Jozua 14:1-5
De gewijde geschiedschrijver had in het vorige hoofdstuk een beschrijving gegeven van de landen aan de overzijde van de Jordaan en van hun verdeling, en nu gaat hij er toe over om ons te verhalen wat zij met de landen gedaan hebben, die in Kanaän gelegen waren. Zij werden niet veroverd om ze braak te laten liggen, "een woning van de draken" te zijn, "een zaal voor de jongen van de struisen," Jesaja 34:13. Neen, de Israëlieten, die totnutoe dicht bij elkaar gelegerd waren-en de meesten van hen kenden geen andere manier van leven en wonen-moeten zich nu verspreiden, om deze veroverde landen te gaan bewonen. Van de aarde is gezegd, dat "God haar niet geschapen heeft om ledig te zijn, maar opdat men daarin wonen zou,' Jesaja 45:18. Kanaän zou tevergeefs onderworpen zijn, indien het niet bewoond werd. Maar iedereen mocht zich niet gaan vestigen waar het hem goeddacht, maar gelijk er in de dagen van Peleg een ordelijke en regelmatige verdeling van de aarde heeft plaatsgehad onder de zonen van Noach, Genesis 10:25, 32, zo was er nu zo'n verdeling van het land Kanaän onder de zonen van Jakob. God had aan Mozes aanwijzingen gegeven hoe deze verdeling plaats moest hebben, en die aanwijzingen worden hier stipt en nauwkeurig opgevolgd. Zie Numeri 33:53 en verv.
De bestuurders van deze grote zaak waren Jozua, de eerste magistraat, Eleazar de hogepriester, en tien oversten, een uit ieder van de stammen, aan welke thans hun erfdeel moest toegewezen worden, en die enige jaren tevoren door God zelf daartoe aangesteld waren Numeri 34:17 en verv. Dezen schijnen nu allen nog in leven te zijn geweest en die dienst te hebben bijgewoond, opdat iedere stam, een eigen vertegenwoordiger daar bij hebbende, overtuigd zou zijn, dat alles eerlijk is toegegaan, en tevreden kan zijn met het hem toebedeelde land.
II. Het waren negen en een halve stem onder welke die verdeling moest plaatshebben.
1. De twee en een halve stam, die reeds gevestigd waren, mochten hierin niet delen, vers 3. Sommigen van hen zouden misschien, nu zij zagen welk een goed land Kanaän was en hoe volkomen het tenonder was gebracht, wel berouw gehad hebben van hun keus, en wensen met hun broederen te mogen delen,. waarvoor zij dan gaarne hun bezitting aan de overzijde van de Jordaan zouden afgestaan hebben, maar dit zou niet toegestaan zijn, zij hadden hun keus gedaan zonder recht van herroeping, en zo moet dan hun lot zijn naar zij het zelf bepaald hebben, zij moeten nu bij hun keus blijven.
2. Ook de stam van Levi was hiervan uitgesloten, voor die stam was op andere wijze gezorgd. God had de Levieten van de andere stammen onderscheiden, en nu moeten zij zich niet met hen vermengen, hun lot niet aan het hun verbinden, want dat zou hen verwikkelen in de zaken dezes levens, hetgeen niet bestaanbaar kon zijn met hun heilig ambt. Maar
3. Van Jozef werden twee stammen gevormd, Manasse en Efraïm, ingevolge van Jakobs aannemen van Jozefs twee zonen en zo bleef het getal van de stammen op twaalf al werd Levi er niet bij gerekend hetgeen te kennen wordt gegeven in vers 4. De kinderen Jozefs waren twee stammen, daarom gaven zij de Levieten geen deel in het land, ook zonder hen waren zij twaalf.
III. De regel, waarnaar zij tewerk gingen was het lot, vers 2. "Het beleid daarvan is van de Heere," Spreuken 16:33. Het werd hier gebruikt voor een zaak van gewicht, die op geen andere wijze tot ieders voldoening geregeld kon worden, en het werd gebruikt op een plechtige, Godsdienstige wijze, als een beroep op God met toestemming van allen. Verdelende door het lot:
1. Gaven zij zich en hun zaak over aan God, vertrouwden zij op Zijn wijsheid, berustten zij in Zijn vrijmacht, gelovende dat Hij hun zaken beter kon regelen dan zij het zelf konden, Psalm 47:5. Hij verkiest voor ons onze erfenis.
2. Betuigden zij hun bereidwilligheid, om zich aan de beslissing er van te houden, want ieder moet nemen wat zijn lot is, en er zich in schikken. Met toespeling hierop wordt gezegd dat wij "in Christus een erfdeel verkregen hebben' Efeziers 1:11, h "eklêroothêmen", wij hebben het verkregen door het lot. Dat is de betekenis van het woord, want het is verkregen door een aanwijzing of bestemming van God. Christus, onze Jozua, geeft het eeuwige leven "aan allen die Hem gegeven zijn," Johannes 11:2.