Jozua 14:6-15
Eer het lot in de schoot geworpen werd ter bepaling en aanwijzing van de erfdelen van de onderscheidene stammen, wordt aan Kaleb zijn bijzonder deel toegewezen, die nu, behalve Jozua, niet alleen de oudste man was van geheel Israël, maar twintig jaar ouder was dan ieder hunner, want allen, die boven de twintig jaren waren toen hij veertig was, zijn in de woestijn gestorven, het was dus voegzaam, dat aan deze phoenix in zijn jaren enig bijzonder teken van eer gegeven werd bij de verdeling des lands.
I. Kaleb doet zijn verzoek, of liever zijn eis dat hem Hebron tot zijn bezitting gegeven zal worden, (dit gebergte noemt hij het, vers 1 en dat dit niet opgenomen zal worden in het lot met de andere delen des lands. Om zijn eis te rechtvaardigen toont hij, dat God hem lang tevoren door Mozes dit gebergte heeft beloofd, zodat Gods wil ten opzichte van deze zaak reeds kenbaar gemaakt zijnde, het ijdel en overtollig zou zijn om hem nog verder te raadplegen door het lot te werpen, waarmee wij een beroep doen op God alleen in die gevallen die op geen andere wijze beslist kunnen worden. Kaleb wordt hier de Keniziet genoemd, sommigen denken naar een merkwaardige overwinning door hem behaald over de Kenizieten, zoals de Romeinen aan hun grote generaals titels gaven, ontleend aan de door hen veroverde landen, zoals Africanus, Germanicus, enz. Om aan zijn verzoek kracht bij te zetten:
1. Brengt hij de kinderen van Juda mede, dat is: de hoofden en aanzienlijken uit deze stam, die zeer bereid waren om deze eer en achting te betonen aan hem, die het sieraad was van hun stam, en om van hun toestemming te doen blijken, dat hij aldus afzonderlijk zijn deel zal ontvangen, en dit niet zouden beschouwen als een blaam op de overigen van zijn stam. Kaleb was de persoon, door God uit die stam verkoren om gebruikt te worden bij de verdeling des lands, Numeri 34:19. En om de schijn niet te hebben, alsof hij zijn macht als commissaris ten eigen bate heeft aangewend, brengt hij zijn broederen mede, en, zijn eigen macht voor het ogenblik ter zijde latende, schijnt hij veeleer op hun invloed te rekenen.
2. Hij beroept zich op Jozua zelf betreffende de waarheid van zijn bewering, waarop hij zijn verzoek grondt. Gij weet het woord, vers 6.
3. Hij maakt een zeer eervolle melding van Mozes, hetgeen hij wist geheel niet onaangenaam te zijn aan Jozua, Mozes, de man Gods, vers 6, en de knecht des Heeren, vers 7. Wat Mozes zei, nam hij aan als door God zelf gesproken, omdat Mozes Zijn mond was en Zijn agent, en daarom had hij reden, beide om te begeren en te verwachten, dat het vervuld zal worden. Wat kan vuriger begeerd worden dan de tekenen van Gods gunst? En wat kan met meer vertrouwen verwacht worden de de vervulling van Zijn belofte?
In zijn verzoek wijst Kaleb:
A. Op het getuigenis van zijn geweten betreffende zijn handelwijze in de grote zaak, die het keerpunt bleek te zijn in Israëls lot namelijk het verspieden des lands. Kaleb was een van de twaalf mannen, die op deze boodschap waren uitgezonden, vers 7, en hij kon daar nu met vertroosting en blijdschap aan terugdenken, en hij maakte er melding van, niet uit hoogmoed, maar omdat het, de overweging zijnde waaruit hem die schenking gedaan was, nodig was om er in zijn verzoek op te wijzen. a. Dat hij dit bericht bracht, zoals het in zijn hart was, dat is: hij sprak, zoals hij dacht, toen hij goeds zei van het land Kanaän, met zoveel vertrouwen sprak van de macht van God om het hun in bezit te geven, en met minachting sprak van de tegenstand, die de Kanaänieten, ja zelfs de Enakieten, hun konden bieden, zoals wij bevinden, dat hij gesproken heeft, Numeri 13:30, 14:7-9. Hij heeft het niet gezegd, bloot om Mozes genoegen te doen of om het volk rustig te houden, en nog veel minder uit een geest van tegenspraak aan zijn medegenoten, maar uit de volle overtuiging van de waarheid van hetgeen hij zei, en een vast geloof aan de Goddelijke belofte.
