Deuteronomium 27:1-10
I. Hier is een algemene last aan het volk om Gods geboden te houden, want zij zouden ze tevergeefs kennen, indien zij ze niet hielden. Op het nakomen van deze last wordt bij hen aangedrongen:
1. Met alle gezag. Mozes, tezamen met de oudsten Israëls, de oversten van elke stam, vers 1, en wederom in vers 9, Mozes, tezamen met de Levietische priesteren, zodat hun de last gegeven werd door Mozes, die koning was in Jeshurun, en in vereniging met hem, door hun voornaamste bestuurders, zo geestelijke als wereldlijke. Opdat zij niet zouden denken dat het alleen Mozes, een oud en stervend man was, die zo'n groot gewicht hechtte aan de Godsdienst, of alleen de priesters en Levieten, wier beroep het was Godsdienstig te zijn en er hun levensonderhoud van hadden, hebben ook de oudsten van Israël, die door God in eer en macht over hen geplaatst waren, en die mannen van zaken waren in de wereld, en dit ambt waarschijnlijk nog lang zullen bekleden nadat Mozes zal heengegaan zijn, het volk geboden Gods wet te houden. Mozes had iets van zijn eer en waardigheid op hen gelegd, en nu verenigt hij hen met zich in het geven van deze last, zoals Paulus in zijn brieven soms de namen van Silvanus en Timotheus bij de zijnen voegt. Allen, die invloed hebben op anderen, of macht over hen kunnen uitoefenen, behoren die invloed en die macht te gebruiken tot steun en bevordering van de Godsdienst onder hen. Al zou ook het oppergezag in de staat nog zo goede wetten hiervoor maken, zou dit weinig baten of uitwerken, indien de mindere beambten in hun plaatsen, en de leraren in de hun en de hoofden van gezinnen in de hun, hun ambt niet naar behoren uitoefenen.
2. Met alle aandrang. Met de grootste ernst dringen zij er bij hen op aan, vers 9, 10, Luister toe en hoor, o Israël. Het is een zaak die de grootste aandacht vereist en verdient. Zij spreken hun van hun voorrecht en eer: Op deze dag zijt gij de Heere, uw God, tot een volk geworden. De Heere heeft u voor de Zijnen erkend, en is nu op het punt van u in het bezit te stellen van Kanaän, hetwelk Hij u lang tevoren als uw God beloofd heeft, Genesis 17:7, 8 en zo Hij te bestemder tijd deze Zijn belofte niet vervuld had, zou Hij zich schamen uw God genoemd te worden, Hebreeën 11:16. Meer dan ooit zijt gij nu Zijn volk, weest dus van Zijn stem gehoorzaam. Voorrechten moeten gebruikt worden als aansporingen tot plichtsbetrachting. Moet een volk niet geregeerd en bestuurd worden door zijn God?
II. Een bijzonder bevel aan hen om met grote plechtigheid de woorden van deze wet te registreren, zodra zij in Kanaän zouden komen. Slechts eenmaal moest dit geschieden, en wel bij hun intocht in het land van de belofte ten teken dat zij er bezit van namen onder de verschillende voorwaarden, vervat in deze wet. Er heeft een plechtige bevestiging plaats gehad van het verbond tussen God en Israël bij de berg Sinaï, daar werd een altaar opgericht en twaalf kolommen, het boek des verbonds werd genomen en voor het volk gelezen Exodus 24:4. Wat hier bevolen werd, is een plechtigheid, die ongeveer van dezelfde aard was.
