Jozua 24:15-28
Nooit was een onderhandeling met meer beleid en wijsheid gevoerd en tot een beter einde gebracht, dan deze onderhandeling van Jozua met het volk om hen er toe op te wekken om de Heere te dienen. De wijze, waarop hij met hen spreekt, toont dat het hem ernst is, dat zijn hart er op gesteld is, om hen onder alle mogelijke verplichtingen te laten om de Heere te blijven aanhangen, inzonderheid onder de verplichting van een keus en van een verbond.
I. Zal het hen onder een verplichting brengen, als zij de dienst van God tot hun eigen keus maken? Zo stelt hij hen hier dan voor deze keus. Niet alsof het tevoren een onverschillige zaak was, of zij al of niet God dienden, of alsof zij de vrijheid hadden om Zijn dienst te weigeren, maar omdat het een groten invloed zou hebben op hun volharden in de Godsdienst, als zij hem omhelsden met het verstand van mannen, en met de vastberadenheid van mannen. Hij brengt hen hier tot deze twee dingen:
1. Hij brengt hen er toe om hun Godsdienst met verstand te omhelzen, want het is een redelijke Godsdienst. De wil des mensen is geneigd om te roemen in zijn natuurlijke vrijheid en, uit ijver voor de eer daarvan blijft hij met het meeste genoegen bij hetgeen zijn eigen keus is, daarom is het Gods wil dat deze dienst ons niet door toeval of dwang opgelegd wordt, maar dat hij onze eigen vrije keus is. En zo:
A. Stelt Jozua hun dan die keus voor, vers 15, en:
a. Wijst de candidaten aan voor deze verkiezing. De Heere, JAHWEH, aan de ene zijde, en aan de andere zijde, hetzij de goden van hun voorouders, welke zich hun zouden aanbevelen, die liefde hadden voor de oudheid en hetgeen zij door overlevering van hun vaderen hadden ontvangen, of de goden van hun naburen, de Amorieten, in wier land zij woonden, die aantrekkelijk zouden zijn voor hen, die inschikkelijk waren en graag op goede voet zouden willen zijn met hun naburen.
b. Hij veronderstelt dat er sommigen onder hen waren, aan wie het, om de een of andere reden, kwaad in hun ogen zou zijn om de Heere te dienen. Er zijn vooroordelen en bezwaren, die sommige mensen tegen de Godsdienst inbrengen, en voor hen, die naar de wereld en het vlees neigen, wegen zij zeer zwaar. Het is kwaad in hun ogen, hard en onredelijk, verplicht te zijn om zichzelf te verloochenen, het vlees te doden, hun kruis op zich te nemen, en wat dies meer zij. Maar in een proefstaat zijnde is het recht en voegzaam, dat er moeilijkheden op de weg zijn, want anders zou er geen beproeving wezen.
c. Hij laat het hunzelf over: "Kiest u heden wie gij dienen zult, kiest heden, nu u de zaak duidelijk voorgesteld wordt brengt spoedig de zaak tot stand, en staat niet te aarzelen." Lang daarna heeft Elia de beslissing in de twist tussen JAHWEH en Baäl tot het geweten gebracht van hen, met wie hij handelde, 1 Koningen 18:21. Jozua, aldus de zaak aan hun eigen beslissing overlatende, geeft hiermede duidelijk twee dingen te kennen.
Ten eerste. Dat het de wil van God is dat wij, een ieder van ons, de Godsdienst tot onze ernstige en wèl overwogen keus maken, de dingen goed zullen overwegen, om dan te beslissen voor hetgeen wij bevinden waarlijk goed en waar te zijn. Laat ons beslissen voor een leven van ernstige Godsvrucht, niet bloot omdat wij geen anderen weg kennen, maar omdat wij werkelijk na gedaan onderzoek geen beteren vinder.