b. Dat hij hierin volhard heeft de Heere zijn God na te volgen, dat is: hij hield zich aan zijn plicht, en heeft in oprechtheid de ere Gods er in op het oog gehad. Hij voegde zich naar de wil Gods, met het oog op de gunst Gods. Hij heeft dit getuigenis van God zelf verkregen, Numeri 14:24, en daarom was het geen ijdelheid of verwaandheid van hem om er van te spreken evenmin als het ijdelheid of verwaandheid is als zij, met wier geest Gods Geest getuigt dat zij kinderen Gods zijn, dit met ootmoed en dankbaarheid aan anderen mededelen tot hun bemoediging, en hun verhalen wat God voor hun ziel gedaan heeft. Zij, die volharden God na te volgen als zij jong zijn, zullen daar de eer en de vertroosting van hebben als zij oud zijn, en het loon er van voor eeuwig in het hemelse Kanaän.
c. Dat hij dit deed, toen al zijn broederen en metgezellen, behalve Jozua, anders deden. Zij deden het hart des volks smelten, vers 8, en het was welbekend, hoe verderfelijk de gevolgen daarvan waren. Hij voegt er veel bij tot lof van het volgen van God, als wij Hem blijven aankleven, wanneer anderen van Hem afwijken en Hem verlaten. Het was niet nodig dat Kaleb inzonderheid van Jozua's houding en gedrag in deze zaak zou spreken, die waren genoegzaam bekend, en hij wilde de schijn niet hebben van hem te vleien, het was genoeg te zeggen: Gij weet het woord, dat de Heere gesproken heeft ter oorzake van mij en ter oorzake van u.
B. De ervaring, die hij van Gods goedheid heeft gehad van toen af tot nu toe. Hoewel hij met de overigen in de woestijn gewandeld heeft, acht en dertig jaren buiten Kanaän werd gehouden ter oorzake van die zonde, waarin hij zo weinig de hand gehad heeft, dat hij al het mogelijke heeft gedaan om haar te voorkomen, heeft hij, instede van hierover te klagen, tot eer van God Zijn goedertierenheid over hem vermeld in twee opzichten.
a. Dat hij in het leven is gebleven in de woestijn, niet slechts in weerwil van de gemene gevaren en vermoeienissen van deze verdrietige, lastige tocht, maar in weerwil dat geheel het geslacht van de Israëlieten, uitgenomen hijzelf en Jozua, op de een of andere wijze door de dood werd afgesneden. Met welk een dankbaar besef van Gods goedheid over hem zegt hij dit! vers 10. En nu, zie, (zie en verwonder u) de Heere heeft mij in het leven behouden deze vijf en veertig jaren-acht en dertig jaren in de woestijn, temidden van de plagen van de woestijn, en zeven jaren in Kanaän, temidden van de gevaren van de krijg! Zolang wij leven, is het God, die ons in het leven houdt, door Zijn macht beschermt Hij ons tegen de dood, en door Zijn milddadigheid voorziet Hij ons voortdurend van het onderhoud en de gemakken en gerieflijkheden des levens. Hij houdt onze zielen in het leven, Psalm 66:9. Hoe langer wij leven, hoe meer wij ons bewust moeten zijn van Gods goedheid over ons door ons in het leven te houden, van Zijn zorg in ons broos leven te verlengen, van Zijn geduid in ons verbeurd leven te sparen. Heeft Hij mij deze vijf en veertig jaren in het leven behouden? Is het omtrent deze tijd des levens met ons? Of is het meer? Of is het minder? Wij hebben reden te zeggen: Het zijn de goedertierenheden des Heeren dat wij niet vernield zijn. Hoeveel zijn wij niet aan de goedertierenheid Gods verschuldigd, en wat zullen wij Hem vergelden! Laat het leven, aldus door de voorzienigheid Gods bewaard, toegewijd zijn aan Zijn lof. De dood van zovelen om ons heen moet ons te meer dankbaar maken aan God, dat Hij ons gespaard en in het leven heeft behouden. Duizenden vallen aan onze rechterhand en onze linkerhand, en toch zijn wij zelf gespaard-deze onderscheidende gunsten leggen ons de sterke verplichtingen op van gehoorzaamheid.
