Deuteronomium 7:12-26
I. De waarschuwing tegen afgoderij is hier herhaald, evenals tegen gemeenschap met afgodendienaars, vers 16. Gij zult die volken verteren, en gij zult hun goden niet dienen. Wij zijn in gevaar om gemeenschap te hebben met de wreker van de duisternis, als wij behagen vinden in gemeenschap met hen, die deze werken doen. Hier is ook een herhaling van het bevel om de beelden te vernietigen, vers 25,26. De afgoden, die de heidenen hadden aanbeden, waren een gruwel voor God, en daarom moeten zij ook hen een gruwel zijn, allen, die God waarlijk liefhebben, haten wat Hij haat. Let er op, hoe hierop bij hen wordt aangedrongen: "gij zult het ganselijk verfoeien en ten enenmale een gruwel daarvan hebben", even zo'n heilige toorn moeten wij hebben tegen de zonde, de gruwel, die God haat. Zij moeten de beelden niet houden om aan hun begeerlijkheid te voldoen: het zilver en goud, dat daaraan is, zult gij niet begeren noch voor u nemen, en het niet jammer vinden, dat dit vernietigd wordt. Het is Achan duur te staan gekomen dat hij het verbannene tot zijn eigen gebruik heeft aangewend. Zij moeten ook de beelden niet behouden om aan hun nieuwsgierigheid te voldoen: "Gij zult de gruwel in uw huis niet brengen, om er als sieraad in opgehangen te worden, of als een antiquiteit te worden bewaard. Neen, in het vuur er mee! dat is er de beste plaats voor." Er worden hier twee redenen gegeven voor deze waarschuwing: opdat gij daardoor niet verstrikt wordt, vers 25, dat is: "opdat gij niet, eer gij het weet, er toe komt, om er van te houden, er lust toe krijgt en er eer aan bewijst," en opdat gij niet een ban zoudt worden gelijk datzelve is, vers 26. Zij, die beelden maken, worden gezegd hen gelijk te zijn, dom, gevoelloos, levenloos, hier worden zij in nog erger zin gezegd hen gelijk te zijn: vervloekt door God, ten verderve gewijd. Vergelijk deze twee redenen met elkaar, en merk op, dat alles wat een strik voor ons is, ons onder een vloek zou brengen.
II. Bij de belofte van Gods gunst over hen indien zij gehoorzaam zijn, wordt uitvoerig stilgestaan, in liefdevolle, welsprekende bewoordingen wordt er over uitgeweid, waardoor te kennen wordt gegeven hoezeer het Gods begeerte en in ons belang is, dat wij Godsdienstig zijn. Alle mogelijke verzekering wordt hen gegeven:
1. Dat, zo zij in oprechtheid er naar streven hun deel van het verbond na te komen, God Zijn deel er van zal houden. Hij zal het verbond en de weldadigheid houden, die Hij uw vaderen gezworen heeft, vers 12. Laat ons standvastig zijn in onze plicht, wij kunnen de standvastigheid van Gods weldadigheid niet in twijfel trekken.
2. Dat, indien zij God willen liefhebben en dienen en zich, met die bij hen horen, aan Hem willen wijden, Hij hen zal liefhebben, hen zal zegenen en grotelijks vermenigvuldigen, vers 13,14. Wat konden zij meer begeren om gelukkig te zijn?
a. Hij zal u liefhebben. In liefde tot ons is Hij begonnen, 1 Johannes 4:19 en als wij Zijn liefde in kinderlijke gehoorzaamheid beantwoorden, dan maar dan ook alleen kunnen wij er de voortduring van verwachten Johannes 14:21.
b. Hij zal ons boven alle volken zegenen met de tekenen van Zijn liefde. Indien zij zich van hun naburen willen onderscheiden door bijzondere diensten, dan zal God hen boven hun naburen eren door bijzondere zegeningen.
c. Hij zal u doen vermenigvuldigen. Toeneming, vermenigvuldiging, was de aloude zegen voor het bevolken van de wereld, telkens en nogmaals, Genesis 1:28, 9:1 , en hier voor het bevolken van Kanaän, dat een kleine wereld was op zichzelve. De toeneming van henzelf en van hun vee is beloofd, zij zullen noch bezittingen hebben zonder erfgenamen, noch erfgenamen zonder bezittingen, zij zullen de volkomen voldoening genieten van veel kinderen te hebben, en voor allen een overvloedige voorziening en een ruim deel.
3. Dat, zo zij zich rein willen houden van de afgoderij van Egypte, God hen vrij zal houden van de ziekten van Egypte, vers 15. Dat schijnt te wijzen, niet alleen op de plagen van Egypte, door de kracht waarvan zij verlost werden, maar ook op andere epidemische landziekten, zoals wij het noemen, en waarvan zij het heersen onder de Egyptenaren zich herinnerden, en door welke God hen kastijdde wegens nationale zonden. Krankheden zijn Gods dienaressen, zij gaan waar Hij ze zendt, en doen wat Hij haar gebiedt. Het is dus goed voor de gezondheid van ons lichaam, om de zonde van onze ziel te doden.
