Jozua 6:17-27
Het volk had stipt de orders opgevolgd die hun gegeven waren betreffende de belegering van Jericho, en nu heeft Jozua hun eindelijk gezegd, vers 16, "De Heere heeft ulieden de stad gegeven, gaat in en neemt er bezit van." Dienovereenkomstig hebben wij in deze verzen:
I. De regels, die zij bij de inbezitneming in acht moeten nemen. God geeft haar hun, en dus kan Hij aanwijzen voor welk doel Hij haar hun geeft, en er de voorwaarden en bepalingen bij maken, die Hij goedvindt. Zij is hun gegeven om Gode verbannen, dat is: gewijd te zijn, als de eerste, en misschien wel de slechtste van al de steden van Kanaän.
1. De stad moet verbrand, en al het levende er in, zonder barmhartigheid, aan de gerechtigheid Gods worden geofferd. Zij wisten dat dit alles opgesloten was in deze woorden, vers 17. De stad zal een "cherem", dat is: de Heere gewijd zijn, zij, met alles wat er in is, geen leven in die stad mag op enigerlei voorwaarde gelost worden, allen moeten zeker gedood worden, Leviticus 27:29. Zo beveelt Hij het, van wie zij, als schepselen, hun leven hadden ontvangen en aan wie zij, als zondaren, het verbeurd hadden, en wie kan Zijn vonnis wraken? Is God onrechtvaardig, die aldus wraak doet? Verre zij het van ons dit te denken. Er was bij de inneming van Jericho meer gezien van God, dan bij de inneming van de andere steden van Kanaän, en daarom moet zij ook meer dan de anderen Hem gewijd zijn. En de strenge behandeling van deze stad zal verschrikking doen komen over al de overigen, en hun hart nog meer voor het aangezicht van Israël doen versmelten. Maar toen deze strengheid bevolen werd, werden Rachab en haar bloedverwanten uitgezonderd, zij zal levend blijven, zij en allen, die met haar in het huis zijn. Zij had zich van haar naburen onderscheiden door de vriendelijkheid, die zij aan Israël heeft betoond, en daarom zal zij van hen onderscheiden worden door de snelle vergelding van haar vriendelijke daad.
2. Al de schatten van de stad, het geld en het zilveren huisraad, alle goederen van waarde moeten aan de dienst van de tabernakel gewijd worden, ingebracht worden in de schat van de tabernakel, de Joden zeggen, omdat de stad op een sabbatdag ingenomen was. Aldus zou God geëerd worden door de versiering en verrijking van Zijn tabernakel, aldus werd voorzien in de buitengewone uitgaven van Zijn dienst, en aldus werd de Israëlieten geleerd hun hart niet te zetten op wereldlijke rijkdom en niet te streven om er veel van voor zichzelf te vergaderen. God had hun beloofd een land, "vloeiende van melk en honing," niet een land overvloeiende van zilver en goud, want Hij wilde dat zij er genoegelijk in zouden wonen, opdat zij Hem zouden dienen met blijmoedigheid, maar niet zouden begeren om hetzij handel te drijven met verre landen, of schatten te verzamelen voor latere tijden. Hij wilde ook dat zij zich verrijkt zouden achten in de verrijking van Zijn tabernakel, en denken dat hetgeen opgelegd was in Gods huis, even waarlijk hun eer en hun rijkdom was, alsof het in hun eigen huis was opgelegd.
Zij worden er zeer bijzonder voor gewaarschuwd om zich met het verbannene in te laten, want zo zij zich iets ten eigen gebruike zouden toeëigenen van hetgeen de Heere gewijd was, dan zou dit een vloek voor hen blijken te zijn, en daarom, vers 18, alleenlijk, dat gij u wacht van het verbannene. "Gij zult de neiging in u gevoelen om er van te nemen, maar beteugelt die neiging, schrikt er voor om er iets mee te doen te hebben." Hij spreekt alsof hij de zonde voorzag van Achan waarvan wij het bericht hebben in het volgende hoofdstuk, als hij deze reden geeft voor zijn waarschuwing, opdat gij u misschien niet verbant, en het leger Israëls stelt tot een ban, noch hetzelve beroert, zoals Achan bleek gedaan te hebben.
