Bijbelstudie
Boeken
1 Koningen 16
Statenvertaling
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
1
TOEN geschiedde het woord des HEEREN tot
1
Jehu, den zoon van
2
Hanáni, tegen Báësa, zeggende:
2
Daarom
a
dat Ik u
3
uit het stof verheven en u tot een voorganger over Mijn volk Israël gesteld heb, en gij
4
gewandeld hebt in den weg van Jeróbeam en Mijn volk Israël hebt
5
doen zondigen, Mij tot toorn verwekkende door hun zonden,
3
Zie,
6
zo zal Ik de nakomelingen van Báësa en de nakomelingen van zijn
7
huis wegdoen, en Ik zal uw huis maken
b
gelijk het huis van Jeróbeam, den zoon van Nebat.
4
8
Die
c
van Báësa in de stad sterft, zullen de honden eten, en die van hem in het veld sterft, zullen de vogelen des hemels eten.
5
Het overige nu der geschiedenissen van Báësa, en wat hij gedaan heeft, en zijn macht, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël?
6
En Báësa ontsliep met zijn vaderen en werd begraven te
9
Tirza; en zijn zoon Ela regeerde in zijn plaats.
7
10
Alzo geschiedde ook het woord des HEEREN door
11
den dienst van den profeet Jehu, den zoon van Hanáni, tegen Báësa en tegen zijn huis, en dat om al het kwaad dat hij gedaan had
12
in de ogen des HEEREN, Hem tot toorn verwekkende door
13
het werk zijner handen, omdat hij was gelijk het huis van Jeróbeam,
d
en omdat hij
14
hetzelve verslagen had.
8
In het zes en twintigste jaar van Asa, den koning van Juda, werd Ela, de zoon van Báësa, koning over Israël te Tirza
en regeerde
15
twee jaren.
9
En Zimri, zijn knecht, overste van de helft der wagens, maakte een verbintenis tegen hem, als hij te Tirza was, zich dronken drinkende in het huis van Arza, den
16
hofmeester te Tirza;
10
Zo kwam
e
Zimri in en sloeg hem en doodde hem in
17
het zeven en twintigste jaar van Asa, den koning van Juda; en hij
18
werd koning in zijn plaats.
11
En het geschiedde als hij regeerde, als hij op zijn
19
troon zat, dat hij het ganse huis van Báësa sloeg; hij liet hem niet over,
20
die aan den wand watert, noch
21
zijn bloedverwanten, noch
22
zijn vrienden.
12
Alzo verdelgde Zimri het ganse huis van Báësa,
f
naar het woord des HEEREN dat Hij over Báësa gesproken had door den dienst van den profeet Jehu;
13
Om al de
23
zonden van Báësa en de zonden van Ela, zijn zoon, waarmede zij gezondigd hadden, en waarmede zij Israël hadden doen zondigen, tot toorn verwekkende den HEERE, den God Israëls, door hun
24
ijdelheden.
14
Het overige nu der geschiedenissen van Ela, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven
25
in het boek der kronieken der koningen van Israël?
15
In het zeven en twintigste jaar van Asa, den koning van Juda, regeerde Zimri zeven dagen te Tirza; en het volk had zich gelegerd tegen
26
Gíbbethon, dat der Filistijnen is.
16
Het volk nu dat zich
27
gelegerd had, hoorde zeggen: Zimri heeft
28
een verbintenis gemaakt, ja, heeft ook den koning verslagen. Daarom maakte het ganse Israël ten zelven dage
29
Omri, den krijgsoverste, koning over Israël in het leger.
17
En Omri toog op en gans Israël met hem van Gíbbethon, en belegerden Tirza.
18
En het geschiedde als Zimri zag dat de stad ingenomen was, dat hij ging in het paleis van het huis des konings, en verbrandde
30
boven zich het huis des konings met vuur, en stierf,
19
Om zijn zonden die hij gezondigd had, doende wat kwaad was
31
in de ogen des HEEREN,
32
wandelende in den weg van Jeróbeam en in
33
zijn zonde die hij gedaan had, doende Israël zondigen.
20
Het overige nu der geschiedenissen van Zimri en zijn
34
verbintenis die hij
35
gemaakt heeft, zijn die niet geschreven in het
36
boek der kronieken der koningen van Israël?
21
Toen werd het volk van Israël verdeeld
37
in twee helften; de helft des volks
38
volgde Tibni, den zoon van Ginath, om hem koning te maken, en de helft volgde Omri.
22
Maar het volk dat Omri volgde, was sterker dan het volk dat Tibni, den zoon van Ginath, volgde; en Tibni stierf en Omri regeerde.
23
In het een en dertigste jaar van Asa, den koning van Juda, werd Omri koning over Israël
en regeerde
39
twaalf jaar; te Tirza regeerde hij zes jaren.
24
En hij kocht den berg
40
Samaría van Semer voor twee
41
talenten zilver, en bebouwde den berg, en noemde den naam der stad die hij bouwde, naar den naam van
42
Semer, den heer des bergs,
43
Samaría.
25
En Omri deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN, ja, hij deed erger dan allen die vóór hem geweest waren.
26
En hij wandelde in alle wegen van Jeróbeam, den zoon van Nebat, en in zijn zonde waarmede hij Israël had doen zondigen, verwekkende den HEERE, den God Israëls, tot toorn door hun
44
ijdelheden.
27
Het overige nu der geschiedenissen van Omri, wat hij gedaan heeft, en zijn macht die hij
45
gepleegd heeft,
46
zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël?
28
En Omri ontsliep met zijn vaderen en werd begraven te Samaría; en zijn zoon Achab regeerde in zijn plaats.
29
En Achab, de zoon van Omri, werd koning over Israël in het acht en dertigste jaar van Asa, den koning van Juda; en Achab, de zoon van Omri, regeerde over Israël te Samaría twee en twintig
47
jaar.
30
En Achab, de zoon van Omri, deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN, meer dan allen die vóór hem geweest waren.
31
En het geschiedde
48
(was het een lichte zaak, dat hij wandelde in de zonden van Jeróbeam, den zoon van Nebat?), dat hij nog ter vrouw nam Izébel, de dochter van Eth-Baäl, den koning der Sidoniërs, en heenging en diende den
49
Baäl en boog zich voor hem.
32
En hij richtte voor den Baäl een altaar op, in
50
het huis van Baäl, hetwelk hij te Samaría gebouwd had.
33
Ook maakte Achab een
51
bos, zodat Achab
52
nog meer deed om den HEERE, den God Israëls, tot toorn te verwekken dan alle koningen van Israël die vóór hem geweest waren.
34
In zijn dagen bouwde Hiël, de Betheliet, Jericho;
53
op Abíram, zijn eerstgeboren zoon, heeft hij haar gegrondvest, en op Segub, zijn jongsten
zoon
, heeft hij haar poorten gesteld;
g
naar het woord des HEEREN dat Hij door
54
den dienst van Jozua, den zoon van Nun, gesproken had.