1. Zij moeten een gedenkteken oprichten, waarop zij de woorden van deze wet moeten schrijven.
a. Het monument zelf moest zeer gering en eenvoudig wezen, slechts van ruwe, ongehouwen steen met kalk bestreken, geen gepolijst marmer of albast, geen bronzen tafelen, maar gewone kalk op steen, vers 2. Het wordt wederom herhaald in vers 4, en er worden orders gegeven, niet dat het schrift zeer fraai moet zijn, opdat het door kenners en Liefhebbers van kunst bewonderd zou kunnen worden, maar zeer duidelijk, opdat wie voorbijloopt het kunnen lezen, Habakuk 2:2. Het woord van God behoeft door geen kunst van mensen verfraaid te worden, noch opgesierd door bewegelijke woorden van de menselijke wijsheid. Maar,
b. De inscriptie moest zeer groot wezen, al de woorden van deze wet, vers 3, en wederom in vers 8. Sommigen verstaan het alleen van het verbond tussen God en Israël, vermeld in Hoofdstuk 26:17, 18, Laat deze hoop opgericht worden tot een getuigenis, zoals het gedenkteken van het verbond tussen Laban en Jakob, dat uit niets bestond dan een hoop stenen, haastiglijk bij elkaar gebracht, waarop zij tezamen aten ten teken van vriendschap, Genesis 31:46-47, en de steen, die Jozua oprichtte, Jozua 24:27. Anderen denken dat de vloeken van het verbond in dit hoofdstuk op dit monument geschreven waren, temeer wijl het op de berg Ebal werd opgericht, vers 4. Nog anderen denken dat het gehele boek van Deuteronomium op dit monument geschreven was, of tenminste de inzettingen en rechten er van, van Hoofdstuk 12 tot het einde van hoofdstuk 26. En het is niet onwaarschijnlijk dat de steenhoop zo groot is geweest, dat hij, alle zijden er van gebruikt zijnde, zo uitvoerig een opschrift kon bevatten, tenzij wij (met sommigen) willen veronderstellen, dat al de tien geboden er op geschreven waren, als een authentiek afschrift van de twee stenen tafelen, die in de ark waren gelegd. Zij moesten dit schrijven als zij in Kanaän zullen gekomen zijn, en toch zegt Mozes, opdat gij komt in het land, dat is opdat gij er met gerustheid in komt en met de volle verzekerdheid van voorspoedig te zullen zijn en er gevestigd te worden, want anders zou het beter voor u wezen, om er in het geheel niet in te komen. Schrijft het als de voorwaarden van uw ingaan, en erkent dat gij er op die voorwaarden ingaat, daar Kanaän gegeven is door de belofte, moet het gehouden worden door gehoorzaamheid.
2. Zij moeten ook een altaar oprichten. Door de woorden van de wet, geschreven op de kalk heeft God tot hen gesproken, door het altaar en de offeranden, die er op geofferd werden spraken zij tot God, en aldus werd er gemeenschap onderhouden tussen hen en God. Het woord en het gebed moeten samengaan. Naar hun eigen bedenksel mochten zij wel geen altaar oprichten buiten het altaar van de tabernakel maar op bevel van God en bij een bijzondere gelegenheid machten zij het wèl. Elia heeft een tijdelijk altaar gebouwd van twaalf ongehouwen stenen, zoals dit altaar hier, toen hij Israël terugbracht tot het verbond, dat nu gemaakt werd, 1 Koningen 18:31, 32,.
a. Dit altaar moest gebouwd worden van stenen, zoals zij ze in het veld vonden liggen, niet nieuw gehouwen uit de rots, en nog veel minder kunstig vierkant gemaakt: gij zult geen ijzer over dezelve bewegen, vers 5. Christus, ons altaar is een steen afgehouwen zonder handen, Daniël 2:34, 35, en daarom door de bouwlieden verworpen, als hebbende geen gedaante noch heerlijkheid, maar aangenomen door God de Vader, en tot hoofd des hoeks gemaakt.
b. Op dit altaar moesten brandoffers en dankoffers geofferd worden, vers 6, 7,, teneinde eer te geven aan God en Zijn gunst te verwerven. Waar de wet geschreven was, werd dichtbij een altaar opgericht, om te kennen te geven dat wij met geen vertroosting op de wet kunnen zien, ons bewust zijnde haar geschonden te hebben, indien het niet ware voor de grote offerande, door welke verzoening is gedaan voor de zonde, en het altaar werd opgericht op de berg Ebal, de berg, waarop de stammen stonden, die Amen zeiden op de vloek om aan te duiden dat wij door Christus verlost zijn van de vloek van de wet. In het Oude Testament zijn de woorden van de wet geschreven met de vloek van de wet er aan toegevoegd, hetgeen ons zou vervullen met schrik en ontsteltenis, indien wij in het Nieuwe Testament (dat er mee verbonden is) er niet dichtbij een altaar opgericht hadden, dat ons eeuwige vertroosting geeft. c. Zij moeten daar eten en vrolijk zijn voor het aangezicht des Heeren, hun God, vers 7. Dit betekende: Ten eerste. Hun instemming met het verbond, want degenen, die een verbond met elkaar aangingen, bekrachtigden het door tezamen een feestmaal te houden. Zij hadden deel aan het altaar, dat Gods tafel was, als Zijn dienstknechten en onderhorigen, en in het bezit gesteld zijnde van het goede land, verplichtten zij zich om de pacht er van te betalen, en de diensten te verrichten, die een van de voorwaarden waren van de koninklijke schenking. Ten tweede. De vertroosting, die zij smaakten door het verbond, zij hadden reden om zich te verblijden in de wet, toen zij er een altaar ter genezing bij hadden, en wel zo nabij, het was een grote gunst jegens hen en een teken ten goede, dat God hun Zijn inzettingen gaf, en dat zij erkend werden als het volk van God en de kinderen van de belofte, dat was wel iets om zich in te verblijden, hoewel zij, toen deze plechtigheid verricht moest worden, nog niet in het volle bezit waren van Kanaän, maar God heeft gesproken in Zijn heiligdom, dies zal ik van vreugde opspringen Gilead is mijn, Manasse is mijn, ja volkomen mijn.