Ten tweede. Dat de Godsdienst zo klaarblijkelijk rede en rechtvaardigheid aan zijn zijde heeft dat het gerust overgelaten kan worden aan ieder, die zich veroorlooft vrij te denken, om hem of te kiezen of te verwerpen, want de voortreffelijkheid er van springt zo in het oog, dat geen verstandig mens anders doen kan dan hem te kiezen. De zaak is zo duidelijk dat zij zichzelve beslist. Misschien was het de bedoeling van Jozua met hen aldus voor deze keus te stellen, om eens te zien of er ook sommigen onder hen waren, die, nu hun zo schoon een gelegenheid er toe aangeboden werd, koelheid of onverschilligheid voor de dienst van God zouden aan de dag leggen, of ook tijd zouden willen hebben om te rade te gaan met hun vrienden, eer zij hun antwoord gaven, opdat, indien er de zodanigen waren, hij een teken aan hen kon stellen, en de overigen zou kunnen waarschuwen om hen te mijden.
d. Hij leidt hun keus in deze zaak door een openlijke verklaring van zijn eigen besluit: "Aangaande mij en mijn huis, wij zullen de Heere dienen! wat gij ook doet of besluit, wij zullen de Heere dienen, en ik hoop dat gij allen van dezelfde gezindheid zult zijn". Hier besluit hij:
Ten eerste voor zichzelf: Mij aangaande, ik zal de Heere dienen. De dienst van God is in niets beneden de waardigheid van de grootste mannen. Het is zo weinig een verkleining of vermindering voor vorsten en personen van de eersten rang om Godsdienstig te zijn, dat het integendeel hun grootste eer is en hun de schitterendste erekroon toevoegt. Let er op hoe bepaald en beslist hij is: "Ik zal God dienen." Het is geen verkorting van onze vrijheid, om ons aan God te verbinden.
Ten tweede. Voor zijn huis, dat is: zijn gezin, zijn kinderen en dienstboden, die onmiddellijk onder zijn oog en zijn zorg waren, onder zijn toezicht en zijn invloed. Jozua was een heerser, een richter in Israël toch wil hij zijn bezig zijn met de openbare zaken niet als verontschuldiging aanwenden voor het veronachtzamen van de huisgodsdienst. Zij, die de zorg hebben over vele gezinnen zoals magistraten en leraren, moeten zeer bijzonder zorgdragen voor hun eigen gezin, 1 Timotheus 3:4, 5. Ik en mijn huis, wij zullen de Heere dienen.
1. "Niet mijn huis, zonder mij". Hij wilde hen niet verbinden tot dat werk, waaraan hijzelf de hand niet wil slaan, zoals sommigen, die hun kinderen en dienstboden Godvruchtig willen hebben, maar niet zelf Godvruchtig willen zijn, dat is, zij willen, dat zij naar de hemel gaan, maar leggen het er op toe zelf naar de hel te gaan.
2. "Niet ik, zonder mijn huis". Hij veronderstelt verlaten te kunnen worden door zijn volk, maar in zijn huis, waar zijn gezag groter en meer onmiddellijk was, daar zal hij heersen. Als wij niet zovelen als wij wensen tot de dienst van God kunnen brengen, dan moeten wij er zovelen toe brengen als wij kunnen, en onze pogingen uitstrekken naar de uiterste kring van onze werkzaamheden. Als wij het land niet kunnen hervormen, zo laat ons de ongerechtigheid ver van onze eigen tabernakel wegdoen.
3. "Eerst ik, en dan mijn huis". Zij, die in andere dingen leiden en besturen, behoren de eersten te wezen in de dienst van God en voor te gaan in de beste dingen. Eindelijk. Hij besluit dit te doen, wat de anderen ook mogen doen. Al zouden ook al de gezinnen van Israël van God afvallen en afgoden gaan dienen, dan zal toch Jozua met zijn gezin de God Israëls trouw blijven aanhangen. Zij, die besluiten God te dienen, moeten er niet om geven, als zij enig zijn in hun soort, en zich niet door de grote menigte laten aftrekken van Zijn dienst. Zij, die op weg zijn naar de hemel, moeten bereid zijn om tegen de stroom in te zwemmen, niet doen zoals de meesten doen, maar zoals de besten doen.
