vredesvoorstellen te luisteren maar ons beijveren om zelf vredesvoorstellen te doen. Nooit moeten wij gebruik maken van de wet, vóór wij getracht hebben het geschil in der minne te schikken zonder onkosten en zonder kwelling. Wie ook voor de strijd is, wij moeten voor de vrede wezen.
II. Indien de aanbieding van vrede niet werd aangenomen, dan moesten zij de krijgsoperaties voortzetten. En laat hen, aan wie God de vrede aanbiedt, weten dat, zo zij die aanbieding afwijzen, er de weldaad niet van willen aannemen en gebruiken, het oordeel zal roemen tegen de barmhartigheid evenzeer in de volvoering van de straf, als nu de barmhartigheid roemt tegen het oordeel in het uitstel. Voor dit geval is hier: 1. De belofte gegeven, dat zij zullen zegevieren. De Heere uw God, zal haar in uw hand geven, vers 13. Als wij een zaak ondernemen op Goddelijke volmacht, en haar onder Goddelijke leiding tenuitvoerbrengen, dan kunnen wij verwachten dat wij er in zullen slagen. Als wij Gods methode volgen, zullen wij Zijn zegen hebben.
2. Hun wordt bevolen om ter voldoening aan de openbare gerechtigheid al de krijgslieden te slaan met de scherpte des zwaards, want aldus vat ik de uitdrukking op: alles wat mannelijk is, vers 13. Allen, die de wapens droegen, (zoals toen allen deden, die er toe instaat waren). Maar het was hun vergund de buit voor zichzelf te nemen, vers 14, en daartoe werden de vrouwen en kinderen gerekend. Een rechtmatige eigendom wordt verkregen in hetgeen gewonnen is in een wettige oorlog, God zelf erkent het recht er op, de Heere, uw God heeft u die gegeven, en daarom moet Hij erin erkend worden, Psalm 44:4.
III. Van de barmhartige bepalingen, gemaakt door deze wet, zijn de volken van Kanaän uitgesloten. Van de steden, die zeer ver van hen waren, mochten overblijfselen gelaten worden, vers 15, want er was niet zoveel gevaar dat zij door deze met afgoderij besmet zullen worden, ook was hun land niet zo onmiddellijk in de belofte begrepen. Maar van de steden die aan Israël ten erfdeel gegeven waren, mocht geen overblijfsel gelaten worden van de inwoners, vers 16, want het was een minachting van de belofte om Kanaänieten toe te laten om het land van de belofte met hen te delen. En er was nog een reden, waarom zij ten enenmale uitgeroeid moesten worden, vers 17. Daar het niet verwacht kon worden, dat zij van hun afgoderij zullen worden genezen, is er gevaar zo zij met die pestbuil op zich gelaten worden dat zij er Gods Israël mee zullen aansteken vers 18. Opdat zij ulieden niet leren te doen naar al hun gruwelen, hun gewoonten in te voeren in de aanbidding van de God Israëls om Hem dan trapsgewijze te verlaten en valse goden te gaan aanbidden, want zij, die het tweede gebod durven overtreden, zullen niet lang het eerste blijven houden. Een vreemde eredienst opent de deur voor vreemde godheden.
Eindelijk. Er wordt zorg gedragen, dat bij belegering van steden geen vruchtbomen zullen vernield worden, vers 19, 20. In die tijden toen de belegeraars zich een weg baanden, niet door bommen en kanonkogels zoals nu, maar met stormrammen, hadden zij veel hout nodig om een beleg voort te zetten. Omdat nu de mensen in de hitte van de strijd niet zo geneigd zijn als zij moesten, om aan het algemeen belang te denken en dat te behartigen wordt hier uitdrukkelijk verboden om vruchtbomen als gewone bosbomen te gebruiken. De reden hiervoor wordt opgegeven in de volzin: want het geboomte van het veld is des mensen (het woord spijs is door de vertalers ter nadere verklaring ingelast)." In alle oude overzettingen, in de Septuaginta, de Targums, enz. wordt die volzin aldus gegeven: Want, is de boom des velds een man? Of: De boom des velds is geen man, dat hij tegen u zou komen in het beleg, of, zich van u terug zou trekken in het bolwerk. Koel niet op woeste wijze uw woede aan de bomen, die u geen kwaad kunnen doen." Maar onze overzetting schijnt het meest in overeenstemming te zijn met de bedoeling van de wet, en wij leren er uit:
1. Dat God een betere vriend is voor de mens dan hij voor zichzelf is, en dat Gods wet, waarover wij zo geneigd zijn te klagen als over een zwaar juk, te rade gaat met ons belang en ons gerief, terwijl onze eigen lusten en hartstochten, waaraan wij zo gaarne toegeven, in waarheid de vijanden zijn van onze welvaart. Van velen van de Goddelijke geboden en voorschriften is de bedoeling ons terug te houden van te vernielen en te verwoesten hetgeen ons voedsel, ons leven is. 2. Dat aan legers en legerbevelhebbers niet toegelaten wordt om in landen, waar het toneel des oorlogs is, alle verwoestingen aan te richten, die het hun gevalt aan te richten. Militaire woede moet beteugeld en beheerst worden door de rede. Oorlog, al wordt die ook met nog zoveel omzichtigheid gevoerd, is nog altijd verwoestend genoeg, en behoort niet verwoestender gemaakt te worden dan volstrekt noodzakelijk is. Mannen van edele gezindheid zullen zich zorgzaam en teder betonen niet alleen voor het leven van de mensen, maai ook voor hun levensonderhoud, want hoewel het leven meer is dan het voedsel, zal het toch niets zijn zonder voedsel.
3. De Joden vatten dit op als een verbod van alle moedwillig bederven, om welke reden het ook zij. "Geen vruchtboom moet vernield worden, tenzij hij onvruchtbaar is en onnut de grond beslaat". "Ja meer", zeggen zij, wie moedwillig vaten breekt, klederen scheurt, gebonwen afbreekt of voedsel bederft, overtreedt deze wet: gij zult niet verderven". Christus droeg zorg dat de overgeschoten brokken vergaderd werden, opdat niets verloren zou gaan. Alle schepsel Gods is goed, en gelijk niets geweigerd moet worden, zo moet ook niets worden misbruikt. Wij kunnen nog gebrek hebben aan hetgeen wij onachtzaam bederven of vernielen.