Jozua 24:1-14
Jozua dacht dat hij zijn laatst vaarwel aan Israël had gezegd, toen hij hun de plechtigen last had gegeven, die in het vorige hoofdstuk vermeld is, en zei: ik ga heden in de weg van de gehele aarde, God heeft genadiglijk zijn leven langer doen duren dan hij verwacht had, en zijn kracht vernieuwd, en nu wenst hij hier gebruik van te maken tot welzijn van Israël. Hij zei niet: "Ik heb al eens afscheid van hen genomen, en dit is mij genoeg", maar, daar hem nog een spanne tijds gegeven is, roept hij hen wederom tezamen om te zien, wat hij nog verder doen kon om hen aan de dienst van God te verbinden. Wij moeten nooit denken dat ons werk voor God afgedaan is, voor ons leven geëindigd is, en zo Hij onze dagen verlengt boven hetgeen wij verwacht hebben, dan moeten wij hieruit opmaken dat Hij nog werk voor ons te doen heeft.
De vergadering is dezelfde als die in het vorige hoofdstuk: de oudsten, de hoofden, de rechters en de ambtlieden van Israël, vers 1. Maar er wordt hier enigszins meer plechtigheid bij gebruikt dan daar.
I. De plaats, bepaald voor hun bijeenkomst, is Sichem, niet slechts omdat zij dichter bij Jozua was gelegen, en dus gemakkelijker voor hem te bereiken, nu hij zwak was en opgeschikt om te reizen, maar ook omdat het de plaats was waar Abraham, de eerste bewaarder van Gods verbond met Zijn volk, zich heeft gevestigd toen hij in Kanaän kwam, en waar God hem verschenen is, Genesis 12:6, 7, en nabij welke de bergen Gerizim en Ebal lagen, waar het volk zijn verbond met God had vernieuwd toen het in Kanaän was gekomen, Jozua 8:30. Deze plaats kon hen doen gedenken aan de beloften, die God aan hun vaderen had gedaan, en aan de beloften, die zij zelf aan God hadden gedaan.
II. Zij verschenen in deze vergadering niet alleen voor Jozua, maar voor God, dat is, zij kwamen op Godsdienstige wijze bijeen, als in de bijzondere tegenwoordigheid Gods, en in de verwachting, dat Hij door Jozua tot hen zal spreken, en waarschijnlijk begon de dienst met gebed. De uitleggers maken de gissing, dat Jozua bij deze grote gelegenheid bevolen heeft, dat de priesters de ark Gods naar Sichem zouden brengen, dat, zeggen zij, slechts op drie uren afstands van Silo was, om haar op de plaats van hun bijeenkomst te stellen, en die daarom het heiligdom des Heeren werd genoemd, vers 26, hetgeen zij door de tegenwoordigheid van de ark toen geworden is, en dit werd gedaan om luister bij te zetten aan de vergadering, en het volk, dat de dienst bijwoonde, eerbied in te boezemen. Wij hebben thans geen zulke zichtbare tekenen van Gods tegenwoordigheid, maar moeten geloven dat "waar twee of drie vergaderd zijn in Christus' naam," Hij even waarlijk in hun midden is, als God was waar de ark was, en zij zich in waarheid voor Zijn aangezicht stellen.
III. Jozua sprak tot hen in de naam Gods, en als van Zijnentwege, in de taal van de profeten, vers 2. Alzo zegt de Heere, JAHWEH, de grote God, de God Israëls, uw God in het verbond, die gij dus verplicht zijt te horen met eerbied." Het woord Gods moet door ons ontvangen worden als Zijn woord, wie ook de boodschapper is, die het tot ons brengt, wiens grootheid er niets aan kan toevoegen, en wiens geringheid het niet kan verminderen.
Zijn rede bestaat uit leerstelling en toepassing. 1. Het leerstellige gedeelte is een geschiedenis van de grote dingen, die God voor Zijn volk heeft gedaan, en voor hun vaderen vóór hen. Door Jozua verhaalt God de wonderen vanouds: "Dit en dat heb Ik gedaan". Zij moeten weten en bedenken niet alleen dat deze en die dingen gedaan zijn, maar dat God ze gedaan heeft. Het is een reeks van wonderen, die hier vermeld worden, en misschien heeft Jozua er nog veel meer genoemd, die hier kortheidshalve uitgelaten zijn. Zie wat God gewrocht heeft.
a. Hij bracht Abraham uit Ur van de Chaldeen, vers 2, 3. Hij en zijn voorouders hadden daar andere goden gediend want het was het land, dat wel beroemd was voor geleerdheid en wetenschap, maar waar naar sommigen denken, de afgoderij haar oorsprong had, daar heeft de wereld God niet gekend door de wijsheid. Abraham, die later de vriend Gods was en de grote gunstgenoot des hemels, was opgevoed in afgoderij en heeft er lang in geleefd, totdat God in Zijn genade hem als "een vuurbrand uit dat vuur gerukt heeft.' Laat hen die rotssteen gedenken, waaruit zij gehouwen waren, en niet terugvallen in die zonde, waarvan hun vaderen door een wonder van vrije genade verlost zijn geworden. "Ik nam hem", zegt God, "want anders zou hij nooit weggekomen zijn uit die zondige staat." Vandaar dat de apostel Abrahams rechtvaardiging tot een voorbeeld stelt hoe God "de goddelozen rechtvaardigt," Romeinen 4:5.