B. De zaak aldus aan hun keus overgelaten zijnde, beslissen zij terstond door een vrije en wel overlegde verklaring vóór de God Israëls, tegen alle mededingers, hoe ook genaamd, vers 16-18.
a. Zij stemmen in met Jozua in zijn besluit, beïnvloed zijnde door het voorbeeld van zo'n grote man, die zo groot een zegen voor hen is geweest, vers 18. Ook wij zullen de Heere dienen. Zie hoeveel goed grote mannen zouden doen, indien zij ijverig waren voor de Godsdienst, door hun invloed op hun minderen.
b. Zij schrikken voor het denkbeeld van afval van God, vers 16. Het zij verre van ons! De uitdrukking geeft de grootst mogelijke vrees en verfoeiing te kennen, het zij verre, verre van ons, dat wij of de onze ooit de Heere zouden verlaten om andere "goden te dienen. Alle gevoel van gerechtigheid, dankbaarheid en eer zou van ons geweken moeten zijn, eer wij ook maar in de verte aan zo iets zouden kunnen denken". Zo moet ons hart opkomen tegen alle verzoekingen om de dienst van onze God te verlaten: "Ga weg, achter mij, Satan."
c. Zij geven degelijke redenen op voor hun keus, om te tonen dat zij haar niet bloot uit inschikkelijkheid deden voor Jozua, maar uit volle overtuiging van het verstandige en billijke er van. Zij doen die keuze uit aanmerking:
Ten eerste. Van de zeer grote en zeer gunstrijke dingen, die God voor hen gedaan heeft, hen opbrengende uit Egypte, en hen door de woestijn leidende naar Kanaän, vers 17, 18. Aldus herhalen zij voor zich de rede van Jozua, en geven dan hun oprechte instemming te kennen met de strekking en bedoeling er van.
Ten tweede. Van de betrekking, waarin zij stonden tot God en Zijn verbond met hen. Wij zullen de Heere dienen, want Hij is onze God, vers 18, die zich genadiglijk door Zijn belofte aan ons verbonden heeft, en aan wie wij ons door een plechtige gelofte hebben verbonden.
2. Hij brengt hen er toe om hun Godsdienst met vastberadenheid te omhelzen en met een oprecht voornemen des harten de Heere aan te kleven. Nu hij hen in die goede stemming heeft, neemt hij zijn slag waar, en doet al het mogelijke om die waarheid diep tot hen te doen doordringen, haar als een nagel inslaande in een vaste plaats.
A. Te die einde stelt hij hun de moeilijkheden voor van de Godsdienst, en van datgene er van, hetwelk als ontmoedigend beschouwd zou kunnen worden, vers 19, 20. Gij zult de Heere niet kunnen dienen, want Hij is een heilig God of, zoals het Hebreeuws eigenlijk luidt: Hij is de heilige Goden, de verborgenheid aanduidende van de Drieëenheid, drie in één, heilig, heilig, heilig, heilige Vader, heilige Zoon, heilige Geest. Hij zal niet vergeven En, indien gij Hem verlaat, zo zal Hij u kwaad doen. Jozua heeft hiermede gewis niet bedoeld hen van de dienst van God af te schrikken als zijnde onuitvoerbaar en gevaarlijk. Maar
a. Hij bedoelt misschien de inblazingen van verleiders voor te stellen, die Israël wilden weglokken van God en van Zijn dienst, door denkbeelden bij hen op te werpen als deze: Dat Hij een harde meester is, dat Zijn werk onmogelijk gedaan kon worden, dat Hij niet te behagen is en als Hij misnoegd is, zich onverzoenlijk, onvermurwbaar en wraakgierig betoont, dat Hij hun liefde alleen tot zich wil beperken, en hun niet zou toelaten om de minste vriendelijkheid te betonen aan iemand anders, en dat Hij hierin zeer ongelijk was aan de goden van de heidenen, die meegaand, en toegevend, maar niet heilig of ijverend waren. Waarschijnlijk werd dit toen gemeenlijk tegen de Joodse Godsdienst ingebracht, gelijk het altijd de kunstgreep van Satan is geweest, van dat hij onze eerste ouders verleid heeft om God aldus in een verkeerd daglicht te plaatsen, en Zijn wetten als hard en streng voor te stellen. En Jozua zal door zijn toon en manier van spreken hun te verstaan hebben gegeven, dat hij het bedoelde als een tegenwerping, die gemaakt zou kunnen worden, en nu stelde hij hun de vraag voor hoe zij daartegen bestand zouden zijn. Of wel.
