21. In die tijd 1) nu, gedurende de zeven jaren dat de oorlog duurde, kwam Jozua, en roeide behalve de overige bewoners van het land, ook de Enakieten 2) uit van het gebergte van Juda, van Hebron (10:36vv.) van Debir (10:38vv.) van Anab, 5-6 uur ten zuiden van Hebron, en van het gehele gebergte van Juda en van het gehele gebergte van Israël (Efraïm): Jozua verbande hen met hun steden.
1) In die tijd slaat terug op "vele dagen" in Vers 18..
2) De Enakieten behoorden tot de oorspronkelijke Semitische bevolking, zij waren reuzen en hadden 40 jaar geleden de verspieders van Mozes zo verschrikt door hun vreselijk uiterlijk aanzien, dat deze bij hun terugkomst met ontsteltenis de andere Israëlieten bijna de moed ontnamen, om tegen zo'n volk ten strijde te trekken (Numeri 13:23,29,33 ; ook "Deuteronomium 2:23)..
Dit bericht is noch voor een ingeschoven fragment van een andere hand te houden, noch voor een bericht, ontleend aan een andere bron. Integendeel, de schrijver beschouwde het met het oog op Numeri 28, 31 als nodig, nog uitdrukkelijk te vermelden, dat Jozua ook de door de verspieders onder Mozes als vreselijke reuzen geschilderde Enaks-kinderen, uit hun woonplaatsen waren verdreven en teruggedreven naar de Filistijnse steden Gaza, Gath en Asdod.. Het was het nageslacht van de reuzen, voor wier kracht de verspieders het volk hadden bevreesd gemaakt, zodat het Kanaän niet wilde binnentrekken. Daarom, omdat zij zo te vrezen waren, was het wel de moeite waard, hen uit te roeien, opdat het volk des te meer werd aangezet, om wel op God te hopen. Het zou nu voor hen zeer schadelijk zijn geweest, dat zij wisten, dat zij door hen beloerd werden, omdat dit hen gedurig onrustig zou maken en beangstigen..
Een vrees, die bovenal de glorie van God voor de volgende overwinningen zou verduisteren en het geloof ondermijnen, omdat zij in hun gemoed zouden worden geteisterd door de zorg, dat hun de moeilijkste van alle strijden nog restte..