II. De toegang tot de stad, die hun door de val van de muren geopend was, of tenminste van dat deel van de muur, tegenover hetwelk zij zich bevonden toen zij de juichkreet aanhieven, vers 20. De muur viel onder zich, en heeft waarschijnlijk in zijn val vele lieden gedood, de soldaten, die er op schildwacht stonden, of anderen, die er bij menigten heen gekomen waren om de Israëlieten te zien bij hun optocht rondom de stad. Wij lezen van duizenden, die gedood werden door de val van een muur, 1 Koningen 20:30 . Hetgeen, waarop zij vertrouwden als hun bescherming, bleek hun verderf te zijn. De plotselinge val van de muur heeft de inwoners ongetwijfeld zo doen ontstellen, dat zij geen kracht of moed hadden om weerstand te bieden, maar een gemakkelijke prooi werden voor het zwaard van Israël, en toen zagen zij van hoe weinig nut het was om hun poorten te sluiten voor een volk, dat de Heere aan zijn spits had, Micha 2:1-3. De God des hemels kan gemakkelijk, en zal voorzeker, alle macht nederwerpen van Zijn vijanden en van de vijanden van Zijn kerk. De koperen deuren en de ijzeren grendels zijn voor Hem slechts als stro en vermolmd hout, Jesaja 45:1,2. "Wie zal mij voeren in een vaste stad? Zult Gij het niet zijn, o God!" Psalm 60:11, 12. Aldus zal Satans koninkrijk vallen, en niemand zal voorspoedig zijn, die zich verhardt tegen God.
III. De uitvoering van de orders betreffende deze verbannen stad. Al wat ademde werd over de kling gejaagd, niet slechts de mannen, die met de wapens in de hand werden aangetroffen, maar ook de vrouwen en kinderen en de oude lieden. Hoewel zij om lijfsbehoud vroegen en nog zozeer smeekten om hun leven, was er toch geen plaats voor mededogen, het medelijden moet vergeten worden, zij verbanden alles. vers 21. Indien zij geen Goddelijk bevelschrift hadden gehad, onder het zegel van de wonderen, voor deze executie, zij zou niet gerechtvaardigd kunnen worden, en het kan heden ook niets dergelijks rechtvaardigen, nu wij er zeker van zijn, dat zo'n bevelschrift niet overgelegd kan worden. Maar, door de rechtvaardige Rechter van hemel en aarde aangesteld zijnde om het te doen, die niet onrechtvaardig is in het doen van wraak, moeten zij geprezen worden als de getrouwe dienaren van Zijn gerechtigheid. Werk voor God was toen bloedig werk, en vervloekt zij, die des Heeren werk bedrieglijk doet, ja vervloekt zij, die zijn zwaard van het bloed onthoudt, Jerem. 48:10. Maar de geest des Evangelies is zeer verschillend, want Christus is niet gekomen om van de mensen zielen te verderven, maar om te behouden, Lukas 9:56. Christus' overwinningen waren van een andere aard. Het vee werd gedood met de eigenaars er van, als bijgevoegde offeranden aan de Goddelijke gerechtigheid. Het vee van de Israëlieten werd, als het geslacht werd aan het altaar, aangenomen als offerande voor hen, maar het vee van de Kanaänieten moest gedood worden als offerande met hen, want hun ongerechtigheid kon niet verzoend worden door slachtoffers of brandoffers, beide waren voor de eer van God.
1. De stad verbrandden zij met vuur, en alles wat daarin was, vers 24. Toen de Israëlieten Jericho, een grote en goed gebouwde stad, hadden ingenomen, hoopten zij misschien er hun hoofdkwartier in te kunnen vestigen, maar God wil hen nog in tenten laten wonen, en daarom laat Hij dit nest verbranden, opdat zij er zich niet in zouden nestelen.
2. Al het zilver en goud en al de vaten, die door vuur en water gereinigd konden worden, werden tot de schat van de tabernakel gevoegd, niet omdat de Heere ze nodig had, maar omdat Hij er mee geëerd werd als de Heere van de heirscharen, inzonderheid van hun heirscharen, de God, die hun de overwinning gaf en daarom de roof kon eisen, hetzij de gehele roof, zoals hier, of, zoals soms, een tiende er van, Hebreeën 7:4.
IV. De behoudenis van Rachab de hoer of herbergierster, die niet omgekomen is met de ongehoorzamen, Hebreeën 11:31. De openbare trouw was verpand voor haar behoudenis door de twee verspieders, die hierin als publieke personen gehandeld hebben, en daarom heeft Jozua, hoewel de drukte en verwarring na het innemen van de stad zeer groot waren, toch afdoende maatregelen genomen voor haar veiligheid. Dezelfde personen, die zij beveiligd had, werden gebruikt om haar te beveiligen, vers 22, 23. Zij waren het best hiertoe instaat, zij kenden haar en haar huis, en het was zeer voegzaam dat zij dit zouden doen, opdat het zou blijken dat het was om de wille van haar vriendelijkheid voor hen, dat zij aldus onderscheiden werd, en dat haar haar leven tot een buit was gegeven. Al haar bloedverwanten werden met haar behouden evenals Noach heeft zij geloofd tot behoudenis van haar huisgezin, en zo brengt het geloof in Christus zaligheid tot het huis, Handelingen 16:31. Sommigen vragen, hoe haar huis, hetwelk gezegd wordt op de stadsmuur te zijn geweest, Hoofdstuk 2:15, er aan ontkomen is, om met de muur te vallen, wij zijn er zeker van, dat het eraan ontkomen is, want zij en haar bloedverwanten waren er veilig in, hetzij dat het zo dicht bij de muur stond, dat het gezegd werd erop te zijn, maar er toch ver genoeg af was, om noch met de muur, noch onder de muur te vallen, of liever: dat deel van de muur waarop haar huis stond, viel niet. In het leven gespaard zijnde:
1. Werd zij gedurende enige tijd buiten het leger gehouden, teneinde gereinigd te worden van het heidense bijgeloof, waarvan zij afstand moest doen en toebereid te worden voor haar toelating als proseliet.
