Romeinen 4:1-8
Hier bewijst de apostel dat Abraham gerechtvaardigd is door het geloof en niet door de werken. Zij, die van alle mensen het heftigst twistten over hun aandeel in de rechtvaardigheid uit kracht van de voorrechten die zij genoten en van de werken die zij verrichtten, waren de Joden, en daarom beroept hij zich op het geval van Abraham hun vader en wijst er op dat hij tot dien in dezelfde betrekking staat, zijnde een Hebreeër uit de Hebreeën: Abraham onze vader. Zijn voorrecht was dus noodwendig even groot als het hun, die er zich op beriepen dat zij naar het vlees Abrahams zaad waren. Welnu: wat heeft hij verkregen? De gehele wereld is zoekende, maar terwijl verreweg de meesten zich afmatten door het najagen van enkel ijdelheid, kan niemand geacht worden werkelijk iets gevonden of verkregen te hebben, behalve hij die voor God gerechtvaardigd is. Zo Abraham, als een wijs koopman zocht hij goede parelen, en hij vond de parel van grote waarde. Wat had hij verkregen, kata sarka, naar, of door, het vlees, dat is door besnijdenis, door uitwendige voorrechten en door eigen werken? Deze noemt de apostel vlees, Filippenzen 3:3. Wat heeft hij daardoor gewonnen? Werd hij er door gerechtvaardigd? Hebben de verdiensten zijner werken hem aangenaam en aannemelijk bij God gemaakt? Neen, in genen dele. En dat gaat hij nu aantonen door vele bewijzen.
I. Indien hij gerechtvaardigd ware uit de werken, dan zou er plaats voor roem geweest zijn, en die is voor altijd buitengesloten. In dat geval heeft hij roem, vers 2, maar dat is niet geoorloofd. "Doch", konden de Joden zeggen, "was Zijn naam niet groot gemaakt Genesis 12:2, en mocht hij zich daar niet op beroemen?" Ja, maar niet bij God, dat kon hem dienstig zijn bij de mensen, maar was hem van geen nut bij God. Paulus zelf had waarop hij zich tegenover mensen beroemen kon, en wij hebben allen het een of ander, dat ons tot roem verstrekt, mits met nederigheid, doch niets om ons op te beroemen tegenover God, 1 Corinthiërs 4:4, Filippenzen 3:8, 9. Evenzo Abraham. Merk op. Hij houdt het voor toegestemd dat de mens niet mag voorwenden enig ding te hebben, waarop hij tegenover God roemen kan, niemand, zelfs Abraham niet, hoe groot en goed hij ook mocht zijn, en daarom knoopt hij er deze redenering aan vast, het zou voor hem ongerijmd zijn in iets anders te roemen dan in den Heere.
II. Er wordt uitdrukkelijk gezegd dat Abrahams geloof hem is gerekend tot rechtvaardigheid. Want wat zegt de Schrift? vers 3. Het doet er niets toe wat een of ander groot of goed man zegt, maar: wat zegt de Schrift? Vraag alleen aan haar om inlichting, zowel omtrent de zaak zelf als het doel. Tot de wet en tot de getuigenis! Jesaja 8:20, dat is het hoogste beroep. Welnu, de Schrift zegt: En Abraham geloofde God, en het is hem gerekend tot rechtvaardigheid, Genesis 15:6. Dus had hij niets om tegenover God op te roemen. Alleen uit vrije genade was dat geloof hem ingeplant, en het had in zichzelf niets van de nuttige natuur der gerechtigheid, alleen het behaagde Gode het hem als zodanig toe te rekenen. Dat wordt vermeld in Genesis bij gelegenheid van een zeer kenmerkende en merkwaardige daad des geloofs betreffende het beloofde zaad, en het is des te opmerkelijker dat het volgde op een grievende botsing, die hij met ongeloof had, zijn geloof was nu een overwinnend geloof, dat zegevierend uit den veldslag terugkwam. Het is niet het volmaakte geloof, dat vereist wordt tot rechtvaardigmaking, er kan zeer aannemelijk geloof zijn bij overblijfselen van ongeloof, maar het overwinnende geloof, het geloof dat de overhand behoudt over het ongeloof.