4. Dat, zo zij de verbannen volken wilden uitdelgen, zij hen ook zouden uitdelgen, geen hunner zou voor hun aangezicht kunnen bestaan. Hun plicht in deze zaak zou zelf hen ten voordeel zijn. Gij zult dan al die volken verteren, die de Heere, uw God, u geven zal, dat is het gebod, vers 16. En de Heere zal hen geven voor uw aangezicht en Hij zal hen verschrikken met grote verschrikking, totdat zij verdelgd worden, dat is de belofte, vers 23. Aldus wordt ons geboden de zonde niet te laten heersen, er ons niet in toe te geven of haar te ondersteunen, maar haar te haten, en er tegen te strijden en dan heeft God beloofd, dat de zonde niet over ons zal heersen, Romeinen 6:12,14, maar wij zullen meer dan overwinnaars over haar zijn.
Het moeilijke en twijfelachtige van de verovering van Kanaän is een struikelblok geweest voor hun vaderen, hier bemoedigt hij hen ten opzichte van die dingen, die hen waarschijnlijk het meest zouden ontmoedigen, hen zeggende niet voor hen te vrezen, vers 18, en wederom vers 21.
A. Laat hen niet ontmoedigd zijn door het aantal en de sterkte van hun vijanden. Zegt niet: Deze volken zijn meerder dan ik, hoe zou ik hen uit de bezitting kunnen verdrijven?, vers 17. Wij zijn geneigd te denken dat de talrijksten moeten zegevieren, maar om hen te versterken tegen deze verzoeking, herinnert Hij hen aan het verderf van Farao en al de macht van Egypte, vers 18,19. Zij hadden gezien de grote verzoekingen, of de wonderen zoals de Chaldeer leest de tekenen en de wonderen, waarmee God hen uitgevoerd had uit Egypte, ten einde hen in Kanaän te brengen, en daaruit konden zij gemakkelijk afleiden dat God de Kanaänieten uit het bezit kon verdrijven, die ofschoon zij geducht genoeg waren, toch niet zo in het voordeel waren over Israël als de Egyptenaren. Hij, die het grotere gedaan had kon ook het mindere doen, want anders zou het ook geen vriendelijkheid voor hen geweest zijn, dat Hij hen uit Egypte had uitgevoerd. Hij, die begonnen heeft, zal ook voleindigen. Daarom zult gij dit steeds gedenken, vers 18. Het woord en de werken Gods worden wel herdacht, als zij gebruikt worden als hulpmiddelen voor ons geloof en onze gehoorzaamheid. De zaak wordt goed bewaard, als wij er terstond het gebruik van kunnen hebben in onze tijd van nood.
B. Laat hen niet ontmoedigd zijn door de zwakheid en het gebrekkige van hun eigen strijdkrachten, want God zal hen hulpbenden zenden in troepen van horzelen of wespen, zoals sommigen het woord vertalen, vers 20, grotere, waarschijnlijk, dan de gewone, die hun vijanden zo zullen verschrikken en kwellen, (en wellicht ook van velen onder hen de dood veroorzaken) dat hun talrijkste legers een gemakkelijke prooi zullen worden voor Israël. God plaagde de Egyptenaren met vliegen, maar de Kanaänieten met horzelen. Zij, die zich door de mindere oordelen over anderen niet laten waarschuwen, kunnen grotere verwachten over zichzelf. Maar hun grootste bemoediging bestond hierin, dat God in hun midden was, een groot en vreselijk God. En zo God voor ons is, zo God met ons is, behoeven wij de macht van geen schepsel tegen ons te vrezen.
C. Laat hen niet ontmoedigd worden door de langzame voortgang van hun wapenen noch denken dat de Kanaänieten wel nooit tenonder gebracht zullen worden. Zij werden niet in het eerste jaar uitgedreven, neen, zij moeten grondig en niet haastiglijk uitgeworpen worden, vers 22. Wij moeten niet denken dat, wijl de kerk niet terstond verlost wordt en haar vijanden niet dadelijk vernietigd worden, het daarom ook wel nooit zal geschieden, God zal Zijn eigen werk op Zijn eigen wijze en op Zijn eigen tijd doen, en wij kunnen er zeker van zijn, dat Zijn wijze van doen en Zijn tijd om het te doen de beste zijn. Zo wordt ook het bederf uit het hart van de gelovigen nauwkeurig uitgedreven. Het werk van de heiligmaking gaat trapsgewijze voort, maar dit oordeel zal ten laatste in een volkomen overwinning uitkomen. De reden, hier gegeven is, (evenals tevoren in Exodus 23:29,30) opdat het wild des velds niet tegen u vermenigvuldige. De aarde heeft God aan de kinderen van de mensen gegeven, en daarom zal er veeleer een overblijfsel van Kanaänieten zijn om het bezit te bewaren, totdat Israël talrijk genoeg is om het land te vervullen, dan dat het de woning zal worden van de draken, een zaal voor de jongen van de struisen, Jesaja 34:13. Dit kwaad van de dieren had God echter kunnen weerhouden, Leviticus 26:6 6, maar hoogmoed en vleselijke gerustheid, en andere zonden, die de gewone uitwerkingen zijn van een gevestigde voorspoed, waren vijanden, gevaarlijker dan de dieren van het veld, die allicht zich onder hen vermenigvuldigd zouden hebben. Zie Richteren 3:1,4.