2. Ter bestemder tijd werd zij opgenomen in de kerk van Israël, en zij en haar nageslacht verbleven in Israël, en haar familie was nog lang daarna vermaard. Wij vinden haar als de vrouw van Salmon, een overste van Juda, moeder van Boaz, en genoemd onder de voorouders van onze Zaligmaker, Mattheus 1:5. Israëlieten ontvangen hebbende in de naam van Israëlieten, heeft zij het loon van een Israëliet ontvangen. Bisschop Pierson merkt op dat Jozua, Rachab de hoer behoudende en haar toelatende onder Israël, gehandeld heeft als type van Christus, die hoeren en tollenaren in Zijn koninkrijk heeft toegelaten en ontvangen, Mattheus 21:31. Het kan ook toegepast worden op de bekering de heidenen.
V. Jericho is veroordeeld tot eeuwige verwoesting en een vloek wordt uitgesproken over de man, die het later ooit zou beproeven haar te herbouwen, vers 26. Jozua bezwoer hen, dat is: de oudsten en het volk van Israël, niet slechts met hun eigen toestemming hen verplichtende, en hun nageslacht na hen, om deze stad nooit te herbouwen, maar door het bevel Gods, daar God zelf het op strenge straf, welke hier genoemd wordt, verboden had.
1. God wilde hiermede tonen het gewicht van een Goddelijke vloek, waar deze rust daar is er geen strijden tegen, noch een ontkomen er aan, hij brengt verderf aan, zonder dat er iets aan te doen of te verhelpen is.
2. Hij wilde dat zij in puin zou blijven liggen, als een eeuwig monument van Zijn toorn tegen de Kanaänieten, toen de mate hunner ongerechtigheid vol was en van Zijn goedertierenheid over Zijn volk, toen de tijd voor hun vestiging in Kanaän was gekomen. Het verderf hunner vijanden getuigde van Zijn gunst jegens hen, en zal hun hun ondankbaarheid verwijten aan die God, die zoveel voor hen gedaan had. De ligging van de stad was zeer lieflijk, en de nabijheid van de Jordaan was er waarschijnlijk een voordeel van, dat de mensen zou verleiden om op dezelfde plaats te gaan bouwen, maar hun wordt hier aangezegd, dat het op hun gevaar zal zijn zo zij het doen. De mensen bouwen voor hun nageslacht, maar hij, die Jericho herbouwt, zal geen nageslacht hebben om er van te genieten, zijn oudste zoon zal sterven, als hij het werk begint, en zo hij zich door die slag niet laat waarschuwen om er van af te laten, dan zal de voleindiging van zijn werk vergezeld gaan van de begrafenis van zijn jongste zoon, terwijl, naar wij onderstellen, ook al de anderen, die daar tussen waren, afgesneden werden. Deze vloek geen vloek zonder oorzaak zijnde, is ook werkelijk gekomen over de men, die lang daarna Jericho herbouwd heeft, 1 Koningen 16: 34, maar wij moeten niet denken, dat het die stad, toen zij eenmaal herbouwd was, er te slechter om maakte, of enig leed bracht aan hen, die haar bewoonden. Wij vinden Jericho later bevoorrecht door de tegenwoordigheid niet alleen van die twee grote profeten, Elia en Elisa maar van onze gezegenden Heiland zelf, Lukas 18:35, 19:1, Mattheus 20:29. Het is gevaarlijk om te pogen datgene op te bouwen hetwelk God verwoest wil hebben. Zie Maleachi 1:4.
Eindelijk. Dit maakte Jozua groot en verhoogde zijn roem. Het maakte hem aangenaam aan Israël, maar geducht voor de Kanaänieten omdat het bleek dat God in waarheid met hem was. Het Woord des Heeren was met hem zegt de Chaldeër, namelijk Christus zelf, die met Mozes geweest is. Niets kan iemands roem meer verheffen, of hem meer waarlijk een groot aanzien geven, dan het onmiskenbaar bewijs dat God met hem is.