III. Indien hij niet uit het geloof gerechtvaardigd was, zou het loon geweest zijn uit schuld en niet naar genade, hetgeen ondenkbaar is. Dit is zijn betoog in vers 4 en 5. Abrahams loon was God zelf, zoals Hij hem tevoren gezegd had, Genesis 15:1. Ik ben uw loon zeer groot. Welnu, indien Abraham dit verdiend had door de volkomenheid van zijn gehoorzaamheid, dan zou het geen genadedaad van God geweest zijn, maar dan mocht Abraham er met evenveel vrijmoedigheid om vragen als iedere dagloner in den wijngaard des avonds den verdienden penning ontvangt. Maar dat kan niet zijn, het is onmogelijk voor den mens, vooral voor den schuldigen mens, om God tot Zijn schuldenaar te maken, Romeinen 11:35. Neen, God wil alleen vrije genade, opdat Hij al de eer hebbe, genade voor genade, Johannes 1:16. En daarom, hem die niet werkt, die zulke verdienste niet kan voorwenden, en die niet enige waarde van zijn werk kan aantonen, dat zulk een beloning verdient, maar al zulke aanmatiging verwerpende zich geheel overgeeft aan de vrije genade Gods in Christus door een levend, werkzaam geloof, zulk een wordt het geloof gerekend tot rechtvaardigheid. Dat geloof wordt door God aangenomen als de gerechtigdheid tot vergeving en zaligmaking, in allen die het bezitten. Hem, die den godlozen rechtvaardigt, dat is die rechtvaardigt degenen, die vroeger godloos was. Zijn vorige godloosheid was geen beletsel voor zijne rechtvaardiging op zijn geloof, - den godlozen, ton asebên, dat is Abraham, die naar blijkt, voor zijn bekering medegesleept was door den stroom van de Chaldeeuwse afgoderij, Jozua 24:2. Daarom is er geen plaats gelaten voor wanhoop, ofschoon God den onboetvaardigen schuldige niet reinigt, rechtvaardigt Hij toch door Christus Jezus den godlozen.
IV. Hij heldert dat verder op door een uitspraak uit de Psalmen, waar David gewaagt van de vergeving der zonden, die eerste vrucht van de rechtvaardigmaking, die het geluk en de zegening van enen mens in zich bevat. Hij noemt welgelukzalig niet den mens die geen zonde heeft, en niet den mens die den dood niet verdiend heeft, want aangezien de mens zo zondig en God zo rechtvaardig is, zou dan niemand welgelukzalig kunnen zijn, maar den man die de Heere de ongerechtigheid niet toerekent, die ofschoon hij niet kan pleiten: Niet schuldig! toch zich beroepen mag op zijne vrijspraak en wiens beroep aangenomen wordt. Het is ene aanhaling uit Psalm 32:1, 2. We merken daarbij op:
1. De natuur der vergeving. Zij is de vergeving van een schuld en een misdaad, zij is bedekking van zonden als van een onrein ding, als van de naaktheid en schande der ziel. Van God wordt gezegd dat Hij de zonden achter Zijn rug werpt, dat Hij er Zijn aangezicht voor verbergt. Deze en dergelijke uitdrukkingen houden in dat de grond van onze welgelukzaligheid niet is onze eigen onschuld, en ook niet dat wij niet gezondigd hebben. Een ding blijft en blijft onrein, al wordt het bedekt, de rechtvaardigmaking veroorzaakt niet dat de zonde niet bestaan heeft of geen zonde was. Maar God legt den last van die zonde niet op ons, gelijk hier vervolgens gezegd wordt, het is dat God de zonde niet toerekent, vers 8. En daardoor wordt dit een geheel vrije genadedaad Gods, dat Hij niet met ons handelt zoals wij naar strikt recht verdiend hadden, niet met ons in het gericht treedt, noch onze ongerechtigheden gadeslaat, al hetwelk daden van enkel genade zijn. De aanneming en de beloning kunnen niet als schuld in rekening gebracht worden, en daarom zegt Paulus, vers 6, dat dit is een toerekenen van rechtvaardigheid zonder de werken.
2. De zegen daarvan. Zalig zijn zij. Wanneer er gezegd wordt: Zalig zijn de reinen van wandel, welgelukzalig is de man, die niet wandelt in den raad der godlozen, enz., dan wordt daarin het karakter getekend van hen die gezaligd zijn, maar wanneer er gezegd wordt: Zalig zijn zij, welker ongerechtigheden vergeven zijn, dan wordt daardoor aangewezen wat die zaligheid is en wat er den grondslag van uitmaakt. Alleen zij die vergeving ontvingen zijn zalig. Het gevoelen der wereld is: Zalig is de man die een vrij bezit heeft, die niemand iets schuldig is, maar de uitspraak van het Woord is: Zalig zijn zij, wier schuld tegenover God voldaan is. Hoezeer is het daarom in ons belang ons zelven daarvan te verzekeren dat onze zonden vergeven zijn. Want dat is de grondslag van alle andere zegeningen. Zo zal Ik hun doen want Ik zal hunner genadig zijn, Heb. 8:12.