b. Aldus drukt hij zijn Godvruchtige bezorgdheid over hen uit en zijn vrees tot hun opzichte, dat zij, in weerwil van hun betuiging van heden van hun ijver voor God en Zijn dienst, later zouden teruggaan, en zo zij dit deden, dan zouden zij Hem rechtvaardig en ijverig bevinden, om hier wraak over te doen. Of,
c. Hij besluit om hun het ergste er van te doen weten, hen te doen begrijpen de verhouding, waarin zij tot God staan, opdat zij zouden nederzitten en de kosten overrekenen. "Gij kunt de Heere niet dienen, tenzij gij alle andere goden wegdoet, want Hij is een heilig en ijverig God en zal geen mededinger dulden, en daarom moet gij zeer waakzaam en zorgzaam zijn, want het is op uw gevaar zo gij Zijn dienst verlaat, het zou dan beter voor u geweest zijn Hem nooit te hebben gekend". Evenzo heeft onze Meester ons wel gezegd dat "Zijn juk zacht is" maar opdat wij in de onderstelling daarvan niet zorgeloos en nalatig zouden worden, heeft Hij ons ook gezegd dat de poort eng en de weg nauw is, die tot het leven leidt, opdat wij zouden strijden om in te gaan, en niet slechts zoeken. "Gij kunt God niet dienen en de mammon, indien gij dus besluit God te dienen, dan moet gij alles wegdoen, wat in mededinging komt met Hem. Gij kunt God niet dienen in uw eigen kracht, en Hij zal u ook uw overtredingen niet vergeven om enigerlei gerechtigheid van uzelf: maar in de Heere zullen gerechtvaardigd worden en zich beroemen het gehele zaad Israëls, Jesaja 45:24, 25. Daarom moeten zij aflaten van alle vertrouwen in hun eigen genoegzaamheid, want anders zou hun besluit doelloos zijn. Of,
d. Jozua wijst met nadruk op de schijnbare moeilijkheden, die op hun weg lagen, teneinde hen sterker te maken in hun besluit, en hun een nog uitdrukkelijker en plechtiger belofte te ontlokken, dat zij getrouw zullen blijven aan God en Zijn dienst.
B. Niettegenstaande dit constateren van het moeilijke van de Godsdienst, verklaren zij hun vast en onwrikbaar besluit om er bij te blijven en er in te volharden, vers 21. Neen, maar wij zullen de Heere dienen, wij zullen niet te erger van Hem denken, omdat Hij een heilige ijverige God is, of omdat Hij van Zijn dienstknechten eist, dat zij Hem alleen zullen aanbidden. Rechtvaardiglijk zal Hij hen verdoen, die Hem verlaten, maar wij zullen Hem nooit verlaten, wij zijn nu niet alleen gezind Hem te dienen, en wij hopen dat wij Hem zullen dienen, maar wij zijn nu zover gekomen, dat wij zeggen moeten: val ons niet tegen, dat wij Hem zouden verlaten, Ruth 1:16. In de kracht van de Goddelijke genade zijn wij besloten dat wij de Heere zullen dienen." Dit besluit herhalen zij met een nadere verklaring, vers 24. "Wij zullen de Heere onze God dienen, niet slechts Zijn dienstknechten genoemd worden en Zijn livrei dragen, maar onze Godsdienst zal ons in alles leiden en besturen, en wij zullen aan zijn stem gehoorzaam zijn." En tevergeefs noemen wij Hem Meester en Heere zo wij niet doen hetgeen Hij zegt, Lukas 6:16. Deze laatste belofte doen zij in antwoord op het bevel, dat Jozua hun gaf, vers 23, namelijk dat zij teneinde te volharden:
a. De beelden en relikwieën van de vreemden goden moesten wegdoen, geen van de tekenen of herinneringen aan deze andere liefhebbers in hun bewaring moesten houden, indien zij besloten dat hun Maker hun Man zou zijn, zij beloven hierin van Zijn stem gehoorzaam te zullen zijn.