b. Dat hij geschikt was voor zaken, nu hij zich in Kanaän bevond. Schoon hij vijf en tachtig jaren oud was, was hij nog even krachtig en fris als toen hij veertig was, vers 11. Gelijk mijn kracht toen was, alzo is nu mijn kracht. Dit was de vrucht van de belofte, en overtrof nog hetgeen gezegd was, want God geeft niet slechts wat Hij belooft, maar Hij geeft meer, het leven door belofte zal leven, en gezondheid en kracht zijn, en alles wat het beloofde leven tot zegen en lieflijkheid maakt. Mozes heeft in zijn gebed, Psalm 90:10, gezegd dat op tachtigjarigen leeftijd zelfs het uitnemendste, of (naar de Engelse overzetting) "de kracht er van, nog moeite en verdriet" is, en zo is het gewoonlijk ook, maar Kaleb was een uitzondering op die regel, zijn kracht was op vijf en tachtigjarigen leeftijd niet vergaan, hij was volkomen gezond en blijmoedig, dat had hij verkregen door te volharden om de Heere na te volgen. Kaleb merkt dit hier op tot eer van God, en als een verontschuldiging voor zijn verzoek om een erfdeel, dat hij uit de hand van de reuzen moet halen, laat Jozua hem niet zeggen: gij weet niet wat gij vraagt, kunt gij het bezit verkrijgen van hetgeen waarop gij het wettig recht begeert? "Ja", zegt Kaleb, "waarom niet? Ik ben thans even geschikt tot de oorlog als ooit tevoren."
C. De belofte, die Mozes hem in de naam van God had gegeven, dat hij dit land zal ontvangen, vers 9. Deze belofte is zijn voornaamste pleitgrond, en daarop steunt hij. Zoals wij haar vinden in Numeri 14:24, is zij in algemene bewoordingen uitgedrukt: "Ik zal hem brengen tot het land in hetwelk hij gekomen was en zijn zaad zal het erfelijk bezitten," maar zij schijnt meer bijzonder bedoeld te zijn van Hebron en het omliggende land-en Jozua wist dit. Dit was de plaats, vanwaar de verspieders meer dan van enige andere plaats in hun rapport gewaagden, want hier hebben zij de Enakskinderen gezien, Numeri 13:22, waardoor zo'n diepen indruk op hen gemaakt werd, vers 33. Wij kunnen veronderstellen dat Kaleb, ziende welk een nadruk zij legden op de moeilijkheid om Hebron te veroveren, een stad, bezet door reuzen, en hoe zij dan daar verder uit afleiden, dat de verovering van het gehele land onmogelijk was, tegenover hun beweren, en om het volk er van te overtuigen dat hij sprak wat hij dacht, kloekmoedig het verlangen heeft te kennen gegeven, om die stad, welke zij onoverwinnelijk noemden, tot zijn erfdeel te ontvangen. "Ik neem de verovering van die stad voor mijn rekening, en zo ik haar dan niet tot mijn eigendom kan krijgen, dan zal ik zonder erfdeel blijven". "Welnu", zegt Mozes, "zij zal uw zijn, win haar en behoud haar". Van zo'n edele en heldhaftige geest was Kaleb bezield en zo groot was zijn begeerte om er ook zijn broederen mee te bezielen, dat hij deze plaats koos, alleen omdat zij het moeilijkst te veroveren was. En om te tonen dat de kracht van zijn ziel evenmin was vervallen als die van zijn lichaam, blijft hij nu na vijf en veertig jaren nog bij zijn keus, en is hij nog altijd van dezelfde gezindheid.
D. Zijn hoop dat hij er meester van zal worden, al hebben de kinderen Enaks haar nog in hun bezit, vers 12, of de Heere met mij ware dat ik ze verdreef, dat is: indien de Heere met mij is, dan zal ik in staat zijn hen te verdrijven. De stad Hebron had Jozua reeds ten ondergebracht, Hoofdstuk 10:37, maar het gebergte dat er toe behoorde en door de kinderen Enaks werd bewoond, was nog niet veroverd, want hoewel de uitroeiing van de Enakieten van Hebron vermeld is in Hoofdstuk 11:21, omdat de gewijde geschiedschrijver al de krijgsbedrijven wilde samenvoegen, schijnt het toch niet veroverd te zijn voor zij begonnen waren het land te verdelen. Merk op: hij grondt zijn hoop om de kinderen Enaks uit te drijven op Gods tegenwoordigheid met hem. Hij zegt niet: Omdat ik nu nog even sterk ten oorlog ben, als toen ik veertig jaren was, zal ik hen uitdrijven", steunende op zijn persoonlijke dapperheid, en evenmin steunt hij op zijn invloed op de krijgshaftige stam van Juda, die hem door zijn vertegenwoordigers vergezelde, toen hij zijn verzoek ging doen, en hem ongetwijfeld ook zouden bijstaan, hij dingt ook niet naar hulp van Jozua: "Indien gij mij bijstaat, dan zal ik mijn doel bereiken", maar: zo de Heere met mij is. Hier schijnt hij:
a. met enige twijfel te spreken, of de Heere met mij ware, niet uit enigerlei wantrouwen van Zijn goedheid en trouw. Hij heeft er zonder de minste aarzeling van gesproken, dat God met Israël is in het algemeen, Numeri 14:9, "de Heere is met ons," maar voor zichzelf verkiest hij uit een ootmoedig besef van zo'n gunst onwaardig te zijn, zich aldus uit te drukken: of de Heere met mij ware. De Chaldeeuwse paraphrase geeft deze lezing: "indien het Woord des Heeren mijn helper is," dat Woord, hetwelk God is en in de volheid des tijds is vlees geworden, en de overste leidsman van onze zaligheid is.