b. Hij bracht hem naar Kanaän, en bouwde zijn gezin, voerde hem door het land naar Sichem, waar zij zich nu bevonden, vermenigvuldigde zijn zaad door Ismael, die twaalf vorsten gewon, maar gaf hem eindelijk Izak, de beloofde zoon, en vermenigvuldigde zijn zaad in hem. Toen Izak twee zonen had, Jakob en Ezau, heeft God voor Ezau elders een erfdeel beschikt, namelijk op het gebergte Seir, opdat het land Kanaän geheel voor Jakobs zaad bewaard zou blijven, en de nakomelingen van Ezau er geen recht op konden laten gelden.
c. Hij verloste het zaad Jakobs uit Egypte met een hoge hand, vers 5, 6, en redde hen uit de hand van Farao en zijn leger aan de Schelfzee, vers 6, 7. Dezelfde wateren waren de beschutting van de Israëlieten en het graf van de Egyptenaren, en dat wel als gebedsverhoring, want, hoewel wij in de geschiedenis lezen, dat zij in die benauwdheid tegen God hebben gemurmureerd, Exodus 14:11, 12, wordt hier toch nota genomen van hun roepen tot God. Hij heeft genadiglijk hen aangenomen, die tot Hem baden, en de dwaasheid voorbijgezien van hen, die met Hem twistten.
d. Hij beschermde hen in de woestijn, waar zij hier gezegd worden niet te hebben gewandeld, maar vele dagen te hebben gewoond, vers 7. Met zoveel wijsheid werden al hun bewegingen geleid, en zó veilig werden zij bewaard dat zij zelfs daar veilig woonden, alsof zij in een ommuurde stad waren.
e. Hij gaf hun het land van de Amorieten aan de andere kant van de Jordaan, vers 8, en daar verijdelde Hij het komplot van Balak en Bileam tegen hen, zodat Bileam hen niet kon vloeken, zoals hij begeerd had, en Balak niet tegen hen durfde strijden, zoals hij voornemens was, en omdat hij het voornemens was, wordt hij hier gezegd het te doen. Het verkeren van Bileams tong om Israël te zegenen, toen hij bedoelde het te vloeken, wordt dikwijls aangehaald als een voorbeeld van de Goddelijke macht, aangewend ten gunste van Israël even treffend als wèlk ander het zij, omdat God er Zijn heerschappij in bewees (en Hij doet dit nog, meer dan wij wel weten) over de machten van de duisternis en de geest van de mensen. f. Hij bracht hen veilig en triomfantelijk in Kanaän, gaf de Kanaänieten over in hun hand, vers 11, zond, toen zij slaags waren met de vijand, horzelen voor hen henen, die hen kwelden met hun angels, en hen verschrikten door hun gedruis zodat zij een gemakkelijke prooi werden voor Israël. Deze schrikkelijke zwermen verschenen het eerst in hun oorlog met Sihon en Og, de twee koningen van de Amorieten, en naderhand in hun andere veldslagen, vers 12. God had beloofd dit voor hen te doen. En Jozua neemt hier nota van de vervulling van deze belofte. Zie Exodus 23:27, 28 Deuteronomium 7:20. Deze horzelen schijnen de vijand meer gekweld te hebben dan het geschut van Israël, daarom voegt hij er bij: niet door uw zwaard noch door uw boog. Het was zuiver en alleen van de Heere geschied. Eindelijk. Zij waren nu in het vreedzame bezit van een goed land, en leefden aangenaam en genoegelijk van de vrucht van de arbeid van anderen, vers 13.
2. De toepassing van deze geschiedenis van Gods zegeningen en weldadigheden over hen is bij wijze van vermaning om God te vrezen en te dienen uit dankbaarheid voor Zijn gunst, en opdat die zegeningen ook nog verder hun deel zullen zijn, vers 14. En nu, uit aanmerking van dit alles:
a. Vreest de Heere, de Heere en Zijn goedheid, Hosea 3:5. Eert een God van zo oneindige macht, vreest Hem te beledigen en Zijn goedheid te verbeuren. Hebt ontzag voor Zijn majesteit, eerbied voor Zijn gezag, vrees van Hem te mishagen, en geeft voortdurend acht op Zijn alziend oog over u."
b. "Laat uw doen in overeenstemming wezen met dit beginsel, en dient Hem zowel in de uitwendige daden van de Godsverering en iedere daad van gehoorzaamheid in geheel uw wandel, en dat wel in oprechtheid en in waarheid met een eenvoudig oog en een oprecht hart en de innerlijke indrukken, die in overeenstemming zijn met de uitwendige uitdrukkingen." Dat is de waarheid in het binnenste, waaraan God lust heeft, Psalm 51:8. Want welk goed zal het ons doen te veinzen bij een God, die het hart doorgrondt?
c. Doet weg de goden, zowel de Chaldeeuwse als de Egyptische afgoden, want zij waren het meest in gevaar om die te gaan vereren. Uit die last, dit bevel, kan afgeleid worden dat er sommigen onder hen waren, die de beeltenissen van deze drekgoden heimelijk bewaarden, die hun van hun voorouders in handen waren gekomen, als erfstukken van hun familie, hoewel zij ze misschien niet aanbaden, en Jozua dringt er ernstig bij hen op aan, om ze weg te werpen. "Bederft ze, vernielt ze, opdat gij niet in verzoeking komt ze te dienen." Jakob heeft er bij zijn huisgezin op aangedrongen om dit te doen, en wel aan deze zelfde plaats, want toen zij hem de beeldjes gaven, die zij bij zich hadden, verborg hij ze "onder de eikeboom, die bij Sichem is," Genesis 35:2, 4. Misschien was de eik, waarvan gesproken wordt in vers 26, wel diezelfde eikeboom, of een andere in dezelfde plaats, die dan wel de eikeboom van de hervorming genoemd kon worden, zoals er ook afgodische eikenbomen waren.