b. Dat zij hun harten zullen neigen tot de Heere de God Israëls hun gezag over hun eigen harten zullen gebruiken om ze voor de dienst Gods te verbinden, ze in liefde aan Hem te verbinden. Hiermede stemmen zij in, en verklaren: De Heere onze God zullen wij dienen.
II. Nadat zij de dienst van God aldus tot hun wel overwogen keuze hadden gemaakt, verbindt Jozua er hen toe door een plechtig verbond, vers 25. Mozes had tweemaal dit verbond tussen God en Israël openlijk bevestigd bij de berg Sinaï, Exodus 24, en in de vlakke velden van Moab, Deuteronomium 29:1. Ook Jozua had dit eenmaal gedaan, Hoofdstuk 8:31 en verv, en nu doet hij het voor de tweede maal. Het wordt hier een inzetting en een recht geroemd vanwege de kracht en het duurzame van de verplichting, en ook omdat zelfs dit verbond hen tot niets meer verplichtte dan waartoe zij reeds tevoren door het gebod Gods verplicht waren.
Ten einde er nu de formaliteiten van een verbond aan te geven:
1. Roept hij er getuigen bij, en wel niemand anders dan zijzelf, vers 22. Gij zijt getuigen over uzelf, dat gij u de Heere verkoren hebt om Hem te dienen. Hij vleit zich dat zij de plechtigheden van die dag nooit zullen vergeten, maar indien zij later dit verbond zouden verbreken, dan zullen de betuigingen en beloften, die zij nu doen, gewis in het gericht tegen hen opstaan en hen veroordelen, en zij stemmen dit toe. " Wij zijn getuigen, laat ons uit onze eigen mond geoordeeld worden, indien wij ooit ontrouw worden aan God."
2. Hij brengt het in geschrifte, en heeft het, zoals wij het hier vinden, opgenomen in de gewijden canon: hij schreef deze woorden in het wetboek Gods, vers 26, in het origineel, dat naast de ark gelegd was, en waaruit het waarschijnlijk overgeschreven werd in de onderscheidene kopieën, die de oversten hadden ten gebruike van hun stam. Daar was het geschreven opdat hun verplichting aan de Godsdienst door het Goddelijk gebod en door hun eigen belofte tezamen in de geschiedenis vermeld zou staan.
3. Hij richtte een gedenkstuk er van op ten nutte van degenen, die wellicht niet met schrift bekend of vertrouwd waren, vers 26, 27. Hij nam een groten steen, en hij richtte die daar op onder de eik, die bij het heiligdom des Heeren was als een gedachtenis aan dit verbond, en wellicht heeft hij een inscriptie op geplaatst waardoor men de stenen liet spreken, aanduidende de betekenis er van. Als hij zegt: hij heeft gehoord al de redenen des Heeren, dan verwijt hij hiermede stilzwijgend aan het volk hun hardheid van hart, alsof deze steen met meer aandacht had gehoord dan sommigen van hen, en, zo zij vergaten wat nu geschied was dan zal deze steen in zoverre de gedachtenis er van bewaren, om hun hun stompzinnigheid en zorgeloosheid te verwijten, en een getuige tegen hen te zijn.
De zaak aldus afgedaan zijnde, zond Jozua deze aanzienlijken van Israël heen, vers 28, en nam nu zijn laatste afscheid van hen, wèl voldaan met hetgeen hij gedaan had, waardoor hij zijn ziel bevrijd heeft. Indien zij omkomen, dan zal hun bloed op hun eigen hoofd wezen.