b. Maar zonder de minste twijfel spreekt hij, ja wel verzekerd is hij dat, zo God met hem is, hij instaat zal zijn de kinderen Enaks te verdrijven. "Zo God met ons is, zo God voor ons is, wie kan zó tegen ons zijn, om tegen ons te overmogen?" Er wordt tevens te kennen gegeven dat, zo God niet met hem is, hij zijn doel niet zal bereiken, al zou ook de gehele krijgsmacht van Israël hem te hulp komen. Bij alles wat wij ondernemen is Gods gunstrijke tegenwoordigheid met ons alles in alles voor ons welslagen, daar moeten wij dus vurig om bidden, daar moeten wij ons dus zorgvuldig van verzekerd houden door ons te bewaren in de liefde Gods, daarop moeten wij steunen en daaraan onze bemoediging ontlenen in de grootste moeilijkheden en bezwaren.
Ten opzichte nu van geheel deze zaak is Kalebs verzoek: Geef mij dit gebergte, vers 12.
Ten eerste. Omdat het vroeger in Gods belofte was, en hij Israël wil doen weten, hoezeer hij prijs stelt op de belofte, aandringende op dit gebergte, waarvan de Heere te die dage gesproken heeft, als het meest begerenswaardig voor hem, hoewel hem misschien een even goed erfdeel door het lot had kunnen toevallen. Zij, die leven door het geloof, waarderen hetgeen gegeven is door belofte ver boven hetgeen slechts door de gewone voorzienigheid is gegeven.
Ten tweede. Omdat het nu in het bezit was van de Enakieten, en hij Israël wilde doen weten, hoe weinig hij de vijand vreesde, en hen door zijn voorbeeld wilde aanmoedigen om hun veroveringen voort te zetten. Hierin beantwoordde Kaleb aan zijn naam, welke betekent: "geheel hart."
II. Jozua staat hem zijn verzoek toe, vers 13. Jozua zegende hem, prees zijn dapperheid, juichte zijn verzoek toe, en gaf hem wat hij vroeg. Hij bad ook voor hem en voor het welslagen van zijn voorgenomen onderneming tegen de Enakieten. Jozua was beide een vorst en een profeet, en in beide hoedanigheden voegde het hem Kaleb te zegenen, want "hetgeen minder is wordt gezegend van hetgeen meerder is." Hebron werd aan Kaleb en zijn erfgenamen gegeven vers 14, omdat hij volhard heeft de Heere, de God Israëls, na te volgen. En zalig zijn wij, zo wij Hem navolgen. Bijzondere Godsvrucht zal met bijzondere gunsten gekroond worden. Nu wordt ons hier gezegd:
1. Wat Hebron geweest is: de stad van Arba, een groot mens onder de Enakieten, vers 15. In Genesis 23:2 vinden wij het Kirjath-Arba genoemd, als de plaats waar Sara gestorven is. In de omtrek dier plaats hebben Abraham, Izak en Jakob meestal gewoond, en in de nabijheid er van was de spelonk van Machpela, waar zij begraven zijn, hetgeen Kaleb misschien herwaarts heeft gevoerd, toen hij het land ging verspieden, en het hem boven ieder ander deel tot een erfenis deed begeren.
2. Er wordt ons naderhand gezegd wat Hebron was.
a. Het was een van de steden, die de priesters behoorde, Jozua 21:13, en een vrijstad, Jozua 20:7. Toen Kaleb het kreeg, vergenoegde hij zich met het omliggende land, en gaf blijmoedig de stad aan de priesters en dienstknechten des Heeren, achtende dat het aan niemand beter gegeven kon worden, ja zelfs aan zijn eigen kinderen niet, en dat het er toch ook niet minder het zijne om was, dat het aldus aan God gewijd werd.
b. Het was een koninklijke stad, en in het begin van Davids regering de hoofdstad van het rijk van Juda, derwaarts begaf het volk zich tot hem, en daar heeft hij zeven jaren geregeerd. Zo hoge eer werd aan Kalebs stad aangedaan, jammer is het, dat er lang daarna zulk een vlek kwam op zijn geslacht-als Nabal geweest is, want hij was een Kalebiet, 1 Samuël 25:3. Ook de beste mensen kunnen hun deugden niet op hun erfgenamen doen overgaan.